ECLI:NL:TAHVD:2026:69 Hof van Discipline 's Gravenhage 240381 240382

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:69
Datum uitspraak: 09-03-2026
Datum publicatie: 10-03-2026
Zaaknummer(s):
  • 240381
  • 240382
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. derden, subonderwerp: Financieel belanghebbenden
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Deze zaak betreft het handelen van een advocaat van gefailleerden. Het hoger beroep richt zich tegen de ongegrond verklaarde klachtonderdelen a), e) en f). Klagers - curatoren - verwijten verweerder het medeplegen van witwassen, het niet voldoen aan de op hem rustende onderzoeks- en vergewisplicht in de zin van artikelen 7.1 en 7.3 Voda en handelen in strijd met de in artikel 10a Advocatenwet neergelegde kernwaarde integriteit door het meewerken aan heling, bedrieglijke bankbreuk en/of valsheid in geschrift, althans het faciliteren van het onttrekken van gelden aan de faillissementsboedel. De raad van discipline heeft alle klachtonderdelen (a) tot en met f)) ongegrond verklaard. Het hof sluit zich bij dat oordeel van de raad aan en bekrachtigt het oordeel van de raad. 


Beslissing van 9 maart 2026
in de zaken 240381 en 240382 

naar aanleiding van het hoger beroep van:

1.    mr. [klager 1]
advocaat te [vestigingsplaats]

2.    mr. [klager 2]
advocaat te [vestigingsplaats]

3.    mr. [klager 3]
advocaat te [vestigingsplaats]

in hun hoedanigheid van faillissementscurator

klagers

gemachtigde: mr. L.C.H.J. Hox


tegen:


mr. [verweerder]
voorheen advocaat te [vestigingsplaats]

verweerder

gemachtigden: mrs. F.C.M. van der Velden en D.C. Theunis

1    INLEIDING

1.1    Deze zaak betreft het handelen van een advocaat van gefailleerden. Het hoger beroep richt zich tegen de ongegrond verklaarde klachtonderdelen a), e) en f). Klagers - curatoren - verwijten verweerder het medeplegen van witwassen, het niet voldoen aan de op hem rustende onderzoeks- en vergewisplicht in de zin van artikelen 7.1 en 7.3 Voda en handelen in strijd met de in artikel 10a Advocatenwet neergelegde kernwaarde integriteit door het meewerken aan heling, bedrieglijke bankbreuk en/of valsheid in geschrift, althans het faciliteren van het onttrekken van gelden aan de faillissementsboedel. De raad van discipline heeft alle klachtonderdelen (a) tot en met f)) ongegrond verklaard. Het hof sluit zich bij dat oordeel van de raad aan en bekrachtigt het oordeel van de raad. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klagers in beroep zijn gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad 

2.1    De raad van discipline Den Haag (hierna: de raad) heeft in de zaken tussen klagers en verweerder (zaaknummers: 23-841 en 24-659) een beslissing gegeven op 2 december 2024. In deze beslissing is de klacht van klagers ongegrond verklaard. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2024:214 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof

2.3    Het beroepschrift van klagers tegen de beslissing is op 27 december 2024 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof:
-    de stukken van de raad; 
-    het verweerschrift van verweerder;
-    een e-mail van de griffier van de raad van 9 januari 2026 met het proces-verbaal van de zitting 
van de raad van 21 oktober 2024;
-    een e-mail van de griffier van de raad van 11 januari 2026 met twee bijlagen, aangeduid als 
‘bijlage 5 [verweerder]’ en ‘bijlage 6 [verweerder]’.
  
2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 12 januari 2026. Daar zijn [klager 1], bijgestaan door zijn gemachtigde, en [verweerder], bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Theunis, verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 


3    FEITEN

3.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2    De heer L is bij vonnis van 16 april 2013 failliet verklaard. 

3.3    In 2014 is de heer L in het buitenland getrouwd met mevrouw S. Zij hadden op dat moment ongeveer 20 jaar een relatie, woonden samen en hadden kinderen.

3.4    Na het faillissement van de heer L zijn ook mevrouw S en vele aan hen te liëren vennootschappen (hierna: hun vennootschappen) failliet verklaard. Klagers zijn benoemd als curatoren in al deze faillissementen.

3.5    De heer L was in ieder geval tot 15 juli 2014 enig bestuurder van Stichting Administratiekantoor [naam Stak] (hierna: Stak). Op 20 augustus 2014 is in het handelsregister ingeschreven dat de heer L per 15 juli 2014 is afgetreden als bestuurder van Stak en dat mevrouw S per die datum als bestuurder is aangetreden. Het adres van Stak is met ingang van 16 juli 2014 verplaatst naar een adres in D. Met ingang van 5 september 2014 is mevrouw S als bestuurder van Stak geschorst. Tot de faillissementsboedel van mevrouw S behoren 100% van de certificaten van Stak. Stak hield 98,9% van de aandelen van [S] B.V. Mevrouw S was bestuurder van [S] B.V. 
Mevrouw S en de oudste zoon van de heer L en mevrouw S hielden ieder 0,55% van de aandelen in [S] B.V. Het enige actief in [S] B.V. bestond uit 50% van de aandelen in [R] B.V., welke vennootschap een restaurant exploiteerde. Klagers hebben de heer L en mevrouw S verzocht mee te werken aan decertificering van de aandelen van [S] B.V. Daarin hebben zij niet bewilligd. 

3.6    In het kader van de faillissementen van de heer L en mevrouw S en een aantal van hun vennootschappen zijn meer dan 300 juridische procedures gevoerd.

3.7    Verweerder heeft vanaf juni 2019 de heer L, mevrouw S en een aantal van hun vennootschappen op betalende basis bijgestaan in een aantal civiele procedures rondom deze faillissementen. 

