ECLI:NL:TAHVD:2026:63 Hof van Discipline 's Gravenhage 250381
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:63 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-02-2026 |
| Datum publicatie: | 27-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250381 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. De mogelijkheid die artikel 13 Advocatenwet biedt om een advocaat aangewezen te krijgen, is in beginsel beperkt tot zaken waarin de bijstand door een advocaat verplicht is gesteld. Die situatie doet zich hier niet voor. De deken is, anders dan zij heeft aangevoerd, wel bevoegd een advocaat aan te wijzen, maar zij kan in een dergelijk geval een aanwijzing van een advocaat achterwege laten. Indien klager een procedure verkiest boven aanvaarding van de aangeboden woning kan klager die procedure zonder bijstand van een advocaat starten omdat procesvertegenwoordiging in huurgeschillen bij de kantonrechter niet verplicht is. Klager kan in die procedure ook (zo klager dat wil) hulp of bijstand van een niet-advocaat vragen. |
Beslissing van 27 februari 2026
in de zaak 250381
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet
klager
tegen:
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft bij de deken op 15 oktober 2025 een verzoek ingediend tot aanwijzing
van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 3 november 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat de procedure waarvoor klager een advocaat wenst geen verplichte procesvertegenwoordiging kent.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 10 november 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken
ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken
- de repliek
- de dupliek.
1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klager ervaart sinds augustus 2024 huuroverlast. Klager heeft in verband met deze overlast op 14 mei 2025 bij de Klachtencommissie Wonen Zuid-Holland (hierna: KWZH) een klacht ingediend.
2.2 Klager verblijft sinds mei 2025 op een andere plek.
2.3 Op 1 juli 2025 heeft KWZH geoordeeld dat de klacht van klager gegrond is voor
zover deze
– kort gezegd – ziet op het niet-nakomen van de toezegging door de woningbouwvereniging
(hierna: verhuurder) om klager te laten verhuizen. De commissie heeft verhuurder
geadviseerd de gedane toezegging na te komen.
2.4 Op 14 augustus 2025 heeft mr. P namens klager een sommatie gestuurd aan verhuurder om het advies van KWZH te volgen en klager andere woonruimte aan te bieden.
2.5 Op 18 september 2025 heeft verhuurder aan klager laten weten eenmalig een andere woning te gaan aanbieden. Op 2 oktober 2025 heeft verhuurder dit aanbod herhaald.
2.6 Op 14 oktober 2025 heeft mr. P zich schriftelijk als advocaat van klager onttrokken. Mr. P schrijft onder meer:
“(…)
Ik heb structureel gemerkt dat u uw eigen opvattingen heeft over hoe deze zaak moet
worden aangevlogen en dat deze opvattingen strijdig zijn met mijn adviezen;
Als gevolg daarvan heeft u steeds gemeend mijn conceptbrieven helemaal te moeten herschrijven
en mij te moeten dicteren hoe de inhoud van mijn brieven moet luiden.
(…)
Ik heb u meerdere malen aangegeven dat ik de kans op een winst van een bodemprocedure
niet groot acht nu [verhuurder] wel degelijk vervangende woonruimte aanbiedt en uw
vordering tot schadevordering zou nimmer een reële kans hebben gemaakt. U wilt dat
niet accepteren en vergroot uw eigen schade door een redelijk aanbod te weigeren.
(…)"
2.7 Op 15 oktober 2025 heeft klager een verzoek tot aanwijzing van een advocaat bij de deken ingediend.
2.8 Op 27 november 2025 laat de gemachtigde van verhuurder in een e-mailbericht aan klager weten dat de aangeboden woning op woensdag 3 december 2025 door klager kan worden bezichtigd.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen waartoe
klager
– samengevat – aanvoert dat de beslissing van verweerster klager het recht op een
eerlijk proces (artikel 6 EVRM) ontzegt, ondeugdelijk is gemotiveerd en in strijd
is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
3.2 Volgens klager heeft artikel 6 EVRM voorrang op de bevoegdheid van de deken
om een aanwijzingsverzoek af te wijzen met als reden dat bijstand door een advocaat
niet verplicht is.
De deken heeft haar beslissing daarmee ondeugdelijk gemotiveerd, ook omdat zij geen
eigen onderzoek heeft gedaan (evenmin naar de klacht van klager over mr. P) maar –
volgens klager ten onrechte – is afgegaan op wat mr. P aan klager heeft geschreven.
