ECLI:NL:TDIVBC:2026:1 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VBC 2025/06

ECLI: ECLI:NL:TDIVBC:2026:1
Datum uitspraak: 27-03-2026
Datum publicatie: 27-03-2026
Zaaknummer(s): VBC 2025/06
Onderwerp: Paarden
Beslissingen: Verwerpt het beroep
Inhoudsindicatie: Klacht van een diereigenaar tegen een dierenarts over de behandeling van een paard (uitvoering keizersnede bij een paard, waarna het paard haar been heeft gebroken en moest worden geëuthanaseerd). Klacht is in eerste aanleg ongegrond verklaard.

Zaaknummer:                                                                                                                             Datum uitspraak:
VBC 2025/06                                                                                                                                  27 maart 2026

Uitspraak op het beroep van: [appellante], wonende te [plaats],

appellante,
tegen de uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege van 18 maart 2025 in zaaknr. 2023/37 in het geding tussen:

appellante
(klaagster in eerste aanleg)

en
[verweerder], dierenarts te [plaats] (hierna: de dierenarts)

1. Verloop van de procedure
Bij uitspraak van 18 maart 2025 (ECLI:NL:TDIVTC:2025:12) heeft het Veterinair Tuchtcollege de klacht van appellante tegen de dierenarts ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellante beroep ingesteld.
De dierenarts heeft een verweerschrift ingediend. Het Veterinair Beroepscollege heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2026. Partijen zijn verschenen.

2. Voorgeschiedenis

2.1 Het Veterinair Beroepscollege gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.2 Het gaat in deze zaak om het paard van appellante met de naam [naam], dat ten tijde van
de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid ongeveer vijftien jaar oud was (hierna: het paard). Het paard had een schofthoogte van ongeveer 1,60 meter en woog tussen de 550 en 600 kilogram. Het paard was ten tijde van de gebeurtenissen aan het eind van haar dracht.

2.3 In de nacht dan wel ochtend van 16 februari 2023 kreeg het paard weeën. Toen
appellante constateerde dat de bevalling niet lukte, heeft zij de dierenarts gevraagd om langs te
komen. De dierenarts is vervolgens langsgekomen om te onderzoeken waarom de bevalling
niet lukte. Het veulen lag met drie dan wel vier benen en hoofd in de geboorteweg. Daarnaast was voelbaar dat het veulen een waterhoofd had. De dierenarts heeft geprobeerd het veulen goed voor de uitgang te leggen, maar dit lukte niet. De dierenarts heeft appellante toen de keuze gegeven om het paard naar de gespecialiseerde kliniek in Wolvega of naar zijn praktijk te brengen om aldaar een keizersnede uit te voeren. De vader van appellante heeft de dierenarts gevraagd of hij dacht dat hij de operatie kon uitvoeren. De dierenarts heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Hij heeft op de vraag van appellante of haar paard de keizersnede zou overleven geantwoord dat hij dacht dat het goed zou komen, maar dat het wel spannend ging worden. Appellante heeft ervoor gekozen om de keizersnede door de dierenarts te laten uitvoeren.

2.4 Appellante heeft het paard naar de praktijk van de dierenarts gebracht. Het paard stond
tijdens de operatie tussen twee buizen met het hoofd richting de muur. De dierenarts heeft het
paard vastgezet aan een ring aan de muur. Voor en achter het paard heeft hij touwen
gespannen. Het paard is in de praktijk van de dierenarts geschoren, gewassen, steriel voorbereid,
steriel afgedekt, gesedeerd en lokaal verdoofd met lidocaïne. De dierenarts werd gedurende de operatie bijgestaan door twee personen, te weten zijn assistente en de dochter van zijn assistente.