3.8    Voordat het kantoor van verweerder hiertoe overging, heeft verweerder de deken benaderd voor overleg daarover. Dat overleg heeft op 11 juni 2019 plaatsgevonden. De deken heeft per brief van 13 juni 2019 aan een kantoorgenoot van verweerder het volgende bericht:

“Het probleem en het risico dat uw kantoor signaleert, ziet op de betaling van de door uw kantoor verleende diensten. U wil zeker weten dat de gelden waarmee de advocaten worden betaald niet afkomstig kan zijn van de failliete personen of vennootschappen. (..)
U wil graag advies over de vraag hoever advocaten moeten gaan in hun onderzoeksplicht naar de herkomst van gelden van cliënten in zaken waarop de Wwft niet van toepassing is. (..)
Ik kan u hierover mededelen dat de dekens onderling hebben gesproken over de verplichtingen die voor advocaten in zaken als de uwe uit artikel 7.3 Voda zouden voortvloeien. Er is echter geen beleid vastgesteld. 
We hebben met elkaar vastgesteld dat een advocaat op grond van artikel 7.3 Voda gehouden is om na te gaan of de gegeven opdracht strekt tot voorbereiding, ondersteuning of afscherming van onwettige activiteiten. In deze kwestie zal dat voor de lopende procedures niet gelden, maar het gaat om de vraag wat de bron is van de gelden waarmee de facturen van de advocaten worden voldaan. Ik meen dat de genoemde onderzoeksplicht zich daar onder omstandigheden ook toe kan uitstrekken en dat de onderhavige kwestie daar een voorbeeld van is. 
Uw idee zou zijn om betaling van de facturen door een derde te verlangen, waarbij zowel die derde als de heer L. zullen verklaren dat de gelden die daarmee gemoeid zijn niet afkomstig zijn van enige failliete partij. U vraagt zich af of dit afdoende zou zijn. 
Naar mijn mening zou deze door u voorgestelde oplossing, gelet op het feit dat de entiteit die door uw kantoor zou worden bijgestaan zelf niet failliet is verklaard en uw kantoor geen zaken in behandeling zal nemen van de heer en/of mevrouw L. zelf, in dit geval voldoende zijn om te waarborgen dat uw kantoor geen medewerking verleent aan de voorbereiding, ondersteuning of afscherming van onwettige activiteiten.”

3.9    Op 17 juni 2019 hebben de heer L en mevrouw S de volgende verklaring ondertekend:

“Ondergetekenden verklaren hierbij dat:
– zij kennis hebben genomen van het feit dat [kantoor verweerder] de intentie heeft om juridische bijstand te verlenen bestaande uit onder meer procesvertegenwoordiging in lopende procedures betreffende aan ondergetekenden gelieerde vennootschappen c.q. vennootschappen, waarbinnen zij zeggenschap hebben. (..)
– besproken is dat [kantoor verweerder] enkel bereid is deze bijstand te verlenen onder voorwaarde van betaling van de (voorschot)facturen voor dienstverlening door een derde uit eigen middelen en na afstemming met de deken van de Haagse Orde;
- zij kennis hebben genomen van het bericht van de deken van de Haagse Orde en onderschrijven dat de aldaar genoemde uitgangspunten uitgangspunt voor de dienstverlening zijn voor [kantoor verweerder];
- besproken is dat dhr. B bereid is betreffende voorschotfacturen te betalen en dat betaling geschiedt met eigen middelen van de dhr. B;
- zij niet middelen direct of indirect afkomstig uit faillissement c.q. de boedels van ondergetekenden, of aan hen gelieerde vennootschappen, aan dhr. B hebben betaald of zullen (door)betalen;”

3.10     In de opdrachtbevestiging d.d. 21 juni 2019 van verweerder aan de heer L en mevrouw S in verband met zijn bijstand aan drie van hun vennootschappen komen – voor zover van belang – de volgende passages voor:

“Wij hebben met elkander afgesproken dat ons kantoor voor de geleverde diensten niet zal worden betaald door u of de vennootschappen waarvan wij de belangen behartigen, maar door een derde, te weten de heer B. De heer B heeft zich hiertoe bereid verklaard en inmiddels daartoe een verklaring ondertekend, waarvan ik u hierbij een afschrift doe toekomen. 
Inmiddels heb ik aan de heer B een voorschotdeclaratie toegezonden ter omvang van een bedrag van 
€ 50.000,- exclusief btw, zulks conform met de heer B en met u gemaakte afspraken. (..) Zodra de omvang van de dienstverlening het bedrag van € 50.000,- exclusief btw overschrijdt, zal aan de heer B een nieuwe voorschotdeclaratie voor eenzelfde bedrag worden toegezonden. 
Onder voor u te verrichten werkzaamheden, zo zijn wij met elkander overeengekomen, vallen eveneens de werkzaamheden verbonden aan het voeren van verweer tegen klachten die tegen mij of kantoorgenoten worden ingediend bij de Orde van Advocaten of andere instanties. (..)
Niet uitgesloten is dat u mij in de toekomst zal verzoeken uw (indirecte) privébelangen te behartigen. Daartoe zal eerst worden besloten na overleg met de Deken. Daarover zal ik u op een later tijdstip informeren.
Voor de goede orde merk ik op en bevestig ik aan u dat ons kantoor, ondergetekende en eventueel andere binnen ons kantoor in te schakelen advocaten, zich het recht voorbehoudt/voorbehouden om ons aan de zaak te onttrekken, indien:
a. wij in een zaak worden geconfronteerd met feiten of omstandigheden, die van dien aard zijn, dat wij als gevolg daarvan tot het oordeel komen dat wij de zaak c.q. de zaken in gemoede niet langer kunnen verdedigen;
b. de deken ons met valide argumenten noodzaakt de behartiging van uw belangen of enige entiteit waarbinnen u zeggenschap heeft, neer te leggen;
c. de facturen verbonden aan onze dienstverlening niet langer worden voldaan door de heer B of enige andere derde;
d. wij moeten concluderen dat voor de betaling van onze facturen gelden zijn gebruikt die uit uw privévermogen afkomstig zijn, dan wel afkomstig van vennootschappen waarbinnen u zeggenschap heeft.”

