ECLI:NL:TAHVD:2026:42 Hof van Discipline 's Gravenhage 250123
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:42 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-02-2026 |
| Datum publicatie: | 09-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250123 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Dekenbezwaar over het handelen van verweerder. De deken verwijt verweerder dat hij in een poging om te bemiddelen voor een verdachte, die werd bijgestaan door een andere advocaat, contact heeft opgenomen met de advocaat van het slachtoffer (tevens getuige) zonder de behandelend advocaat van de verdachte in te lichten en dat hij ongeoorloofde druk op het slachtoffer heeft uitgeoefend om de verklaring die zij als getuige heeft afgelegd in te trekken. De raad heeft geoordeeld dat verweerder geen contact heeft opgenomen met de behandelend advocaat van de verdachte voordat hij gehoor gaf aan het verzoek van de verdachte om contact op te nemen met de advocaat van het slachtoffer en daarmee niet heeft gehandeld zoal het een behoorlijk handelend advocaat betaamt. De raad heeft het overige dekenbezwaar ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het betreft een hoger beroep van de deken tegen het ongegrond verklaarde klachtonderdeel. In hoger beroep oordeelt het hof dat verweerder in een lopende zedenzaak gehoor heeft gegeven aan het verzoek van de verdachte om contact op te nemen met de advocaat van een van de getuigen, die tevens slachtoffer was. Verweerder heeft met het telefoongesprek willen bereiken dat de getuige, tevens slachtoffer, in een zedenzaak haar belastende verklaring in zou trekken onder de mededeling dat de verdachte een sterke zaak zou hebben en dat er door de verdachte nare dingen over de getuige/slachtoffer op de strafzitting in de openbaarheid zouden worden gebracht als haar verklaring niet zou worden ingetrokken. Verweerder heeft op verzoek van de verdachte op intimiderende wijze de druk op getuige/slachtoffer opgevoerd en de uitkomst van de strafzaak van de verdachte willen beïnvloeden. Het betrof bovendien een zedenzaak, waarin zowel de verdachte als de getuige/slachtoffer bekende Nederlanders zijn en die veel media aandacht trok. Het lag dan ook voor de hand dat de negatieve verklaringen van de verdachte zouden zien op intieme zaken waarvan brede openbaring extra pijnlijk zou zijn. Het benaderen van een getuige in een zedenzaak zoals verweerder heeft gedaan om deze onder druk te zetten en zo te ontmoedigen te verklaren is voor een advocaat volstrekt ontoelaatbaar. Met in achtneming van het door de raad gegrond verklaarde bezwaar van de deken en het in hoger beroep alsnog gegrond verklaarde bezwaar acht het hof een maatregel van een schorsing van 4 (vier) weken passend en geboden. |
Beslissing van 9 februari 2026
in de zaak 250123
naar aanleiding van het hoger beroep van:
deken
tegen:
verweerder
gemachtigde:
mr. C.F. Korvinus
advocaat te Amsterdam
1 KORTE SAMENVATTING VAN DE ZAAK
1.1 De deken heeft een dekenbezwaar ingediend over het handelen van verweerder. De deken verwijt verweerder dat hij in een poging om te bemiddelen voor een verdachte, die werd bijgestaan door een andere advocaat, contact heeft opgenomen met de advocaat van het slachtoffer (tevens getuige) zonder de behandelend advocaat van de verdachte in te lichten en dat hij ongeoorloofde druk op het slachtoffer heeft uitgeoefend om de verklaring die zij als getuige heeft afgelegd in te trekken. De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft geoordeeld dat verweerder geen contact heeft opgenomen met de behandelend advocaat van de verdachte voordat hij gehoor gaf aan het verzoek van de verdachte om contact op te nemen met de advocaat van het slachtoffer en daarmee niet heeft gehandeld zoal het een behoorlijk handelend advocaat betaamt. De raad heeft het overige dekenbezwaar ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het betreft een hoger beroep van de deken tegen het ongegrond verklaarde klachtonderdeel.
