ECLI:NL:TDIVBC:2026:2 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VBC 2025/07
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVBC:2026:2 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-03-2026 |
| Datum publicatie: | 27-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | VBC 2025/07 |
| Onderwerp: | Klachtambtenaarzaken |
| Beslissingen: | Gegrond met waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht van de klachtambtenaar tegen een dierenarts over het niet administreren van het toedienen van een diergeneesmiddel met een wachttijd voor vlees aan een rund. De klacht is in eerste aanleg gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel. Het beroep van de klachtambtenaar ziet op het feit dat geen maatregel is opgelegd. |
Zaaknummer: Datum uitspraak:
VBC 2025/07 27 maart 2026
Uitspraak op het beroep van:
de klachtambtenaar bedoeld in artikel 8.15, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet dieren,
hierna: de klachtambtenaar,
gemachtigde: mr. L. Schleeper
tegen de uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege van 16 april 2025 in zaaknr. 2024/4 in het geding tussen:
de klachtambtenaar
(klager in eerste aanleg)
en
[verweerder], dierenarts te [plaats] (hierna: de dierenarts)
1. Verloop van de procedure
Bij uitspraak van 16 april 2025 (ECLI:NL:TDIVTC:2025:12) heeft het Veterinair Tuchtcollege
de klacht van de klachtambtenaar tegen de dierenarts gegrond verklaard en afgezien
van het opleggen van een maatregel.
Tegen deze uitspraak heeft de klachtambtenaar beroep ingesteld.
De dierenarts heeft een verweerschrift ingediend.
Het Veterinair Beroepscollege heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari
2026. De klachtambtenaar (in de persoon van [naam] is verschenen, bijgestaan door
zijn gemachtigde. De dierenarts is eveneens verschenen.
2. Voorgeschiedenis
2.1 Net als het Veterinair Tuchtcollege gaat het Veterinair Beroepscollege
bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.
-
- Op 18 april 2023 heeft een dierenarts, niet zijnde verweerder, een noodslachting
uitgevoerd bij een rund van een melkveebedrijf te [plaats] (hierna: de rundveehouder) aldaar op het bedrijf. Het rund is op dezelfde dag aangeboden aan het slachthuis [naam] in [plaats], vergezeld van een Voedsel Keten lnformatie (VKI) formulier en een noodslachtverklaring. De in het slachthuis aanwezige dierenarts heeft het voor hem bestemde deel van de noodslachtverklaring ingevuld en ondertekend. Hierin is vermeld dat het rund is besprongen en uitgegleden als gevolg waarvan het een paralyse van de achterhand heeft opgelopen.
-
- Omdat de in het slachthuis aanwezige keuringsdierenarts ook een verdachte
spuitplek bij het rund ter hoogte van de melkader heeft aangetroffen, is een melding dubieuze VKI gedaan, wat voor de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA) aanleiding heeft gevormd een onderzoek te starten.
-
- Op 11 mei 2023 hebben twee inspecteurs c.q. toezichthouders van de NVWA een inspectie
uitgevoerd op het bedrijf van de rundveehouder. De rundveehouder heeft onder meer verklaard dat het rund op 14 april 2023 was behandeld met een Ca/Mg infuus. De NVWA-inspecteurs hebben inzage gekregen in de logboekadministratie met betrekking tot het gebruik van diergeneesmiddelen (hierna: het logboek) van de rundveehouder en een visitebrief van de dierenarts. Hierin stond dat het betreffende rund op 11 april 2023 de diergeneesmiddelen Calcitat, en Rapidexon (25 ml) toegediend heeft gekregen vanwege melkziekte. Voor Rapidexon (REG NL 105653) geldt met het oog op vleesproductie een wachttermijn van acht dagen.
-
- De NVWA-inspecteurs hebben op 8 juni 2023 de dierenarts gehoord. Over de op 11 april
2023 bij de rundveehouder afgelegde visite heeft de dierenarts verklaard dat hij het rund heeft onderzocht en aansluitend heeft behandeld voor een opgelopen pens en een infuus heeft gegeven tegen melkziekte, en tevens een injectie Rapidexon heeft toegediend in aanwezigheid van de veehouder. Verder heeft hij de veehouder mondeling op de hoogte gebracht van de wachttijden van de toegediende middelen: die bedroeg voor Rapidexon acht dagen. De dierenarts heeft toegelicht dat voor de houder een klantportaal te raadplegen is waarin ook de visitebrieven en logboeken te zien zijn. De dierenarts heeft vervolgens verklaard dat hij vanwege drukte pas negen dagen later de visitebrief heeft ingevuld op zijn computer en heeft verstuurd naar de veehouder.
-
- Op basis van het onderzoek heeft de NVWA een voor de klachtambtenaar bestemd
berechtingsrapport opgemaakt. De NVWA heeft daarin geconcludeerd dat indien de dierenarts de visitebrief en logboek tijdig in het systeem had verwerkt en had verzonden aan de veehouder, er besloten had kunnen worden om te euthanaseren in plaats van te noodslachten. In het berechtigingsrapport wordt erop gewezen dat de dierenarts door de gang van zaken onnodig het risico op schade voor de dier- en volksgezondheid in het leven heeft geroepen, welk risico zich ook heeft verwezenlijkt, aangezien het behandelde rund binnen de wachttijd door een ongeïnformeerde collega is genoodslacht.
-
- De klachtambtenaar heeft vervolgens de tuchtklacht ingediend die aan deze procedure ten
grondslag ligt.