3.11     Klager 1 heeft op 9 juli 2019 aan verweerder gemaild dat het onduidelijk is hoe de procedures worden gefinancierd, dat het vermogen waarmee de procedures worden gefinancierd op onrechtmatige/strafrechtelijke wijze is verkregen, dat verweerder hiervoor reeds is gewaarschuwd, dat verweerder zich desondanks niet onttrekt en dat verschillende curatoren niet kunnen instemmen indien verweerder wordt betaald met middelen die mogelijk zijn onttrokken aan de boedels en toekomen aan de gezamenlijke schuldeiseres. Klager 1 verzoekt om uitleg over de betaling en geeft in overweging contact met de deken op te nemen. De e-mail heeft onder meer de volgende inhoud:

“U dient er rekening mee te houden dat alle betalingen vanuit L, S en gelieerde (rechts-)personen toebehoren aan de betreffende boedels en het accepteren daarvan kwalificeert als witwassen. (..)
U heeft ondanks de waarschuwing toch besloten om de belangen van [S] te behartigen. Curatoren van S onderschrijven het rechtstatelijke beginsel dat iedereen recht heeft op rechtsbijstand. De verschillende curatoren kunnen evenwel niet instemmen indien u thans zou worden of zijn betaald met middelen die mogelijk zijn onttrokken aan de boedels en toekomen aan de gezamenlijke schuldeisers. 
In dat verband verzoek ik u mij te informeren op welke wijze u bent of wordt betaald en in hoeverre u de rechtmatige herkomst van die middelen heeft getraceerd.”

3.12     Verweerder heeft in reactie op deze e-mail op 10 juli 2019 aan klager 1 het volgende bericht:

“Voor het overige kan ik u mededelen dat mijn werkzaamheden niet worden betaald door de heer of mevrouw L of door enige gelieerde rechtspersoon. Voordat zaken werden ingenomen is over de betaling van mijn declaraties overleg gevoerd met de deken. De wijze waarop mijn werkzaamheden zullen worden betaald is met de deken afgestemd. Tot meer dan het doen van bovenstaande mededelingen acht ik mij niet gehouden.”

3.13     In een van de procedures tussen klagers en de cliënten van verweerder hebben de curatoren van (het kantoor van) verweerder zekerheid gevorderd voor de proceskosten in hoger beroep. Deze vordering is bij arrest van 1 oktober 2019 toegewezen. Op 15 juli 2020 hebben de curatoren verweerder tot voldoening van die proceskosten aangeschreven. Op 20 juli 2020 is deze proceskostenveroordeling vanaf de kantoorrekening van verweerder voldaan. Verweerder (althans zijn kantoor) heeft deze proceskostenveroordeling aan de heer B in rekening gebracht, en van hem ontvangen.

3.14     Per e-mail van 26 november 2020 heeft verweerder aan klager 2 verzocht om toezending van het laatste verslag in het faillissement van de heer L.

3.15     Per e-mail van 8 december 2020 heeft verweerder desgevraagd aan klager 2 bevestigd op te treden voor de heer L. 

3.16     Per e-mail van 1 augustus 2024 heeft verweerder aan klager meegedeeld dat hij niet langer optreedt voor de heer L.


4    KLACHT

4.1    De klacht houdt in, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder het volgende:

a)     het witwassen van gelden die aan de boedel zijn onttrokken c.q. niet anders dan afkomstig kunnen zijn van de boedel;

b)     (..);
c)     (..);
d)     (..);

e)     het niet voldoen aan de op hem rustende onderzoeks- en vergewisplicht in de zin van artikelen 7.1 en 7.3 Voda;

f)     het handelen in strijd met de in artikel 10a van de Advocatenwet neergelegde kernwaarde integriteit door het zeer ernstige vermoeden van (het meewerken aan) heling, witwassen, bedrieglijke bankbreuk en/of valsheid in geschrift, althans het faciliteren van het onttrekken van gelden aan de faillissementsboedel.

5    OMVANG HOGER BEROEP
    
Klagers hebben alleen beroep ingesteld tegen het oordeel van de raad inzake de klachtonderdelen a), e) en f). Dat betekent dat alleen genoemde klachtonderdelen in hoger beroep aan de orde zijn en dat de overige klachtonderdelen b), c) en d) door de raad definitief zijn afgedaan. 


6    BEOORDELING RAAD

Ten aanzien van klachtonderdeel a), e) en f)