2.5 De dierenarts heeft een incisie gemaakt in de flank en vervolgens in de uterus en daarna het veulen, dat in een stuitligging lag, verlost. Het veulen is dood geboren. Na de verlossing van het veulen is een bloeding ontstaan in de binnenkant van de baarmoederwand van het paard. De dierenarts heeft de bloeding gestopt door het bloedvat af te binden. De dierenarts heeft vervolgens de baarmoederwand gesloten. Toen de dierenarts de huid wilde dichten, is het paard gaan hangen en in de kikkerhouding gaan zitten. Het paard is vervolgens op haar rechterzijde gaan liggen. De dierenarts heeft 0,5 ml Detomidine en Morphasol bijgespoten. De wond is met een
fysiologische zoutoplossing gespoeld en vervolgens gesloten.

2.6 De dierenarts heeft appellante rond 11:00 uur gebeld om mee te delen dat hij de
keizersnede had uitgevoerd. Daarnaast heeft de dierenarts vermeld dat het paard tijdens de operatie was gaan liggen en nog niet was opgestaan. Ongeveer een half uur na de operatie heeft het paard voor het eerst een poging gedaan om op te staan. Deze poging mislukte, omdat de achterhand te zwak was. Daarna heeft het paard ieder kwartier een poging gedaan om op te staan. De dierenarts is gedurende anderhalf uur na de operatie op de praktijk aanwezig geweest. De dierenarts heeft vervolgens de praktijk verlaten om naar een spoedgeval elders te gaan. Hij heeft, voordat hij naar het spoedgeval vertrok, uitgelegd aan zijn assistente, de dochter van de assistente en de stagiaire wat zij zouden moeten doen als het paard zou proberen op te staan.

2.7 Het paard heeft tijdens een poging om op te staan het rechterachterbeen gebroken. De dierenarts was toen niet op de praktijk aanwezig. De dierenarts is teruggereden naar de praktijk om het been van het paard te bekijken.

2.8 De dierenarts heeft appellante om 12:50 uur gebeld om aan haar mee te delen dat het
paard haar rechterachterbeen had gebroken tijdens het opstaan. De dierenarts heeft doorgegeven dat hij het paard wilde euthanaseren, omdat het been niet meer te genezen was. De dierenarts heeft het paard vervolgens geëuthanaseerd. Het veulen heeft hij in een kruiwagen gelegd die op het terrein stond.

2.9 Toen appellante op de praktijk arriveerde was het paard al overleden. Appellante liet
weten dat zij graag het veulen zou willen zien. Appellante heeft het veulen niet gezien.

3. Procedure in eerste aanleg

De klacht

3.1 Appellante heeft de dierenarts in eerste aanleg, samengevat en zakelijk weergegeven, verweten dat hij:

a) onvoldoende de risico's van de keizersnede bij het paard van appellante heeft genoemd, waardoor appellante de keuze tussen de gespecialiseerde kliniek en de praktijk van de dierenarts is ontnomen.

b) is tekortgeschoten met betrekking tot de bij het paard uitgevoerde keizersnede;

c) onvoldoende nazorg heeft verleend door na de keizersnede weg te gaan naar een spoedgeval waardoor hij niet heeft kunnen voorkomen dat het paard haar been heeft gebroken en als gevolg daarvan moest worden geëuthanaseerd.

De beslissing van het Veterinair Tuchtcollege

3.2 Het Veterinair Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard.

4. Gronden van beroep en verweer

Beroepsgronden

4.1 Appellante is het niet eens met de beslissing van het Veterinair Tuchtcollege. De verwijten uit eerste aanleg heeft zij in beroep herhaald.

Verweer

4.2 De dierenarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. Beoordeling van het beroep

Beoordelingskader

5.1 De vraag die het Veterinair Beroepscollege moet beantwoorden, is of het Veterinair
Tuchtcollege de klacht van appellante terecht ongegrond heeft verklaard. In dat kader dient te worden beoordeeld of de dierenarts is tekortgeschoten in de zorg die hij had behoren te betrachten ten opzichte van het paard van appellante. Bij die beoordeling gaat het er volgens vaste jurisprudentie niet om of de meest optimale zorg is verleend, maar of de dierenarts als redelijk bekwaam en redelijk handelende dierenarts heeft gehandeld.