3.3 Klager stelt meer dan twintig advocatenkantoren te hebben benaderd. De Staat moet klager daarom een advocaat aanwijzen, omdat de bodemprocedure die klager wil starten kansrijk is (vordering tot herhuisvesting/artikel 8 EVRM) maar ook complex. Als klager een advocaat aangewezen krijgt, zorgt dat volgens klager voor equality of arms. Daarbij ervaart klager veel stress van de ontstane situatie zonder rechtsbijstand. Klager voert, onder verwijzing naar een uitspraak van het hof van discipline uit 2018, ten slotte aan dat een deken ook een advocaat kan aanwijzen in zaken waarin geen verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat geldt en dat de deken heeft nagelaten dit bij zijn aanwijzingsverzoek ook te onderzoeken.
Verweer
3.4 De deken heeft aangevoerd dat zij haar afwijzende beslissing heeft gebaseerd op stukken die klager vanwege zijn gedane verzoek tot aanwijzing van een advocaat heeft toegestuurd. Uit deze stukken en de toelichting op zijn verzoek door klager is gebleken dat klager een advocaat wenst voor een huurrechtgeschil. Daarvoor geldt geen verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat. Verder wijst de deken erop dat de voormalig advocaat van klager, mr. D, klager erop heeft gewezen dat een procedure tegen verhuurder niet kansrijk is omdat – in lijn met een uitspraak van de Klachtencommissie die een eerdere klacht van klager gegrond heeft verklaard – in september 2025 aan klager alternatieve woonruimte is aangeboden. Ook de vordering tot (im)materiële schadevergoeding van klager maakt volgens mr. D. geen reële kans. Verder wijst de deken erop dat de e-mail van de gemachtigde van verhuurder van 27 november 2025 laat zien dat verhuurder nog steeds tot overleg bereid is.
3.5 Ten aanzien van de klacht van klager over mr. P rust op verweerster geen onderzoeksbevoegdheid. Deze klacht is door de deken van de Orde van Advocaten Noord-Holland in behandeling genomen.
3.6 Volgens de deken dient het beklag van klager ongegrond te worden verklaard.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Beoordeling
4.2 De mogelijkheid die artikel 13 Advocatenwet biedt om een advocaat aangewezen te krijgen, is in beginsel beperkt tot zaken waarin de bijstand door een advocaat verplicht is gesteld. Die situatie doet zich hier niet voor. Klager wil een bodemprocedure starten waarin klager herhuisvesting en schadevergoeding wil vorderen van de verhuurder. De deken is, anders dan zij heeft aangevoerd, wel bevoegd een advocaat aan te wijzen, maar zij kan in een dergelijk geval een aanwijzing van een advocaat achterwege laten.
4.3 Uit de stukken blijkt dat verhuurder meermaals vervangende woonruimte heeft aangeboden aan klager, laatstelijk op 27 november 2025 (tijdens de beklagprocedure). Het staat klager vrij om niet op het woonaanbod van verhuurder in te gaan, maar die keuze weegt mee in de toetsing van het beklag van klager. Dit ook omdat de voormalig advocaat van klager, mr. P, die klager vanaf medio juli 2025 tot medio oktober 2025 heeft bijgestaan, heeft uitgelegd aan klager dat een vordering tot herhuisvesting weinig kans van slagen heeft. Indien klager een procedure verkiest boven aanvaarding van de aangeboden woning kan klager die procedure zonder bijstand van een advocaat starten omdat procesvertegenwoordiging in huurgeschillen bij de kantonrechter niet verplicht is. Klager kan in die procedure ook (zo klager dat wil) hulp of bijstand van een niet-advocaat vragen. Ook ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding die klager tegen verhuurder wil instellen, heeft mr. P aangegeven dat die vordering niet kansrijk is. Ook die vordering kan klager zelf in een procedure bij de kantonrechter tegen verhuurder instellen.
4.4 Hoewel invoelbaar is dat klager stress ervaart van het met de verhuurder ontstane geschil, ziet het hof in hetgeen klager aanvoert geen aanleiding om de beslissing van de deken voor onjuist te houden. Het beroep van klager op een uitspraak van het Hof van Discipline van 2 mei 2018 (ECLI:NL:TAHVD:2018:78) slaagt niet omdat in die zaak (anders dan in de zaak van klager) voor het indienen van een tegenvordering (in kort geding) wel een advocaat nodig was. Ten slotte hoefde de deken in de beoordeling van het aanwijzingsverzoek van klager niet de klacht van klager over mr. P te betrekken of te onderzoeken.
4.5 Gelet op het vorenstaande heeft de deken het verzoek tot aanwijzing van een advocaat redelijkerwijs terecht afgewezen. Het beklag is ongegrond.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 3 november 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter, mrs. V. Wolting en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 27 februari 2026.