ECLI:NL:TAHVD:2026:49 Hof van Discipline 's Gravenhage 240221

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:49
Datum uitspraak: 13-02-2026
Datum publicatie: 13-02-2026
Zaaknummer(s): 240221
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Beklag tegen beslissing raad van toezicht houdende verzet tegen de inschrijving
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Verzoek tot inschrijving als advocaat. Klager heeft in juli 2024 een herhaald verzoek tot inschrijving als advocaat gedaan bij de Raad van Orde Rotterdam. De raad heeft primair besloten op grond van artikel 2 lid 9 Advocatenwet (hierna: Advw) het verzoek buiten behandeling te laten, omdat het nieuwe verzoek is ingediend binnen een jaar nadat zijn eerdere verzoek om inschrijving definitief is geworden. Subsidiair heeft de raad geweigerd het verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw. Op grond van artikel 2 lid 9 Advw wordt een nieuw verzoek door de raad buiten behandeling gelaten, indien dit is ingediend binnen een jaar nadat de beslissing van de raad (de weigering van het in behandeling nemen van het verzoek tot inschrijving) op het eerdere verzoek onherroepelijk is geworden. Omdat het verzoek van klager (van juli 2024) binnen een jaar na de beslissing van de raad (van november 2023) op het eerdere verzoek van klager van april 2023 is ingediend, heeft de raad het verzoek van juli 2024 buiten behandeling gelaten. Tegen het buiten behandeling laten van een verzoek tot inschrijving binnen de termijn van artikel 2 lid 9 Advw staat, anders dan bij een weigering om een verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen, op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Advw , echter niet de mogelijkheid van beklag open. Het hof verklaart het beklag dan ook niet-ontvankelijk. Het hof komt niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het beklag voor zover het zich richt tegen de subsidiaire weigering van het verzoek door de raad op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw. 


Beslissing van 13 februari 2026
in de zaak 240221

naar aanleiding van het beklag van:


klager

tegen:

de Raad van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam

de Raad van de Orde

vertegenwoordigd door de deken 

1    INLEIDING

1.1    Klager heeft in juli 2024 een herhaald verzoek tot inschrijving als advocaat gedaan bij de Raad van Orde Rotterdam. De raad heeft primair besloten op grond van artikel 2 lid 9 Advocatenwet (hierna: Advw) het verzoek buiten behandeling te laten, omdat het nieuwe verzoek is ingediend binnen een jaar nadat zijn eerdere verzoek om inschrijving definitief is geworden. Subsidiair heeft de raad geweigerd het verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw. Op grond van artikel 2 lid 9 Advw wordt een nieuw verzoek door de raad buiten behandeling gelaten, indien dit is ingediend binnen een jaar nadat de beslissing van de raad (de weigering van het in behandeling nemen van het verzoek tot inschrijving) op het eerdere verzoek onherroepelijk is geworden. Omdat het verzoek van klager (van juli 2024) binnen een jaar na de beslissing van de raad (van november 2023) op het eerdere verzoek van klager van april 2023 is ingediend, heeft de raad het verzoek van juli 2024 buiten behandeling gelaten. Tegen het buiten behandeling laten van een verzoek tot inschrijving binnen de termijn van artikel 2 lid 9 Advw staat, anders dan bij een weigering om een verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen, op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Advw, echter niet de mogelijkheid van beklag open. Het hof verklaart het beklag dan ook niet-ontvankelijk. Het hof komt niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het beklag voor zover het zich richt tegen de subsidiaire weigering van het verzoek door de raad op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad van de orde en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof de feiten en het verzoek en de weigering op een rij. Daarna volgen de gronden van het beklag en hoe het hof tot zijn oordeel komt.  

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van de orde

2.1    Klager heeft op 1 juli 2024 bij de Raad van de Orde in het arrondissement Rotterdam (hierna: de raad) een verzoek ingediend tot inschrijving op het tableau als advocaat zoals bedoeld in artikel 2 Advw. 

2.2    De raad heeft in de beslissing van 8 augustus 2024 primair besloten op grond van artikel 2 lid 9 Advw het verzoek buiten behandeling te laten. Subsidiair heeft de raad geweigerd het verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw.  

Bij het hof van discipline

2.3    Klager heeft op 10 augustus 2024 bij het hof een beklag ingediend als bedoeld in artikel 5 Advw tegen de beslissing van de raad. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof:
-    het verweerschrift van de raad;
-    een e-mail van klager van 29 november 2025 met een nadere toelichting op het beklag en bijlagen.
  