6.1    De raad heeft genoemde klachtonderdelen gezamenlijk besproken. 

6.2    Uit de onderzoeksbevindingen d.d. 10 augustus 2021 van de (toenmalige) deken blijkt dat de deken inzage heeft gekregen in de betaalbewijzen en de door (het kantoor van) verweerder verzonden declaraties. Op basis daarvan heeft hij vastgesteld dat alle betalingen giraal hebben plaatsgevonden vanaf een in Nederland gevestigde bank op naam van een derde, dat de desbetreffende derde door verweerder is uitgenodigd op zijn kantoor, dat de identiteit van deze derde is geverifieerd, dat verweerder heeft gevraagd uit welke middelen deze derde zijn nota’s zou voldoen, dat verweerder op die vraag antwoord heeft gekregen, dat die derde de herkomst van de middelen met stukken heeft onderbouwd, dat de deken deze stukken ook heeft ingezien en dat die derde schriftelijk heeft verklaard dat de gelden waarmee de nota’s van verweerder werden voldaan niet middellijk of onmiddellijk afkomstig zijn uit het faillissement van de heer L, mevrouw S of hun vennootschappen. Voorts blijkt uit deze onderzoeksbevindingen dat verweerder voorafgaand aan het aanvaarden van de opdracht de kwestie, en in het bijzonder de betaling voor zijn werkzaamheden, met de deken heeft besproken, waarbij de deken voorwaarden aan verweerder heeft gesteld met betrekking tot diens bijstand. Het is voldoende aannemelijk geworden dat verweerder heeft gecontroleerd of daaraan (door zijn cliënten en de derde) was voldaan. Daarmee heeft verweerder ook naar het oordeel van de raad voldaan aan zijn vergewisplicht. 

6.3    De bij de declaraties gevoegde urenspecificaties hebben de deken geen aanleiding gegeven te veronderstellen dat de honorering bovenmatig - en daarmee onbetamelijk - zou zijn, en evenmin om daar nader onderzoek naar te doen. Naar het oordeel van de deken was er dan ook geen sprake van schending van artikel 6.27 Voda en bestond er evenmin aanleiding om te veronderstellen dat verweerder zich schuldig had gemaakt aan witwassen. 

6.4    De na deze dekenvisie gewisselde stukken en standpunten vormen voor de raad geen aanleiding voor een ander oordeel dienaangaande. Temeer niet nu gebleken is dat verweerder ook na 2021 de deken voor advies heeft benaderd. Gelet hierop heeft de raad de klachtonderdelen a), e) en f) ongegrond verklaard. 


7    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klagers

7.1    De door de raad vastgestelde feiten behoeven aanvulling en nadere verduidelijking. Klagers kunnen nu pas gedegen inhoudelijk reageren op de laatste door verweerder overgelegde bijlagen, die namelijk pas bij de mondelinge behandeling bij de raad zijn overgelegd. Klagers zullen deze bijlagen aanduiden als ‘bijlage 5 [verweerder]’ en ‘bijlage 6 [verweerder]’. 

7.2    ‘Bijlage 5 [verweerder]’ betreft een brief van 13 juni 2019 van de toenmalige deken aan mr. [X], kantoorgenoot van verweerder (3.8). Hieruit volgt dat het idee om een derde als betaler te laten optreden uit de koker komt van verweerder, althans zijn kantoorgenoot. Verweerder maakte zich toen al (terecht) zorgen over de mogelijke ongeoorloofdheid van betalingen voor zijn dienstverlening als die afkomstig zijn van de heer L en/of aan de heer L gelieerde entiteiten. Uit de brief volgt ook dat verweerder, althans zijn kantoorgenoot, de deken onjuist of in ieder geval onvolledig heeft geïnformeerd, althans dat zij de deken nadien niet hebben gecorrigeerd na ontvangst van deze brief. Voorts volgt uit genoemde bijlage dat verweerder in eerste instantie alleen voor bepaalde buitenlandse rechtspersonen van de heer L en mevrouw S en hun vennootschappen zou gaan optreden. Later is verweerder ook gaan optreden voor andere rechtspersonen gelieerd aan de heer L en/of mevrouw S. Er hadden daarom meerdere opdrachtbevestigingen moeten zijn, voor welke nieuwe opdrachten dan opnieuw onderzoeken moeten zijn uitgevoerd in het kader van de vergewisplicht. Het lag voor de hand om voor deze en andere nieuwe situaties weer overleg te voeren met de deken, omdat het eerdere ‘akkoord’ daarop niet specifiek zag. Hiervan is evenwel niet gebleken, althans verweerder heeft daarover geen duidelijkheid verschaft.

7.3    De ‘bijlage 6 [verweerder]’ betreft een verklaring die de heer L en mevrouw S hebben getekend en waarin zij verklaren dat de betalingen die de heer B ten behoeve van hen en hun gelieerde entiteiten heeft verricht niet zullen worden terugbetaald. De betrouwbaarheid van deze verklaring dient ernstig in twijfel te worden getrokken. 

7.4    De heer B en de heer L kennen elkaar al sinds 1995. De heer B claimt tot op de dag van vandaag miljoenen tegoed te hebben van een vennootschap van de heer L. De heer B is, rondom het faillissement van de heer L, aangetreden als functionaris binnen het concern van de heer L,  eerst als commissaris, nadien als bestuurder. Klagers verwijzen naar ‘bijlage 41 Curatoren’. De heer B is in de hoedanigheden die hij later heeft bekleed in het concern van de heer L niets minder dan een stroman van de heer L gebleken. Klagers verwijzen daartoe onder meer naar ‘bijlage 17 Curatoren’. De heer B heeft als stroman klagers, alsmede de door de rechtbank Amsterdam (beschikking van 8 januari 2015) aangestelde tijdelijk bestuurder actief en bij herhaling tegengewerkt. 

7.5    Het zijn onder meer deze omstandigheden die meegewogen dienen te worden bij de vraag of verweerder mocht vertrouwen op de verklaring van de heer B, en de verklaring van de heer L en mevrouw S, inhoudende dat de heer B geen terugbetaling zou ontvangen van L en S. Het vorenstaande maakt zonder meer duidelijk dat op de verklaring van de heer B in ieder geval niet mag worden vertrouwd. Daarvoor hebben de betreffende personen simpelweg te vaak niet verklaard of niet naar waarheid verklaard. Daarenboven heeft de heer B nog aanzienlijke bedragen tegoed van L, althans een vennootschap van L, en heeft hij vanwege zijn eigen (conflicterende) belang een functie binnen het concern aanvaard. Het meewegen van vorenstaande omstandigheden heeft de raad ten onrechte achterwege gelaten. Het maakt namelijk duidelijk waarom verweerder niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. 