1.2 In hoger beroep oordeelt het hof dat verweerder in een lopende zedenzaak gehoor heeft gegeven aan het verzoek van de verdachte om contact op te nemen met de advocaat van een van de getuigen, die tevens slachtoffer was. Verweerder heeft met het telefoongesprek willen bereiken dat de getuige, tevens slachtoffer, in een zedenzaak haar belastende verklaring in zou trekken onder de mededeling dat de verdachte een sterke zaak zou hebben en dat er door de verdachte nare dingen over de getuige/slachtoffer op de strafzitting in de openbaarheid zouden worden gebracht als haar verklaring niet zou worden ingetrokken. Verweerder heeft op verzoek van de verdachte op intimiderende wijze de druk op getuige/slachtoffer opgevoerd en de uitkomst van de strafzaak van de verdachte willen beïnvloeden. Het betrof bovendien een zedenzaak, waarin zowel de verdachte als de getuige/slachtoffer bekende Nederlanders zijn en die veel media aandacht trok. Het lag dan ook voor de hand dat de negatieve verklaringen van de verdachte zouden zien op intieme zaken waarvan brede openbaring extra pijnlijk zou zijn. Het benaderen van een getuige in een zedenzaak zoals verweerder heeft gedaan om deze onder druk te zetten en zo te ontmoedigen te verklaren is voor een advocaat volstrekt ontoelaatbaar. Met in achtneming van het door de raad gegrond verklaarde bezwaar van de deken en het in hoger beroep alsnog gegrond verklaarde bezwaar acht het hof een maatregel van een schorsing van 4 (vier) weken passend en geboden.
1.3 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, het dekenbezwaar en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom de deken in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen de deken en verweerder (zaaknummer: 24-721/AL/GLD/D) op 10 maart 2025 een beslissing genomen. In deze beslissing is het dekenbezwaar onder a) deels gegrond verklaard en het dekenbezwaar onder b) ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:70 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van de deken tegen de beslissing is op 7 april 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van verweerder, ontvangen op 7 mei 2025.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
12 december 2025. Daar zijn de deken, tot zijn bijstand vergezeld van mevrouw mr.
J, en verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde, verschenen. De deken heeft zijn
standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van
het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 De heer B is verdachte in een zedenzaak. B wordt in deze zaak bijgestaan door mr. S. Mevrouw D heeft een voor B belastende verklaring afgelegd bij de politie. Zij geldt als slachtoffer en getuige in de zedenzaak. D wordt bijgestaan door mr. J. Mr. J en verweerder zijn voormalig kantoorgenoten. B en verweerder hebben elkaar ontmoet tijdens een etentje bij een wederzijdse bekende in februari 2024.
3.3 Twee verzoeken van mr. S aan mr. J tot mediation tussen B en D zijn door mr. J afgewezen op 28 maart 2024 en 27 mei 2024.
3.4 Op 30 mei 2024 heeft B verweerder verzocht contact op te nemen met mr. J in verband met de zedenzaak. Verweerder heeft daarop telefonisch gesproken met mr. J. Mr. J zat op het moment van dit gesprek in de auto; het gesprek werd gevoerd met gebruik van een luidspreker. Een kantoorgenoot van mr. J zat ook in de auto.
3.5 Op 30 mei 2024 heeft verweerder per WhatsApp het volgende bericht naar mr. J gestuurd:
‘Ha [voornaam mr. J]. Nog even om misverstanden te voorkomen: het verzoek is niet om met jouw cliënte om de tafel te zitten. Maar met jou, en evt haar manager. Moest ik nog even duidelijk aangeven namens [B]. Ik hoor het wel. Gr. [voornaam verweerder]’
3.6 Op 14 juni 2024 is de zedenzaak door de rechtbank behandeld. Tijdens de zitting heeft mr. J onder meer het volgende voorgedragen:
‘(…) Voor de zaak van [D] geldt dat, nadat we eerder al de verschillende verzoeken
tot mediation van mr. S (…) hadden afgewezen, mij zeer recent nog een verzoek van
een andere advocaat bereikte. En ik vernam deze week dat ook mr. D (…) is gebeld door
een voormalig collega van buiten het huidige team die zich voordeed als belangenbehartiger
van [B].
Ik werd kort geleden namens [B] gebeld door collega [verweerder]. (…) [Verweerder]
liet mij weten dat hij via via, wie kon hij niet zeggen, in contact was gekomen met
[B]. Hij had [B] gesproken en hij wist mij te vertellen dat [B] een stevige zaak had.
Dat de voorbereidingen voor de zitting in volle gang waren en dat er naar verwachting
de nodige nare dingen over [D] naar voren zouden worden gebracht. Als dat bekend zou
worden, zou [D] daar echt niet blij van worden en haar management al helemaal niet.
Het was beter voor [D] om te voorkomen dat al die narigheid straks op straat zou liggen.
[Verweerder] stelde voor om de manager van [D] in contact te brengen met hem en met
[B]. Het zou volgens [B] en [verweerder] voor iedereen de beste oplossing zijn als
de verklaring van [D] van tafel zou gaan.
U hoorde al in het spreekrecht van [D] dat zij vreest voor de gevolgen van de verklaring
die zij aflegde als getuige. Zij maakt zich zorgen over waartoe mensen in staat zijn.
