ECLI:NL:TAHVD:2026:64 Hof van Discipline 's Gravenhage 250389

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:64
Datum uitspraak: 27-02-2026
Datum publicatie: 27-02-2026
Zaaknummer(s): 250389
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Klager heeft om aanwijzing van een advocaat gevraagd in een fiscale procedure. Het belastingrecht wordt beschouwd als een gespecialiseerd onderdeel van het bestuursrecht en in het bestuursrecht is bijstand door een advocaat niet verplicht. Uit de stukken in het dossier leidt het hof af dat klager tijdig een uitgebreid beroepschrift heeft kunnen indienen. De door klager aangehaalde uitspraken van het hof zien op andere situaties dan die van klager, waarbij het hof voorts opmerkt dat de door klager aangehaalde citaten niet in deze uitspraken te vinden zijn.  De omstandigheid dat klager geen machtiging heeft toegestuurd is blijkens de beslissing van 12 november 2025 voor de deken niet redengevend geweest om het aanwijzingsverzoek af te wijzen. De de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de toetsing door de deken van een aanwijzingsverzoek ex artikel 13 Advocatenwet.  


Beslissing van 27 februari 2026 
in de zaak 250389

    
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:


klager
    

tegen:
    

de deken

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken
1.1    Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 12 november 2025. De deken heeft aan zijn beslissing ten grondslag gelegd dat vertegenwoordiging door een advocaat niet verplicht is in de procedure waarin klager bijstand van een advocaat wenst. 

Bij het hof
1.3    Klager heeft op 12 november 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). 

1.4    Verder bevat het dossier:
-    het verweer van de deken
-    de repliek van klager
-    bericht van de deken dat wordt afgezien van dupliek. 

1.5    Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier. 


2    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1    Op 11 november 2025 heeft dhr. A.J  namens klager per webformulier bij de deken een verzoek om aanwijzing van een advocaat ingediend. Hierbij zijn verschillende bijlagen gevoegd. Door dhr. A.J wordt aangegeven dat klager zorgbehoevend is en niet in staat is om zijn eigen belangen te behartigen.

2.2    Namens klager is aangegeven dat hij een advocaat zoekt voor het hoger beroep in een belastingrechtszaak. Klager heeft op 28 oktober 2025 en op 4 november 2025 dit hoger beroep ingesteld maar wenst een advocaat ten behoeve van een inhoudelijke aanvulling op zijn beroepschrift. 

2.3    Op 12 november 2025 is door de deken in een e-mail de ontvangst van het verzoek om aanwijzing bevestigd aan klager en is de Richtlijn aanwijzing advocaat en informatie over een verzoek ex artikel 13 Advocatenwet toegezonden. Ook is in deze brief verzocht om het verstrekken van een machtiging waaruit blijkt dat dhr. A.J bevoegd is om namens klager een verzoek om aanwijzing in te dienen.

2.4    Op 12 november 2025 heeft dhr. A.J in een e-mail medegedeeld dat een machtiging niet verstrekt kan worden. Ook zijn verschillende bijlagen bij het bericht gevoegd met daarin afwijzingen van verschillende advocaten. 

2.5    Op 12 november 2025 heeft de deken het verzoek om aanwijzing van klager afgewezen omdat er geen sprake is van een zaak waarvoor verplichte procesvertegenwoordiging is voorgeschreven.

2.6    Eveneens op 12 november 2025 heeft klager de deken aansprakelijk gesteld en beklag ingediend bij het hof. 


3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag
3.1    Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen en voert daartoe 
– samengevat – vier gronden aan. Volgens klager is de beslissing van de deken:

-  onzorgvuldig omdat klager hulpbehoevend is en afhankelijk van verzorging en begeleiding in het dagelijks leven;
- onvoldoende gemotiveerd omdat de deken niet heeft toegelicht waarom de bijzondere omstandigheden van klager geen aanleiding geven tot aanwijzing van een advocaat, waarbij klager zich mede beroept op artikel 3:46 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb); 
- in strijd met het evenredigheidsbeginsel omdat de gevolgen van de afwijzing voor klager onevenredig zwaar zijn;
-  in strijd met artikel 6 EVRM omdat klager de effectieve toegang tot de rechter onthouden wordt.  

3.2    Klager meent dat op grond van artikel 3:4 lid 2 Awb en de redelijkheid en billijkheid de deken artikel 13 Advocatenwet niet zo strikt had moeten toepassen en zelfstandig feitenonderzoek had moeten doen op grond van artikel 3:2 Awb. Zijn medische situatie en volledige hulpbehoevendheid zijn structureel genegeerd door de deken die op basis van door klager genoemde uitspraken van het hof de mogelijkheid heeft een advocaat aan te wijzen in zaken waar geen verplichte procesvertegenwoordiging geldt.  

3.3    Verder heeft de deken volgens klager ten onrechte om een machtiging gevraagd. Klager krijgt hulp van anderen vanwege zijn lichamelijke en geestelijke beperkingen. Het is voor klager onuitvoerbaar om voor elk van hen een machtiging af te geven. Het is in strijd met het uitgangspunt van toegankelijkheid van rechtsbescherming omdat zijn verzoek afgewezen zou zijn vanwege het ontbreken van een machtiging.  

Verweer
3.4    De deken heeft aangevoerd dat er voor fiscale procedures geen verplichte procesvertegenwoordiging geldt. Daarom kan van schending van het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel geen sprake zijn. Er is geen sprake van schending van een eerlijk proces omdat klager andere specialisten kan benaderen om hem bij te staan in de procedure.

3.5    Het was noodzakelijk een machtiging op te vragen omdat uit het webformulier bleek dat dhr. A.J namens klager het aanwijzingsverzoek had ingediend en in artikel 13 Advocatenwet is bepaald dat uitsluitend de rechtzoekende een verzoek tot aanwijzing kan indienen. Het is onjuist dat het aanwijzingsverzoek is afgewezen omdat de gevraagde machtiging ontbrak. 


4    BEOORDELING

Toetsingskader

4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2    Klager heeft om aanwijzing van een advocaat gevraagd in een fiscale procedure. Het belastingrecht wordt beschouwd als een gespecialiseerd onderdeel van het bestuursrecht en in het bestuursrecht is bijstand door een advocaat niet verplicht. Verder is niet gebleken dat klager door zijn persoonlijke situatie in onevenredige mate wordt gehinderd om juridisch advies in te winnen en/of om zelf of met hulp van derden in een procedure verweer te voeren. Uit de stukken in het dossier leidt het hof af dat klager tijdig een uitgebreid beroepschrift heeft kunnen indienen.

4.3    De door klager aangehaalde uitspraken van het hof zien op andere situaties dan die van klager, waarbij het hof voorts opmerkt dat de door klager aangehaalde citaten niet in deze uitspraken te vinden zijn. 

4.4    De omstandigheid dat klager geen machtiging heeft toegestuurd is blijkens de beslissing van 12 november 2025 voor de deken niet redengevend geweest om het aanwijzingsverzoek af te wijzen. Hetgeen klaagster verder heeft aangevoerd geeft het hof geen aanleiding anders te oordelen dat de deken heeft gedaan, waarbij nog wordt opgemerkt dat de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is op de toetsing door de deken van een aanwijzingsverzoek ex artikel 13 Advocatenwet. 

4.5    Gelet op het voorgaande zal het hof het beklag ongegrond verklaren. 


5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 12 november 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk plaatsvervangend voorzitter, mrs. V. Wolting en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier,  en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026.
                            

griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 27 februari 2026.