7.6    Daarnaast is gebleken dat de heer B dement is. Klagers verwijzen daartoe naar een verklaring in een verhoor van mevrouw S op 3 december 2024 en een verklaring van mevrouw S in een daaropvolgend verhoor van 9 december 2024. Daarna hebben klagers de heer B opnieuw opgeroepen voor een verhoor. In reactie daarop ontvingen zij het volgende bericht van de dochter van de heer B: ‘vanwege gezondheidsreden is mijn vader, de heer B, niet meer in staat om bij een dergelijk gesprek aanwezig te kunnen zijn.’ En in reactie op een tweede mail: ‘De gezondheidsproblemen zijn helaas inderdaad permanent van aard.’

7.7    Voorts verwijzen klagers naar mutaties in de administratie van [C] N.V. (hierna: [C nv]) waaruit blijkt dat het kantoor van verweerder facturen heeft verstuurd aan [C nv]. In ieder geval zijn er facturen die zien op dienstverlening van verweerder aan [C nv], die vervolgens zijn opgenomen in de administratie van [C nv]. [C nv] (lees: [M] in opdracht van waarschijnlijk de heer L) heeft deze facturen geboekt in grootboekrekening 613210, met de omschrijving ‘Erelonen advocaten’. Uit de grootboekadministratie volgt ook een tegenboeking, te weten mutaties in de rekening-courant-verhouding tussen [P LLC] (hierna: [P llc]) en [C nv] (grootboekrekening 489060). [P llc] is eveneens een vennootschap van de heer L, ditmaal een vennootschap uit D (bijlage 39 Curatoren). Uit de grootboekrekening 2020 Leveranciers (440000) blijkt dat een toename van de RC-schuld van [C nv] aan [P llc] correspondeert met de gefactureerde bedragen van het kantoor van verweerder. Verweerder heeft niet, althans niet voor zover klagers hebben kunnen vaststellen, het logische gedaan en opnieuw een onderzoek uitgevoerd in het kader van de vergewisplicht. 

7.8    Bij het vaststellen van de feiten laat de raad diverse aangevoerde feiten onbenoemd, waarvan hiervoor enkele zijn genoemd. Het zijn juist deze bijzondere feiten en omstandigheden die de raad mee had moeten wegen bij de vraag of er sprake is van een normschending. De raad laat onder meer ook onbenoemd dat:

* de heer L aantoonbaar in grote weelde leeft in Dubai met middelen die hij kennelijk buiten de boedel houdt. De heer L moet dus in staat worden geacht om verweerder te kunnen betalen. De heer L heeft in financieel opzicht de derde niet nodig om zijn kosten voor de rechtsbijstand te betalen, hij heeft de derde slechts nodig om ten behoeve van hem als betaler te fungeren;

* de heer B eerder gefungeerd heeft als stroman;

* de heer L al jaren vele honderden procedures start en uitlokt. Bij het merendeel van die procedures wordt gebruik gemaakt van commerciële advocaten die niet werken op toevoegingsbasis;

* de heer L daarnaast ook procedeert op basis van een toevoeging. 

7.9     Deze bijzondere feiten en omstandigheden zijn relevant en had verweerder moeten meewegen voordat hij de opdracht van de heer L accepteerde en voordat hij eventueel instemde met een wijze van betaling, althans had hij moeten meewegen zodra hij hiervan kennis kreeg. Het is niet gebleken dat verweerder dat heeft gedaan. De raad heeft dit evenmin meegewogen in de beslissing. 

7.10     Klagers hebben zich aanvankelijk terughoudend opgesteld ten opzichte van de advocaten van de heer L. De onafgebroken stroom van procedures waarbij de heer L zich bedient van commerciële advocaten die – linksom of rechtsom – worden betaald met middelen die feitelijk zijn onttrokken aan de faillissementsboedel, hebben klagers doen besluiten om daarnaar nader onderzoek te laten uitvoeren. Uit de notitie van prof. mr. De Roos d.d. 25 oktober 2018 volgt dat hoe sterker het vermoeden is dat de ontvangen gelden van misdrijf afkomstig zijn, hoe eerder zal worden aangenomen dat de advocaat dit wist of had behoren te weten, althans hoe eerder de eis zal worden gesteld van het doen van nader onderzoek naar de herkomst van de gelden en hoe zwaardere maatstaven aan dit onderzoek behoren te worden gesteld. In de gegeven situatie, een persoon die sinds 2013 privé failliet is maar nog steeds in weelde leeft en steeds ingewikkelder constructies bedenkt om zijn advocaten te betalen, ligt de lat voor het onderzoek hoger. 

7.11     In dit specifieke geval weten klagers zelfs wie de facturen van verweerder heeft betaald. Volgens verweerder zijn alle facturen steeds giraal betaald door de heer B. De rechtsbijstand wordt dus betaald door een aan de heer L en mevrouw S te relateren persoon, zoals omschreven in paragraaf 4.1.1.2 van de notitie van De Roos. Hier is dus sprake van sterkere vermoedens, zodat hogere eisen aan de vergewisplicht van verweerder dienen te worden gesteld. 

grief 1: vastgestelde feiten zijn onvolledig

7.12     Gezien de onvolledige vaststelling van de feiten door de raad kunnen de (wel) vastgestelde feiten de beslissing niet dragen. 

grief II: de raad is ten onrechte van oordeel dat verweerder aan zijn vergewisplicht heeft voldaan

7.13     De tuchtrechter heeft diverse malen geoordeeld dat een advocaat nader onderzoek had moeten instellen of dat het (nadere) onderzoek van de advocaat had moeten leiden tot het niet aanvaarden dan wel neerleggen van de opdracht of op zijn minst tot het verrichten van nader onderzoek. Bij dit alles mag de advocaat in beginsel afgaan op de juistheid van de door zijn cliënt verschafte gegevens (let op: voor de derde, zoals i.c. de heer B, geldt dat niet), zolang in redelijkheid aanwijzingen van het tegendeel ontbreken. Die aanwijzingen waren er evenwel vanaf het allereerste moment (mede omdat klagers verweerder daarop hadden geattendeerd) en die hadden duidelijk moeten zijn voor verweerder. Een voorbeeld daarvan is de rol van S bij de opdrachtbevestiging. 