Ze ontvangt geregeld dreigende berichten die verband houden met deze zaak. Bedreigingen
die de laatste dagen, ook bij haar, enorm zijn toegenomen. Hoe moet, in dat licht,
dit telefoontje geduid worden?
(…)
Voor ons is duidelijk dat het de verdachte zelf is die zijn bekendheid, aanzien en macht gebruikt en misbruikt op ieder moment dat het hem zelf van pas komt. Dat hij daarbij grenzen overgaat en mensen schade toebrengt, doet er blijkbaar niet toe en lijkt hij zelf niet eens in de gaten te hebben. Er zijn voldoende mensen bereid om alles voor hem uit de kast te trekken en er is voldoende media die hem een podium geeft. (…)’
3.7 Nog tijdens de zitting op 14 juni 2024 heeft verweerder om 18.15 uur het volgende gepost op LinkedIn:
‘Ik kan beamen dat ik collega [mr. J] heb gesproken. Er is echter geen sprake van
een verzoek namens [B] om [D] haar verklaring te laten intrekken of haar onder druk
te zetten.
In het gesprek heb ik me zeker ook niet dreigend of intimiderend geuit. De weergave van [mr. J] ter zitting verbaast mij ten zeerste. Ik kan ook aantonen dat het niet klopt. Iedereen die mij kent weet dat ik niet zo ben en niet zo praat.’
3.8 Tijdens de zitting heeft mr. S verklaard dat hij niets heeft gehoord over het contact tussen verweerder en mr. J en dat B heeft ontkend dat hij verweerder heeft benaderd om D onder druk te zetten.
3.9 Op 14 juni 2024 heeft verweerder via WhatsApp aan mr. J zijn ongenoegen kenbaar gemaakt over de volgens verweerder onjuiste weergave van het gesprek op 30 mei 2024, tijdens de zitting op 14 juni 2024.
3.10 Volgens een bericht op BN de Stem van 14 juni 2024 heeft mr. S na afloop van de zitting het volgende verklaard:
‘Advocaat [mr. S] van [B] staat perplex en zegt niet op de hoogte te zijn geweest van het onder druk zetten van slachtoffers. Als hij het verhaal van [verweerder] had geweten en als [B] daar een sturende rol in had gespeeld, dan zou hij de verdediging hebben neergelegd. ,,Dit straalt negatief af op mijn cliënt. Hij zegt nooit enig verzoek aan [verweerder] te hebben gedaan om deze verklaring te laten intrekken. Ik vind het afschuwelijk om te horen.’
3.11 Op 15 juni 2024 hebben verweerder en mr. J een gezamenlijke persverklaring afgegeven:
‘Mr. J (…) en [verweerder] bevestigen dat het telefoongesprek waar mr. J (…) in haar
slotpleidooi van vrijdagmiddag 14 juni jl. naar verwees heeft plaatsgevonden. [Verweerder]
bevestigt daarbij dat hij belde op verzoek van [B]. Mr. J (…) en [verweerder] hechten
eraan te benadrukken dat het bewuste gesprek niet op een dwingende of zelfs op intimiderende
wijze heeft plaatsgevonden. De reden dat [verweerder] contact opnam met mr. J (…)
was dat hij een complexe strafzaak vlot wilde trekken. Hij heeft dit gedaan met de
beste bedoelingen, en heeft daarbij niemand onder druk willen zetten. Dat zijn verzoek
intimiderend op [D], cliënte van mr. J (…), over zou kunnen komen, heeft [verweerder]
zich onvoldoende gerealiseerd omdat hij niet bekend was met de inhoud van het procesdossier.
Dat gegeven is ook niet tijdens of na het gesprek tussen mr. J (…) en [verweerder]
aan de orde gekomen. [Verweerder] is zich dan ook niet hiervan bewust geweest.’
3.12 Op 17 juni 2024 heeft mr. S tegenover Shownieuws het volgende verklaard:
‘(…) Hij ([verweerder], red.) had het ook helemaal niet mogen doen; hij heeft inmiddels ook bevestigd aan mij dat hij dat niet had mogen doen. Daar heeft hij zijn excuses voor aangeboden. Het is goed. (…)’
3.13 Op 19 juni 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen verweerder, mrs. J en S en de deken.
3.14 Verweerder en mr. J hebben na het gesprek bij de deken op 21 juni 2024 nog WhatsApp berichten gewisseld naar aanleiding van de ophef in de media over de kwestie. Naar aanleiding van een bericht op Nu.nl heeft mr. J het volgende geschreven:
‘Ik vind alleen dat Nu.nl niet kloppen omdat jij mij nooit onder druk gezet hebt.
