We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TAHVD:2026:170 Hof van Discipline 's Gravenhage 250420

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:170
Datum uitspraak: 08-06-2026
Datum publicatie: 08-06-2026
Zaaknummer(s): 250420
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Deze zaak gaat over een klacht over de eigen advocaat en houdt in dat de schriftelijke (financiële) voorlichting door (het kantoor van) verweerder aan klaagster bij aanvang en gedurende de rechtsbijstand aan klaagster duidelijker had gemoeten. Tijdens de zaaksbehandeling is verweerder met klaagster blijven communiceren over financiële aangelegenheden. Verweerder is klaagster ook meerdere malen tegemoet gekomen door declaraties te crediteren en gewerkte uren niet (volledig) door te belasten. In het licht van de omstandigheden van het geval is het hof tot het oordeel gekomen dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het hof heeft de raadsbeslissing op dit klachtonderdeel vernietigd.

Beslissing  van 8 juni 2026

in de zaak 250420

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen:

klaagster

gemachtigde: T. van der Vlugt

1 INLEIDING

1.1 Deze zaak gaat over een klacht over de eigen advocaat en houdt in dat de schriftelijke (financiële) voorlichting door (het kantoor van) verweerder aan klaagster bij aanvang en gedurende de rechtsbijstand aan klaagster duidelijker had gemoeten. De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft geoordeeld dat verweerder inderdaad tekort is geschoten in zijn informatieplicht. De raad heeft verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verweerder heeft hiervan beroep ingesteld. Tijdens de zaaksbehandeling is verweerder met klaagster blijven communiceren over financiële aangelegenheden. Verweerder is klaagster ook meerdere malen tegemoet gekomen door declaraties te crediteren en gewerkte uren niet (volledig) door te belasten. In het licht van de omstandigheden van het geval komt het Hof van Discipline (hierna: het hof) tot het oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het hof zal de raadsbeslissing vernietigen.   

1.2 Hethof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en waarom het hof vindt dat het beroep slaagt en de beslissing van de raad niet in stand kan blijven.  

2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 25-525/A/A) een beslissing genomen op 27 oktober 2025. In deze beslissing is de klacht van klager gedeeltelijk gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht en proceskosten.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:200 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 26 november 2025 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:

  • de stukken van de raad

2.5  Het hof heeft de zaak behandeld tijdens de openbare zitting van 13 april 2026. Daar is verweerder verschenen.

3 FEITEN

3.1 Klaagster beschikt over een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 19 oktober 2022 waarbij haar verzoek tot voornaamswijziging is toegewezen. Haar voormalig advocaat (mr. M) heeft klaagster in deze procedure bijgestaan. Omdat de inschrijving van de voornaamswijziging en communicatie hierover vervolgens uitbleef, heeft klaagster zich in de zomer van 2023 gewend tot het kantoor van verweerder (hierna: het kantoor) met het verzoek de behandeling van de zaak van mr. M over te nemen en voor inschrijving van de voornaamswijziging bij de gemeente Den Haag (hierna: de gemeente) zorg te dragen.

3.2 Op 10 juli 2023 heeft klaagster een terugbelverzoek bij het kantoor achtergelaten. De notitie van dit terugbelverzoek luidt:

Ze belde m.b.t. een naamswijziging die ze wil aanvragen. Ze weet van het uurtarief. Svp bellen.”

3.3 Mevrouw V, een juridisch medewerkster van het kantoor (hierna: de juridisch medewerkster), heeft klaagster teruggebeld en de zaak van klaagster onder supervisie van verweerder in behandeling genomen.

3.4  Op 12 juli 2023 heeft de juridisch medewerkster een opdrachtbevestiging aan klaagster gestuurd. Deze luidt, voor zover relevant, als volgt:


“Omschrijving zaak

U wenst uw voornaam te wijzigen van H(…) naar M(…). In het kader daarvan is er namens u   door een andere advocaat een procedure gestart. U gaf aan dat middels een beschikking (…)  uw naamswijziging is uitgesproken door de rechter. Nu heeft u van uw advocaat begrepen dat uw voornaamswijziging niet kan worden ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het lukt u echter niet meer om in contact te komen met uw huidige advocaat, maar u wilt wel  dat de inschrijving van uw voornaamswijziging zo spoedig mogelijk word[t] geregeld. U zou graag willen dat [het kantoor van verweerders] de zaak overneemt en u bijstaat in deze.

Om u zo goed mogelijke te kunnen adviseren ontvang ik graag van u de volgende stukken:

-de beschikking van de rechtbank waarin uw voornaamswijziging is uitgesproken;

-de relevante correspondentie tussen u en uw huidige advocaat;

 -de eventuele brieven van de ambtenaar van de burgerlijke stand waaruit blijkt waarom uw             voornaamswijziging niet kan worden ingeschreven;

-de volledige naam en contactgegevens van uw huidige advocaat.

(…)

Honorarium

Over de honorering van de werkzaamheden hebben we het navolgende afgesproken: Uurtarief van € 195,00 te vermeerderen met 21% B1W en 5% kantoorkosten. Facturering van het honorarium zal maandelijks geschieden. Aan u zal een voorschot in rekening worden gebracht van € 500,- ex btw en kantoorkosten.”