7.14     Voorts had verweerder bij het aanvaarden van latere opdrachten steeds een nieuw onderzoek moeten verrichten in het kader van de vergewisplicht en dus naar de beweegredenen van de heer B. 

7.15     Klagers zijn van oordeel dat de raad – gelet op de uitzonderlijke feiten en omstandigheden in deze zaak, die verweerder van stond af aan duidelijk waren – een te beperkte maatstaf heeft gehanteerd. 

grief III: de raad heeft de heer B ten onrechte aangemerkt als ‘veilige’ derde in het kader van de vergewisplicht

7.16     Uit bijlage 17 (beschikking van de rechtbank Amsterdam d.d. 8 januari 2015) blijkt dat de heer B een stroman is van de heer L. De heer B heeft een eigen belang vanwege een aanzienlijke uitstaande vordering (bijlage 41 Curatoren). Deze omstandigheden hadden meegewogen dienen te worden bij de vraag of de verklaring van de heer B, die klagers tot op heden niet kennen, en de verklaring van de heer L en mevrouw S, dat de betalingen die zullen worden voldaan door de heer B aan het advocatenkantoor ten behoeve van de heer L en mevrouw S, niet op enige wijze door de heer L en mevrouw S aan de heer B zullen worden vergoed. Het vorenstaande maakt zonder meer duidelijk dat op die verklaringen simpelweg niet mag worden vertrouwd. Het meewegen van vorenstaande omstandigheden maakt duidelijk waarom verweerder niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. 

grief IV: de raad heeft niet getoetst of verweerder heeft voldaan aan zijn latere vergewisplicht(en)

7.17     De raad heeft bij de conclusie dat verweerder heeft voldaan aan zijn onderzoeks- en vergewisplicht, uit het oog verloren dat verweerder (voor zover kan worden nagegaan op basis van de stukken) dit onderzoek slechts éénmaal heeft uitgevoerd, te weten bij aanvaarding van de eerste opdracht in juni 2019. Het onderzoek had in ieder geval meermaals dienen plaats te vinden, te weten steeds bij aanvaarding van nieuwe opdrachten. De feiten en omstandigheden kunnen namelijk wijzigen en zijn ook daadwerkelijk gewijzigd. Verweerder heeft geen inzicht verschaft hoe hij heeft voldaan aan de vergewisplicht in het kader van alle opeenvolgende opdrachten. 

grief V: de raad heeft niet getoetst of verweerder heeft voldaan aan voortdurende vergewisplicht

7.18     Verweerder heeft in de periode van medio 2019 en medio 2024 op basis van meerdere opdrachten diverse werkzaamheden uitgevoerd voor de heer L en mevrouw S en gelieerde rechtspersonen. Verweerder heeft ten onrechte niet voldaan aan de voortdurende vergewisplicht, althans heeft daarover geen duidelijkheid verschaft. De raad had in ieder geval niet kunnen vaststellen dat verweerder steeds heeft voldaan aan zijn voortdurende vergewisplicht. De raad heeft dat (net zoals de deken) namelijk helemaal niet onderzocht, hetgeen wel had gemoeten gezien de ingediende en tussentijds aangevulde klachten door klagers. Deze toetsing dient alsnog plaats te vinden. Een omstandigheid die daarbij dient te worden meegewogen is de dementie van de heer B. Het is immers evident dat dit een red flag is bij de vraag of de heer B nog kan worden geaccepteerd als debiteur voor deze latere opdrachten.

grief VI: de noodzaak van voorafgaand overleg met klagers in de unieke omstandigheden van de onderhavige casus

7.19     Klagers menen dat gezien de bijzondere omstandigheden van onderhavig geval het wel op de weg had gelegen van verweerder om vooraf overleg te zoeken met klagers. 

7.20     Samengevat heeft de raad volgens klagers in de bestreden beslissing het juiste toetsingskader aangelegd in paragraaf 5.3 in het kader van de vergewisplicht, maar is de raad evenwel bij de beoordeling of verweerder aan de (voortdurende) vergewisplicht heeft voldaan tekortgeschoten en tot een onbegrijpelijke beslissing gekomen. 

7.21     In de visie van klagers heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat hij de norm als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet heeft geschonden. Daarnaast is sprake van schending van de kernwaarde integriteit. Voorts heeft verweerder gehandeld in strijd met de advocateneed of -belofte. Verweerder heeft niet integer gehandeld op grond van ernstige vermoedens van meewerken aan heling, witwassen, bedrieglijke bankbreuk en/of valsheid in geschrift door acceptatie van de betalingen. 

7.22     Verweerder heeft namelijk onvoldoende onderzoek verricht voordat hij voor de heer L en mevrouw S is gaan werken en heeft ten onrechte klagers niet betrokken bij dit onderzoek in het kader van zijn vergewisplicht. Verweerder handelt dus in strijd met artikelen 7.1 – 7.3 Voda.