Heb jij contactgegevens? (…)
Ik heb het ANP gebeld om dit recht te zetten. Ze willen eventueel bevestiging van
jou. (…)
Sterkte daar. Zal niet makkelijk zijn. Ik begrijp natuurlijk dat je het niet onbesproken
kan laten. Goed dat je er dus op terugkomt. Ik hoop wel dat het in lijn is met hoe
wij er samen over gesproken hebben en met de inhoud van de persverklaring. Hou je
taai!’
3.15 Omstreeks 21 juni 2024 heeft mr. J tegen een journalist van de NOS gezegd dat zij van haar eerdere uitspraak niets terugneemt, en dat de toon weliswaar niet dreigend was, maar de inhoud van het gesprek wel (NOS nieuws van 21 juni 2024 op nos.nl).
3.16 Op 12 juli 2024 is B in de zedenzaak veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren. B en het Openbaar Ministerie zijn in beroep gegaan tegen de uitspraak van de rechtbank.
3.17 De deken heeft verweerder in verband met deze kwestie op 28 juni 2024 een aantal vragen voorgelegd. Verweerder heeft deze vragen op 18 juli 2024 beantwoord. In het document met de antwoorden staat onder meer het volgende:
‘• de inhoud van het gesprek, zoals het volgens u verlopen is;
*Het gesprek met mr. J (…) duurde totaal 15 minuten. De eerste 4 a 5 minuten ging
over het verzoek van [B]. Het tweede onderwerp ging over een concrete militaire strafzaak
waarin ik een verdachte en mr. J (…) het slachtoffer bijstond en de afwikkeling daarvan
qua schadevergoeding. Het derde onderwerp was een aantal ervaringen die ik deelde
over de impact van het (…) proces op mij als advocaat. Het vierde en laatste onderwerp
ging over het nieuws dat mr. J (…) mij vertelde dat ze ging overstappen naar het OM
als officier van justitie, waarbij ik aangaf dat ik het jammer vond maar het wel begreep
en haar het allerbeste heb gewenst. (…)
Kunt u aangeven welk(e) gedeelte/gedeeltes uit de spreekrechtverklaring zoals opgesteld
door mr. J (…) volgens u feitelijk onjuist is/zijn (zie hieronder)?
*Ik wil allereerst benadrukken dat ik me het gesprek niet exact en woordelijk kan herinneren. Het was goedbedoeld en stelde voor mij verder niet veel voor. Ik ga me dus ook niet vastpinnen op woorden zoals die wel of niet zouden zijn gezegd. Ik weet wat de strekking was en de woorden die zijn gezegd waarin in een open en vriendelijke setting gebezigd tussen twee collega's en oud kantoorgenoten die elkaar al jaren kennen. (…)
*Ik heb gezegd dat [B] tegen mij heeft gezegd dat hij niet wilde dat over en weer
nare dingen gezegd zouden worden in het openbaar. Vandaar zijn verzoek om in gesprek
te gaan. Dat was de strekking. Exacte woorden kan ik mij niet herinneren. (…)
*Ik kan me de exacte woorden niet meer herinneren. Het ging enkel en puur om het verzoek tot mediation van [B]. Ik heb absoluut niet iets gezegd met de bedoeling om [D] haar verklaring te laten intrekken.
*Ik wil verder wijzen op mijn bevestiging van het verzoek van [B] om met mr. J (…) en eventueel de manager van [D] om tafel te gaan zitten. Dit heb ik mr. J (…) geappt een aantal uren ná het telefoongesprek op 30 mei. (…)’
3.18 De kantoorgenoot van mr. J heeft in een schriftelijke verklaring van 25 maart 2025 het volgende verklaard over het telefoongesprek tussen verweerder en mr. J:
‘Ik zat samen met mr. J (…) in de auto na een afspraak bij een cliënt van mr. J (…).
Verweerder belde mr. J (…) en ik kon het gesprek meeluisteren over de speaker.
Het gesprek begon over een andere zaak waarin mr. J (…) en verweerder optraden als
respectievelijk slachtofferadvocaat en advocaat van één van de medeverdachten.
Toen vroeg verweerder aan mr. J (…) of het klopte dat zij optrad als advocaat van
[D]. mr. J(…) bevestigde dit.
Hij vertelde dat hij via via was benaderd met een verkapt mediationverzoek vanuit
[B]. Of mr. J (…) dit voor kon leggen aan [D].
Verweerder vertelde dat hij had begrepen dat [B] een hele sterke zaak had, en dat
[B] met een
verklaring over [D] zou komen op zitting. Ik heb verweerder vervolgens meerdere
keren horen zeggen dat er dan hele lelijke/nare dingen gezegd gingen worden over [D].