2.5    Het hof heeft de zaak (tegelijk met zaaknummers 250337 en 240203H) mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 15 december 2025. Daar zijn klager, de deken en de adjunct-secretaris van de deken verschenen. Klager en de deken hebben hun standpunt toegelicht. 

3    FEITEN

3.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.
 
3.2     Klager heeft zich op 16 september 2016 van het tableau laten schrappen.

3.3    Klager heeft op 12 juli 2021 bij de raad een verzoek in gediend tot inschrijving op het tableau. De raad heeft bij beslissing van 11 november 2021 geweigerd dit verzoek in behandeling te nemen. Op 21 november 2021 heeft klager een beklag op grond van artikel 5 Advw ingediend bij het hof. Bij beslissing van 4 april 2022 heeft het hof het beklag ongegrond verklaard (ECLI:NL:TAHVD:2022:79).

3.4    Klager heeft op 28 april 2023 wederom een verzoek bij de raad ingediend tot inschrijving op het tableau. Bij beslissing van 16 november 2023 heeft de raad het verzoek met toepassing van artikel 4 lid 1 onder a Advw geweigerd in behandeling te nemen. Op 24 november 2023 heeft klager een beklag op grond van artikel 5 Advw ingediend bij het hof. Bij beslissing van 1 juli 2024 heeft het hof het beklag ongegrond verklaard (ECLI:NL:TAHVD:2024:190). Klager heeft tegen deze beslissing een herzieningsverzoek ingediend (bij het hof bekend onder zaaknummer 230355). 

3.5       Klager heeft op 1 juli 2024 wederom een verzoek bij de raad ingediend tot inschrijving op het tableau. De raad heeft bij beslissing van 8 augustus 2024 primair besloten het verzoek buiten behandeling te laten (artikel 2 lid 9 Advw) en subsidiair het verzoek geweigerd in te behandeling te nemen op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw. Op 10 augustus 2024 heeft klager daartegen het onderhavige een beklag als bedoeld in artikel 5 Advw ingediend. 

4    HET VERZOEK EN DE WEIGERING

4.1    Klager heeft op 1 juli 2024 een herhaald verzoek tot inschrijving als advocaat gedaan bij de raad. 

4.2    De raad heeft het verzoek van klager bij beslissing van 8 augustus 2024 primair buiten behandeling gelaten en subsidiair geweigerd in behandeling te nemen. De raad heeft overwogen dat klager op 28 april 2023 eerder heeft verzocht om inschrijving als advocaat. Bij beslissing van 16 november 2023 heeft de raad het verzoek geweigerd. Op 1 juli 2024 heeft het hof het door klager ingediende beklag ongegrond verklaard, waarmee de beslissing van de raad definitief is geworden. De raad heeft geconstateerd dat het nieuwe verzoek is ingediend binnen een jaar nadat het eerdere verzoek om inschrijving definitief is geworden en heeft om die reden gemeend dat de raad het nieuwe verzoek primair buiten behandeling moet laten op grond van artikel 2 lid 9 Advw.  

4.3    Ten overvloede heeft de raad – subsidiair – overwogen dat zelfs als het verzoek tot herinschrijving in behandeling zou moeten worden genomen, het verzoek op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw moet worden afgewezen op gelijke gronden als in de beslissing van 16 november 2023 opgenomen. De raad handhaaft de in die beslissing genoemde gronden. 

5    DE GRONDEN VAN HET BEKLAG EN HET VERWEER

Beklag    
5.1     Klager heeft zich – samengevat en voor zover hier relevant – op het standpunt gesteld dat artikel 2 lid 9 Advw zo moet worden begrepen dat het ijkmoment voor het opnieuw indienen van een verzoek is gelegen een jaar ná indiening van het eerdere verzoek. Klager heeft eerder op 23 april 2023 (bedoeld zal zijn: 28 april 2023) een verzoek ingediend. Aangezien het onderhavige verzoek dateert van 1 juli 2024, is dat meer dan een jaar later en is de afwijzing wegens te vroeg indienen in strijd met artikel 2 lid 9 Advw, aldus klager.