7.23     Verweerder heeft voorts onvoldoende voortdurend onderzoek verricht gedurende de tijd dat hij voor klagers is blijven werken en betalingen heeft geaccepteerd van de heer B.

7.24     Bovendien bestaan er ernstige vermoedens dat verweerder zich voor zijn diensten heeft laten betalen met gelden die behoren toe te komen aan de gezamenlijke schuldeisers. Hiermee faciliteert hij direct of indirect een schending van artikel 20 Fw. Verweerder is hiervoor gewaarschuwd door klagers, maar heeft zijn optreden naar aanleiding daarvan niet aangepast. 

Verweer verweerder

7.25     Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.


8    BEOORDELING HOF

Maatstaf

8.1    Een advocaat dient bij de uitoefening van zijn beroep integer te handelen en zich te onthouden van enig handelen dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Zo dient een advocaat onder meer (financieel) integer te handelen. Dat betekent dat een advocaat moet vermijden dat hij voor zijn werkzaamheden wordt betaald met geld dat, in geval van faillissement van zijn opdrachtgever, toebehoort aan de faillissementsboedel. Als een advocaat er mee bekend is, of redelijkerwijs mee bekend moet zijn dat zijn cliënt failliet is verklaard, zal de advocaat, ook als hij betaald wordt door een derde die verklaart dat hij zijn betaling niet ten laste van de failliet/faillissementsboedel brengt, voordat hij de opdracht aanvaardt, moeten nagaan of er in redelijkheid aanwijzingen bestaan dat de opdracht onwettige activiteiten afdekt of de opdracht tot gevolg heeft dat gelden buiten bereik van de boedel worden gehouden. Daartoe dient de advocaat ten minste onderzoek te doen naar de (financiële) situatie van zijn cliënt en de derde geldschieter en de relatie tussen deze twee en de opdracht schriftelijk vast te leggen (vgl. HvD 28 augustus 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:163). Er is geen algemene regel die vereist dat de advocaat in een situatie als de onderhavige daartoe contact moet opnemen met de curator. In ieder geval wordt zowel het opnemen van contact als de inhoud van dat contact begrensd door het beroepsgeheim van de advocaat. (vgl. HvD 19 juni 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:97).

8.2 Het hof stelt bij de bespreking van de beroepsgronden het volgende voorop.
8.2.1 In hun brieven van 10 augustus 2021 en van 22 september 2023 hebben de beide dekens 
mr. [Y] en mr. [Z] geconcludeerd dat verweerder voldoende onderzoek heeft gedaan naar de herkomst van de middelen en dat hij zich voldoende ervan heeft vergewist dat hij niet werd betaald met middelen die – middellijk of onmiddellijk – uit de boedels afkomstig waren. 

8.2.2  Vast staat dat verweerder:
- met de heer L en mevrouw S heeft besproken dat zijn kantoor enkel bereid was juridische bijstand te verlenen onder de voorwaarde van betaling van de facturen voor dienstverlening door een derde uit eigen middelen en dat alles na eerdere afstemming met de deken van de Haagse Orde in juni 2019;
- de heer B en zijn vrouw eerst telefonisch en later op zijn kantoor heeft gesproken en geïdentificeerd. Verweerder heeft zich er daarbij van vergewist a) wat de relatie tussen de heer B enerzijds en de heer L anderzijds was, b) dat de heer B in staat en bereid was de kosten voor zijn rekening te nemen en c) waarom hij daartoe bereid was en d) dat de vrouw van de heer B daarmee instemde;
- de verificatoire bescheiden heeft onderzocht waarmee de heer B zijn financiële gegoedheid aan verweerder heeft aangetoond;
- de opdracht op 21 juni 2019 schriftelijk heeft bevestigd aan de heer L en mevrouw S en daarbij aangegeven in welke omstandigheden hij de opdracht zou moeten stopzetten, bijvoorbeeld wanneer de facturen niet langer zouden worden betaald door de heer B of enige andere derde en in het geval zou moeten worden geconcludeerd dat de facturen van het kantoor van verweerder zouden worden betaald met gelden die afkomstig waren van de heer L en/of mevrouw S of afkomstig van vennootschappen waarbinnen de heer L zeggenschap heeft;
- zijn werkzaamheden overeenkomstig de met de deken afgestemde handelwijze heeft gedeclareerd aan (de vennootschappen van) de heer L en mevrouw S en geverifieerd dat de facturen vanaf een Nederlandse bankrekening door de heer B werden betaald.
 

Beroepsgrond I
8.3 Het hof is niet verplicht om alle door partijen naar voren gebrachte feiten in zijn beslissing op te nemen, doch  enkel die feiten  die voor de beoordeling van de klacht van belang zijn. Dat heeft het hof hiervoor onder 3 gedaan. De beroepsgrond faalt dan ook. 

Beroepsgronden II en III
8.4 Met beroepsgrond II stellen klagers  ̶ onder verwijzing naar ‘bijlage 5 [verweerder]’ ̶  dat verweerder op grond van diverse aanwijzingen  niet heeft mogen afgaan op de juistheid van de door zijn cliënten verschafte gegevens en dat de raad daarom ten onrechte heeft geoordeeld dat verweerder aan zijn vergewisplicht heeft voldaan. Deze aanwijzingen bestonden volgens klagers onder andere eruit dat verweerder in eerste instantie alleen voor bepaalde buitenlandse rechtspersonen van de heer L en mevrouw S zou gaan optreden, maar later ook is gaan optreden voor andere rechtspersonen gelieerd aan de heer L en mevrouw S. Daarbij speelden de beweegredenen van de heer B volgens klagers een rol. 