Daar zou [D] niet blij van worden. En of zij niet wilde voorkomen dat deze lelijke/nare
dingen naar buiten zouden komen door haar verklaring in te trekken en het op te lossen
met mediation voor de zitting. Dat leek verweerder en [B] in ieder geval beter dan
dat hij die lelijke dingen naar buiten moest brengen. [B] stond open voor een gesprek.
Mr. J (…) vertelde dat er al een mediationverzoek lag, dat [D] heeft laten weten
hier niet op in te willen gaan maar dat ze dit verzoek nu weer neer zou leggen bij
[D].
Het gesprek eindigde met de vraag van verweerder wanneer de inhoudelijke zitting
van deze zaak eigenlijk was – wat mij bevreemdde – dit zou hij immers moeten weten
als hij betrokken was bij de zaak/verdediging.’
4 BEZWAAR
4.1 Het bezwaar houdt, zakelijk weergegeven, en voor zover in hoger beroep nog van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij
a) (…);
b) door middel van een telefoongesprek met de advocaat van het slachtoffer in
een zedenzaak oneigenlijke druk op het slachtoffer, tevens getuige, heeft uitgeoefend
teneinde slachtoffer/getuige te bewegen om een afgelegde verklaring in te trekken.
5 OMVANG HOGER BEROEP
De deken heeft in het beroepschrift aangegeven dat het hoger beroep enkel ziet op het door de raad ongegrond verklaarde bezwaar b.
Verweerder heeft in zijn verweerschrift ook beroepsgronden geformuleerd tegen het door de raad gegrond verklaarde bezwaar a. Beroepsgronden moeten echter binnen 30 dagen na verzending van de beslissing door de raad zijn ontvangen (art. 56 Advocatenwet). De wet laat geen ruimte voor uitstel of afwijking van deze regel. Nu de beslissing van de raad op 10 maart 2025 is verzonden en het verweerschrift pas op 7 mei 2025 door het hof is ontvangen, zijn de beroepsgronden van verweerder in het verweerschrift niet-ontvankelijk.
Het hof zal zich in zijn beoordeling derhalve beperken tot het door de raad ongegrond verklaarde bezwaar b. Daarmee is de gegrondverklaring van het bezwaar a door de raad onherroepelijk.
6 BEOORDELING RAAD
Bezwaar a
6.1 Verweerder was ervan op de hoogte dat B werd bijgestaan door mr. S en verweerder had voordat hij toezeggingen deed aan B contact moeten opnemen met mr. S. Verweerder verkeerde in de (onterechte) veronderstelling dat mr. S via B op de hoogte was van het verzoek van B. Dit ontsloeg verweerder niet van een zelfstandige plicht om overleg te voeren met mr. S. Volgens de raad is het onbezonnen dat verweerder dit niet heeft gedaan. Verweerder heeft zich daarbij niet laten leiden door dat wat in het belang was van de zaak, maar door het verzoek van B met wie hij te doen had en de omstandigheid dat hij en mr. J goede bekenden zijn. Verweerder had geen kennis van de inhoud van het dossier en was daardoor ook niet op de hoogte van de eerdere mediationpogingen van mr. S. Verweerder kon dus ook niet goed inschatten wat zijn verzoek tot gevolg kon hebben in de mediagevoelige en complexe zedenzaak, onder andere dat mr. S voor het eerst tijdens de strafzitting, die live op televisie werd uitgezonden en waarvoor veel (media)aandacht was, werd geconfronteerd met het verzoek van zijn eigen cliënt aan verweerder en het handelen van verweerder zelf. Volgens de raad heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld en niet zoals het een behoorlijk handelend advocaat betaamt, zodat bezwaar a gegrond is.
6.2 Voor wat betreft het verwijt onder bezwaar a dat verweerder heeft gehandeld in strijd met gedragsregel 28 overweegt de raad dat het geen feiten en omstandigheden heeft vernomen waaruit zij [hof: lees hij] heeft kunnen concluderen dat het de intentie was van verweerder om het dossier van B over te nemen van mr. S. Dat verwijt slaagt daarom niet.