5.2     Klager heeft vervolgens – onder verwijzing naar onder meer bestuursrechtelijke jurisprudentie en internationale verdragen – aangevoerd dat de beslissing van de raad in strijd is met bestuursrechtelijke jurisprudentie, met de vrijheid van arbeidskeuze, met de vrijheid van ondernemerschap en dat de beslissing op zijn persoon is gericht Volgens klager is het in strijd met de rechtszekerheid dat de raad voor het oordeel dat er sprake is van gegronde vrees voor niet naleving van voor de advocaat geldende regelgeving terugkijkt naar feiten die meer dan negen jaar hebben plaatsgevonden. Met feiten van negen jaar gelegen heeft de raad niet aangetoond dat er nog steeds een gegronde vrees bestaat zoals bedoeld in artikel 4 lid 1 onder b Advw. Door de bestreden beslissing te baseren op oude feiten worden de vrijheden van klager op onevenredige wijze aangetast. Klager heeft ter zitting van het hof aangevoerd dat hij inmiddels alle stukken heeft ingediend waar de raad om heeft gevraagd, zodat hij alle waarborgen biedt (waaronder samenwerking met een andere advocaat) waar de raad om heeft gevraagd. 

Verweer 
5.3     De deken heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 2 lid 9 Advw de termijn van een jaar gaat lopen vanaf de datum van het onherroepelijke besluit van de raad tot weigering van de inschrijving. De raad heeft op 16 november 2023 het eerdere verzoek geweigerd. Het onderhavige verzoek dateert van 1 juli 2024. Dat is binnen een jaar na de beslissing van 16 november 2023, aldus de deken. Daarnaast blijft de raad bij zijn subsidiaire standpunt dat het verzoek van klager op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw moet worden afgewezen op gelijke gronden als in de beslissing van 16 november 2023. Klager heeft volgens de deken geen nieuwe feiten en informatie aangevoerd. 

6    BEOORDELING HOF

Ontvankelijkheid van het beklag

6.1      Artikel 2 lid 9 Advw bepaalt dat, indien een beslissing van de raad van de orde tot weigering van het in behandeling nemen van een verzoek tot inschrijving als bedoeld in artikel 4, eerste lid, Advw onherroepelijk is geworden, een nieuw verzoek dat is ingediend binnen een jaar na het geweigerde verzoek, buiten behandeling wordt gelaten. Naar het oordeel van het hof kan deze bepaling niet anders worden uitgelegd dan dat ná de beslissing van de raad tot weigering van het in behandeling nemen van een verzoek tot inschrijving als bedoeld in artikel 4, eerste lid, Advw een jaar moet zijn verstreken én dat daarnaast de beslissing van de raad tot weigering van het in behandeling nemen van het verzoek onherroepelijk moet zijn geworden. Dit betekent dat als er een beklag is ingediend, de beslissing pas onherroepelijk is nadat het hof op het beklag heeft beslist. 

6.2    Klager heeft op 28 april 2023 een eerder verzoek gedaan tot inschrijving op het tableau. De raad heeft bij beslissing van 16 november 2023 het verzoek met toepassing van artikel 4 lid 1 onder b Advw geweigerd in behandeling te nemen. Klager heeft tegen deze beslissing op 24 november 2023 een beklag ingediend. Bij beslissing van 1 juli 2024 heeft het hof het beklag ongegrond verklaard. Klager heeft vervolgens tegen deze beslissing een herzieningsverzoek ingediend. De vraag of de eerdere beslissing van de raad tot weigering van het in behandeling nemen van het verzoek onherroepelijk is geworden, nu er nog op het herzieningsverzoek moet worden beslist, kan hier in het midden blijven. Omdat klager zijn vernieuwde verzoek op 1 juli 2024 heeft ingediend en de beslissing van de raad dateert van 16 november 2023, heeft hij zijn verzoek hoe dan ook ingediend binnen een jaar na het geweigerde verzoek. 

6.3    Daarmee doet de situatie als bedoeld in artikel 2 lid 9 Advw zich voor. De raad heeft het nieuwe verzoek van 1 juli 2024 terecht buiten behandeling gelaten. Tegen het buiten behandeling laten van een verzoek tot inschrijving binnen de termijn van artikel 2 lid 9 Advw staat, anders dan bij een weigering om een verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Advw niet de mogelijkheid van beklag open ( zie HvD 30 mei 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:93). Het hof zal het beklag dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

6.4    Aan een behandeling van de subsidiaire grondslag van de beslissing van de raad 8 augustus 2024 komt het hof daarom niet toe.


7    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

7.1    verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van de Raad van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam van 8 augustus 2024 niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. M.F. Baaij, K.H.A. Heenk, P.J.G. van den Boom en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Baan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 13 februari 2026.