ECLI:NL:TDIVBC:2026:3 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VBC 2025/10
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVBC:2026:3 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-03-2026 |
| Datum publicatie: | 27-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | VBC 2025/10 |
| Onderwerp: | Honden |
| Beslissingen: | Verwerpt het beroep |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een dierenarts over het euthanaseren van twee inbeslaggenomen honden. Klager is door het VTC n-o verklaard omdat hij niet klachtgerechtigd was omdat hij afstand van de honden had gedaan. De zoon van klager heeft beroep aangetekend. |
Zaaknummer: Datum uitspraak:
VBC 2025/10 27 maart 2026
Uitspraak op het beroep van:
[appellant], wonende te [plaats],
appellant,
tegen de uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege van 4 september 2025 in zaak nr. 2024/102
in het geding tussen:
appellant,
en
[verweerder], dierenarts te [plaats] (hierna: de dierenarts).
1. Verloop van de procedure
Bij uitspraak van 4 september 2025 heeft het Veterinair Tuchtcollege de klacht van
appellant tegen de dierenarts niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak is op 6 september 2025 een beroepschrift ingediend door [appellant].
[appellant], de zoon van appellant. [naam] was in eerste aanleg geen partij. Gelet
op de overige correspondentie (ook met appellant zelf) houdt het Veterinair Beroepscollege
het ervoor dat appellant degene is die beroep heeft ingesteld en [naam] zijn gemachtigde
is.
De dierenarts heeft een verweerschrift ingediend.
Het Veterinair Beroepscollege heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari
2026. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De dierenarts is, met kennisgeving
vooraf, niet verschenen.
2. Voorgeschiedenis en procedure in eerste aanleg
-
- De klacht heeft betrekking op twee honden die eind 2022 door de dierenarts zijn
geëuthanaseerd. Het Veterinair Tuchtcollege heeft geoordeeld dat appellant niet heeft aangetoond dat hij klachtgerechtigd was in de zin van artikel 8.15, tweede lid, onder a, van de Wet dieren ten tijde van het gestelde klachtwaardig handelen door de dierenarts. Daarbij is door het Veterinair Tuchtcollege – samengevat weergegeven – het volgende in aanmerking genomen.
2.2 Op grond van artikel 8.15, tweede lid, onder a, van de Wet dieren kan een tuchtklacht tegen een dierenarts worden ingediend wegens handelen in strijd met de in artikel 4.2 van die wet neergelegde zorgplicht, door degene die als gevolg van dat handelen rechtstreeks in zijn belang is getroffen. Hieronder vallen in ieder geval de eigenaar en houder van een dier.
2.3 In augustus 2021 is de toenmalige woning van appellant ontruimd, waarbij twee honden
zijn achtergebleven. Volgens een brief van de gerechtsdeurwaarder van 26 augustus 2021 is van de ontruiming proces-verbaal opgemaakt en heeft klager een afstandsverklaring ondertekend, waarmee hij afstand heeft gedaan van alle goederen, waaronder de honden. Een derde, de koper van de woning zou tijdelijk zorgen voor de honden. Verder staat in de brief dat appellant daags na de ontruiming aan de gerechtsdeurwaarder kenbaar heeft gemaakt dat hij toch geen afstand wenste te doen van de honden. Daarop heeft de gerechtsdeurwaarder gemeld dat hij daarin niet kon meegaan, omdat de ontruiming feitelijk was voltooid en appellant de honden had achtergelaten. Wel heeft de gerechtsdeurwaarder volgens de brief een passende oplossing willen bieden door met de derde-koper af te spreken dat deze klager een week de mogelijkheid zou bieden om de honden zelf op te halen of te zorgen voor een opvangadres voor de honden. Daarna zou de derde-koper de honden naar een pension of asiel overbrengen en klager melden waar de honden zich dan zouden bevinden, zodat hij met het pension of asiel afspraken zou kunnen maken over het toe-eigenen/kopen van de honden. De gerechtsdeurwaarder heeft volgens zijn brief – waarvan hij ook een kopie aan de derde-koper heeft doen toekomen – het proces-verbaal van ontruiming met de getekende afstandsverklaring daarbij gevoegd. Volgens appellant mocht hij van de derde-koper na de ontruiming niet meer langskomen, maar zijn zoon [naam] wel, en is [naam] vervolgens voor de honden gaan zorgen. Toen appellant begin 2023 aan de derde-koper vroeg waar de honden verbleven, heeft de derde-koper gezegd dat de honden eind 2022 waren geëuthanaseerd, aldus appellant.