Bezwaar b
6.3 De raad heeft bezwaar b ongegrond verklaard omdat hij niet voldoende kan vaststellen wat er is gezegd tijdens het telefoongesprek op 30 mei 2024. Daarbij kan de (informatie over de) mondelinge verklaring aan de deken van de kantoorgenoot van mr. J die het gesprek op 30 mei 2024 heeft kunnen volgen bezwaar b niet zelfstandig dragen, ook omdat bij de raad onduidelijk was wie dit was. Bovendien kan de verklaring die mr. J. op 14 juni 2024 namens D heeft voorgelezen tijdens de behandeling van de zedenzaak niet los worden gezien van het beeld dat mr. J namens D wilde schetsen van B en de manier waarop het telefoontje van verweerder aan mr. J in de slachtofferverklaring is uitgelegd past volgens de raad in dat beeld. De veronderstelling dat mr. J het telefoontje in het voordeel van D heeft gepresenteerd ziet de raad ook bevestigd in haar latere berichten. Daarbij wijst de raad op de gezamenlijke persverklaring van mr. J en verweerder waarin de boodschap die mr. J op de zitting heeft overgebracht wordt afgezwakt. Bovendien blijkt ook uit de WhatsApp-berichten van 21 juni 2024 van mr. J aan verweerder niet dat sprake was van intimidatie of een intimiderende boodschap tijdens hun telefoongesprek in mei. Tot slot staat vast dat verweerder tijdens het telefoongesprek met mr. J op 30 mei 2024 ook sprak over zaken van persoonlijke aard, hetgeen naar het oordeel van de raad moeilijk te rijmen valt met de stelling dat de boodschap die verweerder namens B overbracht intimiderend was. Volgens de raad heeft de deken het bezwaar dan ook onvoldoende feitelijk onderbouwd, zodat bezwaar b ongegrond is.
6.4 De raad heeft aan verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd.
7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden deken
7.1 Het hoger beroep van de deken richt zich uitsluitend tegen de ongegrondverklaring van bezwaar b. De deken stelt zich op het standpunt dat bezwaar b voldoende feitelijk onderbouwd is en dat met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat verweerder tijdens het telefoongesprek met mr. J op 30 mei 2024 oneigenlijke druk heeft uitgeoefend op het slachtoffer, tevens getuige, teneinde haar te bewegen om haar verklaring in te trekken. De deken wijst daarbij op het gesprek tussen de deken, de stafjurist bij de Orde van Advocaten Gelderland en de kantoorgenoot van mr. J, waarin de kantoorgenoot heeft bevestigd dat hetgeen mr. J tijdens het slotpleidooi heeft gezegd over de inhoud van het gesprek juist is. Voor de behandeling van het hoger beroep heeft de deken de kantoorgenoot bereid gevonden om een schriftelijke verklaring over het voornoemde gesprek op te stellen en deze verklaring is als bijlage bij het beroepschrift gevoegd. Nu zowel mr. J als de kantoorgenoot stellig en gedetailleerd hebben verklaard dat verweerder in het gesprek heeft gezegd dat het beter zou zijn als de verklaring van de getuige van tafel zou gaan en verweerder zich alleen bepaalde delen van het gesprek en de strekking daarvan kan herinneren, maar niet de exacte woorden, staat volgens de deken met voldoende zekerheid vast dat dit door verweerder gezegd is. Volgens de deken heeft de raad ten onrechte geoordeeld dat de veronderstelling dat mr. J het telefoongesprek in het voordeel van het slachtoffer heeft gepresenteerd, bevestigd wordt in de gezamenlijke persverklaring en de WhatsApp-berichten. Zo leest de deken niet in de tekst van de persverklaring dat mr. J de boodschap van haar slotpleidooi heeft afgezwakt en ziet de persverklaring volgens mr. J niet op hoe de boodschap van verweerder op het slachtoffer overkwam. Tot slot kan de deken zich niet vinden in de redenering van de raad dat nu verweerder en mr. J in hun gesprek nog over andere (deels persoonlijke) zaken hebben gesproken daarmee niet te rijmen valt dat de namens B overgebrachte boodschap intimiderend was. Verweerder heeft immers erkend dat hij zich onvoldoende heeft gerealiseerd dat zijn verzoek intimiderend op het slachtoffer kon overkomen. Daarmee heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld en kon er een intimiderende werking uitgaan van zijn handelen. Dat klemt volgens de deken temeer nu het slachtoffer en getuige in een complexe en mediagevoelige zedenzaak kwetsbaar is.
Verweer verweerder
7.2 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
8 BEOORDELING HOF
Maatstaf
8.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaf.
Overwegingen hof
8.2 Verweerder wordt onder bezwaar b verweten dat hij in het telefoongesprek dat hij op 30 mei 2024 voerde met de advocaat van het slachtoffer in een zedenzaak oneigenlijke druk heeft uitgeoefend op het slachtoffer, tevens getuige, teneinde haar te bewegen om de door haar afgelegde verklaring in te trekken.