8,5 Klagers verwijzen voorts naar ‘bijlage 6 [verweerder]’ welke verklaring volgens hen als onbetrouwbaar moet worden beschouwd omdat de heer L en mevrouw S daarin verklaren dat de betalingen die de heer B ten behoeve van hen en hun gelieerde entiteiten heeft verricht niet zullen worden terugbetaald, terwijl de heer B stelt miljoenen tegoed te hebben van een vennootschap van de heer L. Tevens heeft de heer B – zoals blijkt uit de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 8 januari 2015 –  als stroman voor de heer L gefungeerd en heeft de heer B klagers actief en bij herhaling tegengewerkt. Voorts is inmiddels gebleken dat de heer B dement is. Dit alles maakt volgens klagers dat de raad de heer B daarom ten onrechte aangemerkt heeft als ‘veilige’ derde in het kader van de vergewisplicht.

8.6 De door klagers hiervoor ten aanzien van beroepsgrond II en III geschetste omstandigheden, vormen naar het oordeel van het hof onvoldoende grond om te concluderen dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht ten tijde van de opdracht van de heer L en mevrouw S aan verweerder in 2019, noch dat hij de heer B niet had mogen beschouwen als ‘veilige derde’. Ter zitting is aan klagers gevraagd waaruit nu blijkt dat de heer B de declaraties van verweerder uit de middelen van de heer L en mevrouw S heeft betaald. Desgevraagd heeft klager 1 ter zitting verklaard dat het aannemelijk is dat de heer B daaruit betaald is, gezien de door klagers geschetste omstandigheden, zoals bijvoorbeeld de omstandigheid dat uit de grootboekrekening 2020 Leveranciers (440000) een toename van de RC-schuld van [C nv] aan [P llc] blijkt, die correspondeert met de gefactureerde bedragen van het kantoor van verweerder. Deze mutatie vormt naar het oordeel van het hof echter een onvoldoende onderbouwing van de volgens klagers gebrekkige voldoening aan de vergewisplicht door verweerder, al was het alleen al om het feit dat verweerder van voormelde boeking niet op de hoogte was. Nogmaals gevraagd naar de grondslag van zijn stelling, heeft 
klager 1 verklaard dat het, gelet op de door klagers genoemde omstandigheden, onaannemelijk is dat de heer B de declaraties van verweerder “uit eigen zak” heeft betaald. Het enkele feit dat iets onaannemelijk is, wil naar het oordeel van het hof echter nog niet zeggen dat daarmee het tegendeel vast staat. Anders gezegd, indien al gezegd kan worden dat het onaannemelijk is dat de heer B de declaraties van  verweerder uit eigen zak heeft betaald, leidt deze onaannemelijkheid naar het oordeel van het hof niet zonder meer tot de conclusie dat (vennootschappen van) de heer L en/of mevrouw S de financiële middelen aan de heer B heeft/hebben verstrekt. Feiten en omstandigheden die deze gevolgtrekking kunnen dragen, zijn niet (voldoende) gesteld of gebleken. 

Beroepsgronden IV en V
8.7 Volgens klagers hadden er meerdere opdrachtbevestigingen moeten zijn en hadden voor die nieuwe opdrachten ook weer opnieuw onderzoeken moeten worden uitgevoerd in het kader van de vergewisplicht van verweerder. Met hun beroepsgronden IV en V stellen klagers dat de raad ten onrechte niet heeft getoetst of verweerder heeft voldaan aan een latere vergewisplicht en aan een voortdurende vergewisplicht.

8.8 Dat er voldoende concrete, bijzondere aanwijzingen voor verweerder waren om voor iedere nieuwe opdracht van de heer L en mevrouw S nieuw onderzoek in het kader van zijn vergewisplicht te verrichten, is naar het oordeel van het hof niet gebleken. De stelling van klagers dat voor verweerder in ieder geval  een voortdurende vergewisplicht zou gelden door de nieuwe opdrachten van zijn cliënt(en), volgt het hof ook niet. Niet gesteld of gebleken is immers dat de vermeende nieuwe opdrachten in een dusdanig ver verwijderd verband met de oorspronkelijke opdracht stonden hetgeen meebracht dat verweerder (telkens) opnieuw moest voldoen aan artikel 7.1 Voda. 

Beroepsgrond VI
8.9  Met hun laatste beroepsgrond stellen klagers dat, gelet op de unieke omstandigheden van de onderhavige casus, het wel op de weg van verweerder had gelegen om vooraf overleg te plegen met klagers. Ook deze beroepsgrond slaagt naar het oordeel van het hof niet. Een advocaat is in beginsel verplicht tot geheimhouding van al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn beroepsuitoefening als zodanig kennis draagt. Het hof stelt voorop dat de plicht tot geheimhouding behoort tot de kernwaarden van de advocatuur en dat doorbreking daarvan door de advocaat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde kan komen. Daarbij valt te denken aan een directe dreiging van ernstig, toekomstig gevaar voor de advocaat zelf of een betrokkene dat zonder het doorbreken van het beroepsgeheim niet kan worden afgewend. Daarvan is in het onderhavige geval niet gebleken.

8.10 Ten aanzien van de klachtonderdelen a), e) en f) heeft het onderzoek in hoger beroep niet geleid tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de raad. Het hof verenigt zich hier dan ook mee.

Slotsom

8.11 Nu niet is gebleken dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, zal het hof de beslissing van de raad bekrachtigen voor wat betreft de klachtonderdelen a), e) en f) .

9     BESLISSING

Het Hof van Discipline:

bekrachtigt de beslissing van 2 december 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, voor wat betreft de klachtonderdelen a), e) en f), gegeven onder nummers 
23-841 en 24-659.


Deze beslissing is gewezen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. A.R. Sturhoofd, J.W.M. Tromp, E.C. Gelok en F.C. van der Jagt-Vink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Land-Smorenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026.
 

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 9 maart 2026.