ECLI:NL:TAHVD:2026:35 Hof van Discipline 's Gravenhage 260003

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:35
Datum uitspraak: 05-02-2026
Datum publicatie: 05-02-2026
Zaaknummer(s): 260003
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Afwijzing verzoek tot verwijzing op grond van artikel 46aa lid 5 Advocatenwet (gezamenlijke behandeling van klachten over advocaten in verschillende ressorten om redenen van doelmatigheid). Twee zaken zijn reeds op zitting geweest bij verschillende raden waardoor het niet meer mogelijk is om alle klachten door één en dezelfde raad van discipline te laten behandelen. In de nog plaats te vinden zaken kunnen klagers de afgegeven beslissingen als nagekomen stukken inbrengen.

Beslissing van de voorzitter van

het Hof van Discipline

van 5 februari 2026

in de zaak 260003

naar aanleiding van het verzoek van:

klagers

gemachtigde:  R.A. Brion

tegen:

verweerders

1 HET VERZOEK

De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht met bijlagen van 9 januari 2026 van de gemachtigde van klagers waarin op grond van artikel 46a lid 5 Advocatenwet (naar de voorzitter begrijpt artikel 46aa lid 5) wordt verzocht dat op de door klagers ingediende klachten over verweerders door één raad van discipline wordt beslist. Volgens klagers zijn de tuchtzaken ingegeven door één feitencomplex, één cliëntbelang en is er een concreet risico op tegenstrijdige uitspraken.

2 DE BEOORDELING

2.1 In het geval klachten betrekking hebben op advocaten die in verschillende ressorten kantoor houden en tussen de klachten een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen, kan de voorzitter op grond van artikel 46aa lid 5 Advocatenwet één raad van discipline aanwijzen die de klachten behandelt.

2.2 De voorzitter zal hiertoe in dit geval niet beslissen en licht dit als volgt toe.

2.3 Uit de meegestuurde bijlagen van klagers leidt de voorzitter af dat de door klagers als zaak A aangeduide tuchtzaak op 12 januari 2026 is behandeld bij de raad van discipline Amsterdam. In de door klagers als zaak B aangeduide tuchtzaak heeft de raad van discipline ’s-Hertogenbosch een beslissing afgegeven op 26 januari 2026. Reeds hierom is het niet meer mogelijk om deze zaken door één en dezelfde raad van discipline te laten behandelen. Het is verder niet aan het hof om een aanhouding van de beslissing te gelasten indien nog geen uitspraak zou zijn gedaan.

2.4 De door klagers als C en D aangeduide klachten zijn op 4 maart 2025 ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten Zeeland-West-Brabant en zullen (gelijk zaak B) door de raad van discipline ’s-Hertogenbosch worden behandeld en beslist. Bij de griffie van deze raad kunnen klagers  een verzoek indienen om de mondelinge behandeling in de zaken C en D tegelijkertijd te laten plaatsvinden. Verder kunnen klagers in beide zaken de alsdan reeds afgegeven beslissingen als nagekomen stukken inbrengen.

3 BESLISSING

De voorzitter van het Hof van Discipline:

wijst af het verzoek tot verwijzing.


Deze beslissing is gewezen op 5 februari 2026 door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter.

De beslissing is verzonden op 5 februari 2026