3.5 Op 15 augustus 2023 heeft klaagster een voorschot van € 625,- betaald.

3.6 Bij bestudering van het dossier bleek het de juridisch medewerkster dat de gemeente bij brief van 14 februari 2023 aan klaagster had meegedeeld dat voor de inschrijving naast de beschikking van de rechtbank een volledig afschrift van haar geboorteakte voorzien van vertaling en apostille en (indien van toepassing) een huwelijksakte van haar ouders vereist was.

3.7 Op 19 oktober 2023 heeft de juridisch medewerkster aan de gemeente laten weten dat klaagster inmiddels beschikt over de ontbrekende akten en aan de gemeente gevraagd of met het nasturen van deze documenten de voornaamswijziging alsnog kon worden afgehandeld. Omdat de gemeente niets van zich liet horen heeft de juridisch medewerkster op 27 november 2023 gebeld met de gemeente. Een medewerkster van de gemeente gaf aan dat de gemeente binnen vijf werkdagen alsnog zou reageren. Op 30 november 2023 heeft de juridisch medewerkster vervolgens aan klaagster laten weten dat zij het kantoor zou verlaten en dat de kantoorgenoot de behandeling van de zaak van haar zou overnemen. Op dat moment was de juridisch medewerkster nog in afwachting van een antwoord van de gemeente op haar vraag van 19 oktober 2023.

3.8 Op 12 december 2023 heeft klaagster om een update over haar zaak gevraagd. De kantoorgenoot heeft klaagster op 13 december 2023 geantwoord dat zij haar nog niets had laten weten omdat zij nog in afwachting was van een antwoord van de gemeente. De kantoorgenoot heeft aan klaagster een concept-rappel aan de gemeente voorgelegd met de vraag of klaagster akkoord ging met verzending van deze e-mail aan de gemeente.

3.9  Op 10 januari 2024 heeft klaagster gereageerd op de vraag van de kantoorgenoot. Zij schrijft in haar e-mail:

“Uw e-mail is mij helaas ontgaan. Excuus voor de late reactie, is er ondertussen al iets vernomen van de gemeente? Zo niet, dan heeft u mijn toestemming om de bovenstaande e-mail te verzenden naar de gemeente mocht dit nog nodig zijn. Ik hoor graag hoe het staat met de zaak.”

3.10  Op 16 januari 2024 heeft de gemeente aan de kantoorgenoot bericht dat er scans van beide akten naar de gemeente konden worden gestuurd zodat de gemeente kon beoordelen of de geboorteakte voor inschrijving in aanmerking kwam.

3.11 Op 26 januari 2024 heeft de kantoorgenoot de e-mail van de gemeente aan klaagster doorgestuurd. Daarbij heeft zij klaagster ook gewezen op een aantal openstaande facturen en op het beleid van het kantoor om werkzaamheden die kunnen wachten stil te leggen op het moment dat declaraties niet zijn betaald.

3.12  Op 2 februari 2024 heeft de kantoorgenoot klaagster opnieuw aangeschreven:

 “Ik wil u graag op onderstaande mail wijzen. Zolang deze documenten niet zijn opgestuurd naar de gemeente is uw voornaamwijziging nog niet doorgevoerd bij de Burgerlijke Stand. Zoals u kunt zien ben ik volgende week afwezig. Ik stel voor dat u de komende week de openstaande facturen overmaakt en dat wanneer ik terug ben op kantoor ik hiermee verder aan de slag kan gaan.”

3.13  Op 14 februari 2024 hebben klaagster en de kantoorgenoot telefonisch contact gehad over de openstaande facturen.

3.14   Bij e-mail van 23 februari 2024 heeft de kantoorgenoot klaagster verzocht haar terug te bellen, omdat zij klaagster niet kon bereiken. Op 7 maart 2024 had de kantoorgenoot nog steeds niets van klaagster vernomen en heeft zij klaagster per e-mail laten weten dat zij haar tegemoet wilde komen met betrekking tot de openstaande facturen en dat het haar tijd leek om de stukken naar de gemeente te sturen.

3.15 Op 7 maart 2024 hebben de kantoorgenoot en klaagster telefonisch contact gehad. De kantoorgenoot heeft dit gesprek per e-mail aan klaagster bevestigd:

“Zoals telefonisch besproken zal ik de boekhouder verzoeken de reeds openstaande facturen te crediteren. Daarbij moet ik wel opmerken dat voor het afhandelen van de inschrijving van uw voornaamswijziging u hier nog wel een factuur voor zult ontvangen. U gaf aan dat u het  bedrag dat u reeds heeft betaald aan de hoge kant vindt en om u tegemoet te komen hebben we besproken dat dus de openstaande facturen niet door u betaald hoeven te worden. (…)

Wat betreft de verdere stappen in uw zaak (…) stel ik voor om op de mail van de gemeente d.d. 16 januari 2024 te reageren. Mevrouw (…) heeft aangegeven dat we op voorhand een scan van de documenten kunnen opsturen omdat zij aan de hand van deze documenten kan bezien of de geboorteakte en daarbij uw voornaamswijziging nu wel voor inschrijving inaanmerking komt. Bijgevoegd treft u de scan aan de beëdigde vertaling van de huwelijksakte van uw ouders en de beëdigde vertaling van uw geboorteakte. Ik stel voor deze twee documenten naar de gemeente te versturen met de volgende mail: (…) Ik verneem graag uw akkoord op de mail voor de gemeente.”  