Onvoldoende benoemen risico’s

5.2 Appellante verwijt de dierenarts dat hij de risico’s van een staande operatie op zijn praktijk
onvoldoende heeft genoemd, waardoor haar de keuze tussen een gespecialiseerde kliniek en de praktijk van de dierenarts is ontnomen.

5.3 Vast staat dat het paard, toen de dierenarts bij appellante arriveerde, al enige tijd weeën had en hevig aan het persen was, zonder resultaat. Bij controle bleek het veulen zodanig gelegen te zijn, dat repositie onmogelijk was en een keizersnede de enige optie voor verlossing was. Dit is door de dierenarts met appellante besproken, waarbij aan appellante de keuze is gegeven om het paard naar de gespecialiseerde kliniek in Wolvega of naar zijn praktijk te brengen om aldaar een keizersnede uit te voeren. Vervoeren naar Wolvega zou ten minste een half uur langer duren. De dierenarts heeft desgevraagd verklaard dat hij de operatie kon uitvoeren, maar dat het wel spannend zou worden. Naar het oordeel van het Veterinair Beroepscollege was appellante hiermee, gelet op de omstandigheden en het feit dat sprake was van een spoedsituatie, voldoende geïnformeerd om een keuze te kunnen maken.

5.4 Vergelijking met de uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege van 23 mei 2024 (ECLI:NL:TDIVTC:2024:10), naar welke uitspraak appellante heeft verwezen, gaat naar het oordeel van het Veterinair Beroepscollege niet op. In die zaak had de dierenarts zelf besloten om een kat in een spoedsituatie niet door te verwijzen naar een dierenziekenhuis, zonder deze optie met de diereigenaar te bespreken. Een dergelijke situatie is hier niet aan de orde nu, zoals blijkt uit wat hiervoor is overwogen, wel degelijk beide opties met appellante zijn besproken.

5.5 Met het Veterinair Tuchtcollege is het Veterinair Beroepscollege dan ook van oordeel dat aan de dierenarts in zoverre geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Tekortschieten in het uitvoeren van de keizersnede

5.6
Volgens appellante waren de omstandigheden in de praktijk van de dierenarts niet geschikt
om de operatie uit te voeren, omdat daar enkel een staande operatie mogelijk was, en is de dierenarts tekortgeschoten in de uitvoering van de keizersnede.

5.7
Het Veterinair Tuchtcollege heeft naar het oordeel van het Veterinair Beroepscollege in
overweging 5.8 duidelijk gemotiveerd waarom de dierenarts ten aanzien van de uitvoering van de keizersnede veterinair niet onjuist heeft gehandeld en niet is tekortgeschoten in de zorg voor het paard van appellante. Onder meer heeft het Veterinair Tuchtcollege geoordeeld dat een keizersnede waarbij het paard staat niet contra-geïndiceerd is en dat de dierenarts tijdens de operatie bijstand had van voldoende kundige assistentie. Verder leidt het Veterinair Tuchtcollege uit de patiëntenkaart en de verklaringen van de dierenarts af dat de operatie over het algemeen soepel is verlopen. Uit de patiëntenkaart en de verklaringen van die dierenarts heeft het Veterinair Tuchtcollege niet kunnen afleiden dat de dierenarts gedurende de keizersnede of voorafgaand daaraan met betrekking tot de narcose veterinair verwijtbaar heeft gehandeld. Ten aanzien van de ontstane bloeding aan de binnenkant van de baarmoederwand heeft het Veterinair Tuchtcollege overwogen dat de dierenarts die adequaat heeft opgelost door het bloedvat af te binden en dat hieraan geen veterinair nalatig handelen ten grondslag lag. Ook het feit dat het paard is gaan liggen, kan volgens het Veterinair Tuchtcollege niet worden gezien als veterinair nalatig handelen, maar als een complicatie.