8.3 In hoger beroep is door de deken een schriftelijke verklaring van de kantoorgenoot van mr. J van 25 maart 2025, die ten tijde van het telefoongesprek op 30 mei 2024 bij mr. J in de auto zat, overgelegd. De deken heeft tijdens het onderzoek op de zitting bij het hof verklaard dat deze verklaring overeenkomt met de mondelinge verklaring die deze kantoorgenoot van mr. J tegenover de deken heeft afgelegd tijdens een eerder gesprek tussen hen. Het feit dat de kantoorgenoot van mr. J nog niet beëdigd was op het moment dat zij kennisnam van de inhoud van het telefoongesprek (in de auto via een luidspreker) tussen verweerder en mr. J en zij niet had mogen meeluisteren met het gesprek, zoals de gemachtigde van verweerder heeft gesteld, maakt niet dat het hof haar verklaring niet zou mogen gebruiken in deze procedure.
8.4 In de schriftelijke verklaring van de kantoorgenoot van mr. J (zie 3.18) staat, samengevat, dat verweerder in het telefoongesprek, dat zij via de luidspreker kon volgen, mr. J vertelde dat hij had begrepen dat B een hele sterke zaak had, dat B met een verklaring over D zou komen op zitting en dat er dan hele lelijke of nare dingen gezegd gingen worden over D waar D niet blij van zou worden. Verweerder vroeg vervolgens of D niet wilde voorkomen dat deze dingen naar buiten zouden komen door haar verklaring in te trekken en het op te lossen met mediation voor de zitting.
8.5 In de spreekrechtverklaring van mr. J. tijdens het onderzoek ter terechtzitting van B bij de rechtbank op 14 juni 2024 (zie 3.6) is, samengevat, vermeld dat mr. J kort geleden was gebeld door verweerder. Daarin is verder vermeld dat verweerder in dat telefoongesprek zei dat hij B had gesproken. En dat verweerder mr. J vertelde dat B een stevige zaak had, dat de voorbereidingen voor de zitting in volle gang waren en dat er naar verwachting de nodige nare dingen over D naar voren gebracht zouden worden waar D en haar management echt niet blij van zouden worden. Volgens verweerder was het voor D beter om te voorkomen dat al die narigheid straks op straat zou liggen en het zou volgens B en verweerder voor iedereen de beste oplossing zijn als de verklaring van D van tafel zou gaan.
8.6 Verweerder zelf heeft op schriftelijke vragen van de deken geantwoord (zie 3.17) dat hij zich de exacte woorden niet meer kan herinneren, maar dat hij in het telefoongesprek met mr. J wel heeft gezegd dat B vond dat hij een sterke zaak had, dat B niet wilde dat over en weer nare dingen gezegd zouden worden in het openbaar en dat daar het verzoek om in gesprek te gaan op zag. In zijn antwoord aan de deken heeft verweerder betwist dat hij iets heeft gezegd met de bedoeling om D. haar verklaring in te laten trekken; het ging enkel en puur om het verzoek tot mediation.
8.7 Het dreigement dat B negatieve verklaringen over D naar voren zou brengen op de strafzitting van B wijzen er naar het oordeel van het hof op dat verweerder wel gezegd heeft dat het de bedoeling was dat D haar verklaring in zou trekken. Zou de verklaring van D immers niet van tafel gaan, dan is niet goed te begrijpen dat B zich wel zou gaan onthouden van negatieve verklaringen over D. Ook is mediation een alternatieve manier om geschillen te beslechten, wat erop wijst dat B en verweerder de strafzaak wilden voorkomen voor zover deze zag op D.
8.8 Naar het oordeel van het hof heeft verweerder met het telefoongesprek willen bereiken dat de getuige, tevens slachtoffer, in een zedenzaak haar belastende verklaring in zou trekken onder de mededeling dat de verdachte, die verweerder niet zelf bijstond, een sterke zaak zou hebben en dat er nare dingen over haar op de strafzitting in de openbaarheid zouden komen. Anders dan namens verweerder is gesteld, heeft hij niet slechts een (verkapt) mediationverzoek willen overbrengen, maar heeft hij op verzoek van B op intimiderende wijze de druk op getuige/slachtoffer D opgevoerd en de uitkomst van de strafzaak van B willen beïnvloeden. De omstandigheid dat verweerder zelf geen contact heeft gehad met de getuige, maar alleen via haar advocaat mr. J, dat dit gesprek op een vriendelijke toon is gevoerd en dat verweerder na het telefoongesprek in een WhatsApp-bericht aan mr. J heeft benadrukt dat het verzoek niet inhoudt om met de getuige zelf om tafel te zitten maar met mr. J en eventueel de manager van D maakt dit niet anders. Verweerder moest weten dat mr. J. het gesprek zou bespreken met haar cliënt, zoals zij ook in het telefoongesprek aan hem heeft bevestigd. Het betrof bovendien een zedenzaak, waarin zowel de verdachte als de getuige/slachtoffer bekende Nederlanders zijn en die veel media aandacht trok. Het lag dan ook voor de hand dat de negatieve verklaringen van B zouden zien op intieme zaken waarvan brede openbaring extra pijnlijk zou zijn. Daar komt bij dat verweerder de inhoud van het dossier niet kende en dus ook de eventuele gevolgen van zijn handelen niet kon inschatten. Verweerder heeft daar zelf ook in de persverklaring (zie 3.11) over gezegd dat hij zich onvoldoende gerealiseerd heeft dat zijn verzoek intimiderend op D over zou kunnen komen omdat hij niet bekend was met de inhoud van het procesdossier. Gelet daarop had verweerder een zo mogelijk nog grotere voorzichtigheid aan de dag moeten leggen bij het benaderen van de advocaat van de getuige/slachtoffer.
