ECLI:NL:TAHVD:2026:65 Hof van Discipline 's Gravenhage 250386

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:65
Datum uitspraak: 27-02-2026
Datum publicatie: 27-02-2026
Zaaknummer(s): 250386
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Beklag tegen beslissing raad van toezicht houdende verzet tegen de inschrijving
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Uit het dossier blijkt dat klaagster bijstand van een advocaat wenst in een bestuursrechtelijke procedure. In het bestuursrecht is bijstand door een advocaat niet verplicht. Reeds om die reden is het beklag van klaagster tegen de afwijzingsbeslissing van de deken ongegrond. Voorts heeft klaagster reeds zelf bezwaar ingediend tegen het besluit. De deken heeft haar afwijzende beslissing op juiste gronden genomen en klaagster erop gewezen dat zij zich door iemand anders dan een advocaat kan laten bijstaan alsook met het Juridisch Loket contact kan opnemen. Hetgeen klaagster verder heeft aangevoerd, geeft het hof geen aanleiding anders te oordelen dan de deken heeft gedaan. 


Beslissing van 27 februari 2026
in de zaak 250386

    
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

klaagster
    

tegen:
    

de deken

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken
1.1    Klaagster heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 11 november 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat bijstand door een advocaat niet verplicht is in de door klaagster gewenste bestuursrechtelijke procedure. 

Bij het hof
1.3    Klaagster heeft op 11 november 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). 

1.4    Verder bevat het dossier:
-    het verweer van de deken

1.5    Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.  


2    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1    Klaagster heeft op 20 oktober 2025 een besluit tot uitzetting van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) ontvangen (hierna: het besluit). 

2.2    Klaagster kon tot en met 17 november 2025 bezwaar instellen tegen dit besluit. Klaagster heeft zelf op 26 oktober 2025 dit bezwaar ingesteld. 

2.3    Op 6 november 2025 heeft klaagster bij de deken om aanwijzing van een advocaat verzocht voor bijstand in het kader van het indienen van bezwaar. Op dit verzoek heeft de deken op 
11 november 2025 afwijzend beslist omdat bijstand door een advocaat in de bezwaarprocedure niet verplicht is. 

2.4    Klaagster heeft op enig moment na 20 oktober 2025 Nederland verlaten.  

3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag
3.1    Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klaagster vindt de motivering van de deken – die volgens klaagster inhoudt dat zij geen advocaat nodig heeft omdat het een bestuursrechtelijke procedure betreft – inhoudelijk partijdig, juridisch onjuist en schadelijk voor haar recht op effectieve rechtsbescherming. Haar kans op een eerlijk proces wordt hierdoor illusoir stelt klaagster en de deken neemt daarmee ook impliciet het standpunt van de IND over, namelijk dat er geen nieuwe relevante elementen zijn en dat haar uitzetting rechtmatig is. Dit is een vorm van vooringenomenheid en rolverwarring en de deken trekt hiermee partij voor de overheid. 

Verweer
3.2    De deken heeft aangevoerd dat zij met haar afwijzingsbeslissing niet het standpunt van de IND overneemt. De deken deelt het standpunt dat klaagster juridische bijstand nodig heeft maar zij daar niet voor kan zorgen omdat die bijstand niet van een advocaat hoeft te komen. Om die reden heeft de deken het verzoek afgewezen. 


4    BEOORDELING

Toetsingskader

4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2    Uit het dossier blijkt dat klaagster bijstand van een advocaat wenst in een bestuursrechtelijke procedure. In het bestuursrecht is bijstand door een advocaat niet verplicht. Reeds om die reden is het beklag van klaagster tegen de afwijzingsbeslissing van de deken ongegrond. Voorts heeft klaagster reeds zelf bezwaar ingediend tegen het besluit. De deken heeft haar afwijzende beslissing op juiste gronden genomen en klaagster erop gewezen dat zij zich door iemand anders dan een advocaat kan laten bijstaan alsook met het Juridisch Loket contact kan opnemen. Hetgeen klaagster verder heeft aangevoerd, geeft het hof geen aanleiding anders te oordelen dan de deken heeft gedaan. Het hof zal het beklag daarom ongegrond verklaren. 


5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 11 november 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter, mrs. V. Wolting en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026.
                                            


griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 27 februari 2026.