5.8 Het oordeel van het Veterinair Tuchtcollege en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen worden door het Veterinair Beroepscollege onderschreven. Daaraan voegt het Veterinair Beroepscollege toe dat de door de dierenarts opgestelde patiëntenkaart weliswaar summier is, maar dat daaruit wel kan worden afgeleid dat het paard lokaal verdoofd was met een geschikte hoeveelheid lidocaïne en dat daarnaast sedatie is toegepast. Dat het paard zou zijn gaan liggen als gevolg van onvoldoende controle of monitoring, zoals door appellante gesteld, kan het Veterinair Beroepscollege niet vaststellen. Evenmin kan worden vastgesteld dat het paard als gevolg van de bloeding aan de baarmoederwand teveel bloed zou hebben verloren, waarop door de dierenarts onvoldoende adequaat is gehandeld. Ook blijkt niet dat, zoals door appellante gesteld, het paard te vroeg uit de verdoving zou zijn gekomen. Uit de patiëntenkaart blijkt juist dat de dierenarts verdoving heeft bijgespoten toen het paard na de keizersnede was gaan liggen en nog verder gehecht moest worden. De dierenarts deed dit juist om te waarborgen dat het paard rustig zou blijven en niet voortijdig zou gaan staan. Het Veterinair Beroepscollege ziet geen aanleiding om aan deze uitleg te twijfelen. Naar het oordeel van het Veterinair Beroepscollege heeft de dierenarts de operatie dan ook uitgevoerd zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend dierenarts mag worden verwacht. Ook in zoverre wordt het Veterinair Tuchtcollege gevolgd.

Onvoldoende nazorg

5.9 Dit betreft het verwijt dat de dierenarts onvoldoende nazorg heeft verleend aan het paard, door anderhalf uur na de operatie naar een spoedgeval te gaan, terwijl het paard pogingen deed om op te staan. Het feit dat de dierenarts instructies had gegeven aan drie personen die achterbleven bij het paard acht appellante onvoldoende ter vervanging van het oordeel van de dierenarts ter plaatse, nu deze personen niet veterinair geschoold waren.

5.10 Met het Veterinair Tuchtcollege is het Veterinair Beroepscollege van oordeel dat de personen bij wie de dierenarts het paard achterliet voldoende gekwalificeerd waren om de zorg voor het paard op dat moment over te nemen. Het is in zo’n situatie uiteindelijk aan het paard zelf om weer op te gaan staan. Hooguit kan het paard hierbij worden ondersteund om in evenwicht te blijven. Het feit dat het paard bij het opstaan een fractuur heeft opgelopen en als gevolg daarvan moest worden geëuthanaseerd is erg treurig, maar naar het oordeel van het Veterinair Beroepscollege niet te wijten aan nalatigheid van de dierenarts.

5.11 Over het verwijt van appellante dat de dierenarts de euthanasie van het paard heeft uitgevoerd zonder eerst appellante in de gelegenheid te stellen afscheid te nemen, kan het Veterinair Beroepscollege niet oordelen, omdat dat geen aan veterinair tuchtrecht onderworpen medische handeling betreft.

Slotsom

5.12 Voorgaande betekent dat de klacht in eerste aanleg terecht ongegrond is verklaard en dat het beroep van appellante moet worden verworpen.

6. Beslissing
Het Veterinair Beroepscollege verwerpt het beroep.
Aldus gewezen op 27 maart 2026 door mr. E.A. Minderhoud (voorzitter), mr. G. Tangenberg en
mr. J.C.W. Rang (jurist-leden), drs. E.C. de Ruijter en drs. W.A. Breukers (dierenarts-leden), in tegenwoordigheid van mr. M.D. Moeke als secretaris.

mr. E.A. Minderhoud                                                                                                                      mr. M.D. Moeke
Voorzitter                                                                                                                                             Secretaris