2.4 Appellant heeft zich in eerste aanleg beroepen op de ongeldigheid van de afstandsverklaring, omdat deze niet mede was ondertekend door zijn zoon [naam] en deze een van de wettelijke erfgenamen was. Het Veterinair Tuchtcollege heeft het er echter voor gehouden dat appellant in augustus 2021 wel degelijk rechtsgeldig afstand van de honden heeft gedaan. Daarbij is door het Veterinair Tuchtcollege betrokken dat is gesteld noch gebleken dat appellant vanaf augustus 2021 op enigerlei wijze actie heeft ondernomen om de geldigheid van de afstandsverklaring (in rechte) aan te tasten. Ook is volgens het Veterinair Tuchtcollege onduidelijk gebleven waarom [naam] de afstandsverklaring mede had moeten tekenen om deze rechtsgeldig te doen zijn. In nadere informatie die het Veterinair Tuchtcollege van appellant had ontvangen, heeft appellant gesteld dat een van de honden van zijn zoon [naam] was en heeft hij zich als gemachtigde van [naam] in de procedure gepresenteerd. Het Veterinair Tuchtcollege heeft geoordeeld dat appellant die stelling niet aannemelijk heeft gemaakt.
3. Gronden van beroep en verweer
Beroepsgronden
3.1 Appellant handhaaft in beroep zijn standpunt dat de afstandsverklaring niet geldig is, omdat deze ook door zijn zoon [naam] getekend had moeten worden. Eén van de honden was volgens appellant wel degelijk van [naam]. Het Veterinair Tuchtcollege heeft volgens appellant ten onrechte niet aangenomen dat hij in eerste aanleg als gemachtigde van zijn zoon optrad.
Verweer
3.2 Volgens de dierenarts heeft hij na de ontruiming eind augustus 2021 en de ondertekening van de afstandsverklaring vanaf 2 september 2021 alleen nog contact gehad over de honden met de derde-koper en de dierenpolitie. Hij heeft geen ondertekende verklaring gezien waaruit blijkt dat de twee honden nog aan appellant zouden toebehoren en hij voelt zich daarom niet aangesproken op zijn veterinair handelen door appellant.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Naar het oordeel van het Veterinair Beroepscollege is klager in eerste aanleg terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht. Het Veterinair Tuchtcollege wordt gevolgd in zijn oordeel dat gelet op de afstandsverklaring en de overige uitlatingen en gedragingen van appellant sinds die tijd niet is komen vast te staan dat appellant ten aanzien van de door de dierenarts eind 2022 verrichte euthanasie klachtgerechtigd was.
4.2 De gronden die appellant in beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in de procedure bij het Veterinair Tuchtcollege naar voren heeft gebracht. Door hem zijn in beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht. Het Veterinair Beroepscollege kan zich in de overwegingen van het Veterinair Tuchtcollege (zoals hierboven onder 2 samengevat weergegeven) vinden, waarbij door het Veterinair Tuchtcollege gemotiveerd op een en ander is ingegaan. Voor het geval appellant heeft bedoeld dat de honden tot de nalatenschap van zijn vader behoorden en de afstandsverklaring niet geldig was omdat die niet door alle vier erfgenamen is ondertekend, overweegt het Veterinair Beroepscollege het volgende. De afstandsverklaring is mede ondertekend door appellants broer [naam], die executeur was van de nalatenschap. De afstand was onderdeel van de (afgedwongen) feitelijke levering van de tot de nalatenschap behorende woning. Dat laatste in aanmerking genomen valt zonder nadere uitleg, die niet is gegeven, niet in te zien waarom de ondertekening door de executeur van de afstandsverklaring niet toereikend zou zijn.
4.3 Dit leidt tot ertoe dat als volgt wordt beslist.
5. Beslissing
Het Veterinair Beroepscollege verwerpt het beroep.
Aldus gewezen op DATUM door mr. E.A. Minderhoud (voorzitter), mr. J.C.W. Rang en
mr. G. Tangenberg (jurist-leden), drs. E.C. de Ruijter en drs. W.A. Breukers (dierenarts-leden), in tegenwoordigheid van mr. M.D. Moeke als secretaris.
mr. E.A. Minderhoud mr. M.D. Moeke
Voorzitter Secretaris