ECLI:NL:TAHVD:2026:33 Hof van Discipline 's Gravenhage 250408
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:33 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 30-01-2026 |
| Datum publicatie: | 02-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250408 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Evenals de rechtbank in eerste aanleg heeft ook het gerechtshof geoordeeld dat de vordering tot schadevergoeding van klager is verjaard als gevolg waarvan klager volgens het gerechtshof geen belang meer heeft bij de gevorderde verklaring voor recht omdat deze strekt tot het verkrijgen van schadevergoeding. Klager heeft niet bestreden dat hij geen cassatie heeft ingesteld tegen het arrest van 10 juni 2025. Daarmee staat vast dat het arrest onherroepelijk is geworden en heeft de uitspraak in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht (artikel 236 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Het hof is met de deken van oordeel dat het aanhangig maken van een nieuwe procedure tegen dezelfde partij over feitelijk dezelfde kwestie geen redelijke kans van slagen heeft. |
Beslissing van 30 januari 2026
in de zaak 250408
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 18 november 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat een procedure tegen dezelfde partij geen redelijke kans van slagen heeft.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 18 november 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken.
-
- Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 In 2013 heeft de Nederlandse Staat op verzoek van de Nederlandsche Bank (DNB) justitiële informatie over klager aan DNB verstrekt. Daardoor is klager zijn baan kwijtgeraakt en heeft hij financiële en psychische problemen gekregen. Klager vindt dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld omdat de Staat de aangevraagde justitiële gegevens zonder wettelijke grondslag aan DNB heeft verstrekt.
2.2 Klager heeft op 15 september 2014 DNB gedagvaard in een civiele procedure waarin klager werd bijgestaan door een advocaat. Klager vorderde in die procedure een schadevergoeding van DNB wegens onrechtmatig handelen bij de screeningsprocedure. In hoger beroep heeft klager met DNB een regeling getroffen. Onderdeel van die regeling was dat DNB aan klager een schadevergoeding heeft betaald van € 250.000,--.
2.3 Klager heeft in 2023 een procedure gestart tegen de Staat en gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens klager en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade van klager, nader op te maken bij staat.
2.4 De rechtbank heeft de vorderingen van klager afgewezen omdat de vordering tot schadevergoeding was verjaard. Tegen dat vonnis heeft klager hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd bij arrest van 10 juni 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:1306). Tegen dit arrest heeft klager geen cassatie ingesteld vanwege een negatief cassatieadvies.
2.5 Klager wil opnieuw een procedure beginnen tegen de Staat op basis van een volgens klager andere grondslag. De Staat heeft naar de mening van klager artikel 10 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) onjuist geïmplementeerd in haar technische systemen en daardoor onrechtmatig jegens hem gehandeld.
2.6 Klager heeft op 12 september 2025 de deken verzocht hiervoor een advocaat aan te wijzen.
2.7 De deken heeft op dit verzoek afwijzend beslist op 18 november 2025. De deken legt aan haar afwijzende beslissing ten grondslag dat de vordering tot schadevergoeding is verjaard, dat ook een verklaring voor recht niet toewijsbaar is volgens het hof en klager tegen het arrest van het hof geen cassatie heeft ingesteld omdat er een negatief cassatieadvies was uitgebracht. Daarmee is volgens de deken het arrest in kracht van gewijsde gegaan. De beslissingen vervat in het arrest van het hof zijn daarmee bindend, welke bindende kracht ook in een andere procedure tussen partijen geldt, waaraan niet afdoet dat de grondslag van de vordering van klager mogelijk iets anders is geformuleerd.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen omdat klager van mening is dat de procedure een andere rechtsvraag is en die vordering niet is verjaard. Het gerechtshof heeft niet beslist op alle onderdelen van de vordering van klager en ten aanzien van de onderdelen waarop niet is beslist, kan er geen sprake zijn van kracht van gewijsde. Daarom mag klager een nieuwe procedure beginnen. Verder beroept klager zich op de artikelen 17 en 18 van de Grondwet.
Verweer
3.2 De deken heeft aangevoerd dat de kern van het beklag van klager erop neer komt dat klager de toegang tot de rechter feitelijk is ontzegd. Klager heeft in twee instanties geprocedeerd tegen de Nederlandse Staat. Tegen het arrest is geen cassatie ingesteld omdat er een negatief cassatieadvies was uitgebracht.
3.3 Klager heeft met zijn verzoek om aanwijzing een door hemzelf opgestelde dagvaarding meegestuurd. De deken meent – na bestudering van de dagvaarding – dat klager opnieuw wil procederen over dezelfde kwestie waarover het gerechtshof Den Haag op 10 juni 2025 heeft beslist en welke uitspraak in kracht van gewijsde gegaan. Daarom acht de deken een nieuwe procedure kansloos en is het verzoek om aanwijzing van een advocaat voor klager afgewezen.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Beoordeling
4.2 Het hof leidt uit het arrest van het gerechtshof Den Haag van 10 juni 2025 af dat in de procedure tussen klager en de Staat het meest verstrekkende verweer van de Staat is geweest dat de vordering tot schadevergoeding van klager is verjaard. Evenals de rechtbank in eerste aanleg heeft ook het gerechtshof geoordeeld dat de vordering tot schadevergoeding van klager is verjaard als gevolg waarvan klager volgens het gerechtshof geen belang meer heeft bij de gevorderde verklaring voor recht omdat deze strekt tot het verkrijgen van schadevergoeding. Nu het meest verstrekkende verweer van de Staat is gehonoreerd, is het gerechtshof Den Haag niet meer toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de (schade)vorderingen van klager.
4.3 Klager heeft niet bestreden dat hij geen cassatie heeft ingesteld tegen het arrest van 10 juni 2025. Daarmee staat vast dat het arrest onherroepelijk is geworden en heeft de uitspraak in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht (artikel 236 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat in het geval van een nieuwe civiele procedure tussen klager en de Staat een rechterlijke instantie niet zal toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de (schade)vorderingen van klager, ook niet als klager zijn vorderingen baseert op een andere grondslag. Het hof is met de deken van oordeel dat het aanhangig maken van een nieuwe procedure tegen dezelfde partij over feitelijk dezelfde kwestie geen redelijke kans van slagen heeft.
4.4 Dit betekent dat het beklag ongegrond is.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 18 november 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. V. Wolting en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 30 januari 2026.