3. Procedure in eerste aanleg
De klacht
3.1 De dierenarts wordt verweten dat hij een rund heeft behandeld met een
diergeneesmiddel waarvoor een wachttijd voor vlees gold en dit niet tijdig heeft geadministreerd.
Hierdoor heeft het kunnen gebeuren dat bij het rund door een andere dierenarts een
noodslachting is uitgevoerd terwijl het dier zich nog in de wachttijd van dat diergeneesmiddel
bevond. De klachtambtenaar heeft verzocht beklaagde hiervoor een berisping op te leggen.
De beslissing van het Veterinair Tuchtcollege
3.2 Het Veterinair Tuchtcollege heeft de klacht gegrond verklaard en heeft,
met toepassing van artikel 8.32 van de Wet dieren, afgezien van het opleggen van een
maatregel aan de dierenarts.
4. Gronden van beroep en verweer
Beroepsgronden
4.1 De klachtambtenaar kan zich niet verenigen met het feit dat in eerste
aanleg geen maatregel is opgelegd. Volgens de klachtambtenaar doet dit geen recht
aan de situatie. De ernst van het feit rechtvaardigt naar mening van de klachtambtenaar
oplegging van een maatregel. Primair acht de klachtambtenaar een berisping passend,
subsidiair een waarschuwing.
Verweer
4.2 De dierenarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
5. Beoordeling van het beroep
5.1 Niet in geschil is en als vaststaand wordt aangenomen dat de dierenarts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door de behandeling van een rund met een diergeneesmiddel waarvoor een wachttijd gold, niet tijdig te administreren. Hierdoor heeft het kunnen gebeuren dat een andere dierenarts op dat rund een noodslachting heeft uitgevoerd terwijl het zich nog in de wachttijd van het diergeneesmiddel bevond. De beoordeling in beroep beperkt zich tot de vraag of het Veterinair Tuchtcollege heeft kunnen volstaan met een gegrondverklaring van de klacht zonder oplegging van een maatregel. In dat verband wordt het volgende overwogen.
5.2 Als gevolg van het feit dat de dierenarts het gebruik van het diergeneesmiddel pas na afloop van de wachttijd heeft geadministreerd, heeft gedurende de wachttijd geen controle hiervan kunnen plaatsvinden. Dit is de dierenarts aan te rekenen. De enkele omstandigheid dat de wachttijd door hem mondeling met de veehouder is besproken en de veehouder dit dus had kunnen melden aan de dierenarts die de noodslachting verrichtte, ontslaat de dierenarts niet van zijn verplichting om tijdig te administreren. Het Veterinair Beroepscollege volgt de klachtambtenaar in zijn standpunt dat de dierenarts bij uitstek degene is die heeft te waken voor de voedselveiligheid wanneer toediening van medicijnen een wachttijd voor slacht vergt. Het niet tijdig administreren van die toediening door een dierenarts kan leiden tot een risico op schade voor de dier- en volksgezondheid, welk risico zich in dit geval ook heeft verwezenlijkt. In dat verband merkt het Veterinair Beroepscollege op dat uit het formulier Dubieuze VKI van 18 april 2023 blijkt dat het vlees van het bewuste rund geschikt is geacht voor humane consumptie. Daarmee is een reëel risico ontstaan dat dat vlees in de humane voedselketen terecht is gekomen.
-
- Het Veterinair Beroepscollege acht een en ander dermate ernstig dat niet kan worden
volstaan met de enkele constatering dat tuchtrechtelijk verwijtbaar is gehandeld zonder daar een maatregel aan te verbinden. Wat betreft de hoogte van de maatregel laat het Veterinair Beroepscollege in het voordeel van de dierenarts meewegen dat hij, al voorafgaand aan het onderzoek door de NVWA, een cursus timemanagement had afgerond en zijn werkwijze had aangepast, in die zin dat hij de administratie sindsdien in de regel direct na toediening van een diergeneesmiddel ook voor derden kenbaar administreert. De kans op recidive is hiermee aanzienlijk verminderd. Ook laat het Veterinair Beroepscollege meewegen dat de dierenarts het onjuiste van zijn handelen inziet en niet eerder met het tuchtrecht in aanraking is geweest.
-
- Alles in aanmerking nemend, acht het Veterinair Beroepscollege oplegging van een
waarschuwing passend.
Slotsom
5.5 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het Veterinair Tuchtcollege ten onrechte heeft afgezien van het opleggen van een maatregel aan de dierenarts. Het beroep is gegrond en de beslissing van het Veterinair Tuchtcollege zal in zoverre worden vernietigd. Het Veterinair Beroepscollege beslist als volgt.
6. Beslissing
Het Veterinair Beroepscollege:
- vernietigt de beslissing van het Veterinair Tuchtcollege van 16 april 2025 in zaaknr. 2024/4 uitsluitend voor zover daarbij is afgezien van het opleggen van een maatregel;
- legt aan de dierenarts de maatregel van waarschuwing op als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet dieren.
Aldus gewezen op 27 maart 2026 door mr. E.A. Minderhoud (voorzitter), mr. G. Tangenberg en
mr. J.C.W. Rang (jurist-leden), drs. E.C. de Ruijter en drs. W.A. Breukers (dierenarts-leden),
in tegenwoordigheid van mr. M.D. Moeke als secretaris.
mr. E.A. Minderhoud mr. M.D. Moeke
Voorzitter Secretaris