8.9 Uit het vorenstaande volgt dat het bezwaar van de deken onder b gegrond is.
Slotsom
8.10 Verweerder heeft met zijn handelen de kernwaarde integriteit geschonden en daarmee niet gehandeld zoals een advocaat betaamt. Het handelen van verweerder is in strijd met de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarden en met de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen en verweerder heeft daarmee het vertrouwen in de advocatuur geschaad.
9 MAATREGEL
9.1 De raad heeft bezwaar a gegrond verklaard en het hof verklaart ook bezwaar b gegrond. Daarmee staat vast dat verweerder in een lopende zedenzaak zonder eerst contact op te nemen met de advocaat van de verdachte B, mr. S, gehoor heeft gegeven aan het verzoek van B en contact heeft opgenomen met de advocaat van een van de getuigen, die tevens slachtoffer was. In het telefoongesprek met deze advocaat heeft verweerder vervolgens bewoordingen geuit die gericht waren op het intrekken van de verklaring van de getuige/slachtoffer, hetgeen voor haar niet anders dan intimiderend kon overkomen. Dat is in deze specifieke zaak des te kwalijker nu het een bekend slachtoffer betreft in een zedenzaak met veel publiciteit waarin de verdachte ook een bekende Nederlander is. In dit geval had van verweerder dan ook extra prudentie mogen worden verwacht, zeker gelet op de omstandigheid dat verweerder zelf het dossier niet kende en zonder overleg met de advocaat van de verdachte heeft gehandeld. Verweerder heeft deze prudentie niet betracht.
9.2 Het in de gegeven omstandigheden benaderen van een getuige in een zedenzaak zoals verweerder heeft gedaan om deze onder druk te zetten en zo te ontmoedigen te verklaren is voor een advocaat volstrekt ontoelaatbaar. Met zijn handelen heeft verweerder de kernwaarde integriteit geschonden en niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Verweerder heeft met zijn handelen het vertrouwen in de advocatuur ernstig geschaad.
9.3 Dat verweerder zich achteraf de gevolgen van zijn handelen heeft gerealiseerd en dat de verhoudingen tussen hem, mr. J en mr. S in de tussenliggende periode weer hersteld zijn, maakt dit niet anders.
9.4 Het hof ziet gelet op de gegrondverklaring van zowel bezwaar a als bezwaar b aanleiding een zwaardere maatregel op te leggen dan de door de raad opgelegde maatregel. Het hof is van oordeel dat het opleggen van de maatregel van onvoorwaardelijke schorsing van 4 (vier) weken passend en geboden is.
10 PROCESKOSTEN
10.1 Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerder op grond van artikel
48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het
hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:
a) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
b) € 1.000,- kosten van de Staat.
10.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van ‘kostenveroordeling hof van discipline’ en het zaaknummer.
11 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
11.1 vernietigt de beslissing van 10 maart 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, genomen onder nummer 24-721/AL/GLD/D, voor zover daarin het bezwaar b ongegrond is verklaard en de maatregel van waarschuwing is opgelegd;
en doet in zoverre opnieuw recht:
11.2 verklaart het bezwaar onder b gegrond;
11.3 legt aan verweerder de maatregel op van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van 4 weken;
11.4 bepaalt dat de schorsing in de uitoefening van de praktijk ingaat op 9 maart 2026, met dien verstande dat:
- deze schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen;
- verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd
maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat;
- deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder
niet op het tableau staat ingeschreven;
11.5 bekrachtigt de beslissing van 10 maart 2025 van de Raad van Discipline in het ressort
Arnhem-Leeuwarden, genomen onder nummer 24-721/AL/GLD/D, voor het overige;
11.6 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof
van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn
zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima
, M.S.A. van Dam, J.H. Brouwer en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr.
H.J. Rosmalen-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 9 februari 2026.