3.16  Op 13 maart 2024 heeft de kantoorgenoot klaagster nogmaals verzocht om zo snel mogelijk akkoord te geven om haar e-mail inclusief de in gescande stukken naar de gemeente te sturen. De kantoorgenoot wees klaagster er op dat zij op haar e-mails moet reageren, zodat alles zo snel mogelijk geregeld kan worden.

3.17  Op 14 maart 2024 heeft klaagster haar akkoord gegeven en heeft de kantoorgenoot haar e-mail met bijlagen aan de gemeente gestuurd. Nadat de gemeente de kantoorgenoot had bericht dat de apostille ontbrak, heeft de kantoorgenoot op 2 april 2024 alsnog de volledige scans van beide akten naar de gemeente gestuurd. Daarna heeft de kantoorgenoot de gemeente op 19 april 2024 gerappelleerd.

3.18 Op 22 april 2024 heeft de kantoorgenoot een reactie van de gemeente ontvangen. De toegezonden documenten kwamen voor inschrijving in aanmerking. Klaagster kon zelfstandig een verzoek doen via de website van de gemeente. De kantoorgenoot heeft de e-mail van de gemeente met instructies diezelfde dag aan klaagster doorgestuurd. Zij schreef aan klaagster:

“U kunt het beste direct een verzoek tot inschrijven bij de gemeente Den Haag doen, aangezien   hier een lange wachttijd voor is. Hiertoe dient u de geboorteakte en de huwelijksakte van uw ouders alsmede de beschikking voornaamswijziging van de rechtbank in te dienen bij de gemeente. De gemeente Den Haag gaat hiermee aan de slag.

In de tussentijd is het van belang dat u de geboorteakte laat registeren in het BRP van de gemeente Amsterdam. [De contactpersoon bij de gemeente] gaf mij aan dat dit in deze gemeente moet omdat u hier staat ingeschreven. Echter, zijn dit twee losse trajecten.

Stap 1 lijkt dus het verzoek om inschrijving van de geboorteakte bij de gemeente Den Haag te doen via de link in onderstaande mail.

Stap 2 lijkt om de gemeente Amsterdam te benaderen om de geboorteakte te laten registeren in de BRP van uw woongemeente. Dit lijkt te moeten op de wijze zoals is aangegeven op de website van de gemeente Amsterdam (…).”

3.19  Op 1 mei 2024 heeft de kantoorgenoot klaagster nogmaals haar e-mail met instructies van 22 april 2024 met de benodigde scans toegezonden en uitgelegd dat zij deze moest uploaden in het portaal van de gemeente. De e-mail luidt als volgt:

“Onderstaande mail heb ik op 22 april 2024 naar u toegestuurd. Hierin treft u ook de stappen die u moet nemen om zowel de buitenlandse akten te laten inschrijven bij de gemeente (…) alsmede de stappen die u dient te nemen met betrekking tot de BRP bij de gemeente Amsterdam. Bijgevoegd treft u ook nogmaals de scans van de akten zodat u deze gemakkelijk kunt uploaden in de portaal van de gemeente.”

3.20 Klaagster heeft een afspraak gemaakt met de gemeente om de akten persoonlijk te overhandigen. De gemeente weigerde echter de documenten in ontvangst te nemen, aangezien deze online via het gemeenteportaal moesten worden ingediend.

3.21 Op 1 mei 2024 heeft klaagster de kantoorgenoot hiervan op de hoogte gebracht en haar gevraagd welke stappen zij moest volgen voor de onlineregistratie. De kantoorgenoot heeft klaagster geantwoord niet bekend te zijn met de details en de e-mail van de gemeente met instructies nogmaals aan klaagster doorgestuurd. Verder heeft de kantoorgenoot klaagster meegedeeld dat wanneer haar hulp alsnog nodig was, zij wel haar uurtarief in rekening moest brengen en dat klaagster daarom wellicht beter geholpen was met de hulp van een maatschappelijk werkster.

3.22  Diezelfde dag, op 1 mei 2024, heeft klaagster een factuur ontvangen voor de werkzaamheden van de kantoorgenoot in april 2024.

3.23 Op 6 mei 2024 heeft klaagster bij het kantoor van verweerder een klacht ingediend over de kantoorgenoot. De kantoorgenoot heeft bij e-mail van 19 mei 2024 inhoudelijk gereageerd op deze klacht.

3.24 Op 29 mei 2024 hebben klaagster en de kantoorgenoot telefonisch contact gehad, waarna de kantoorgenoot de inhoud van dit gesprek per e-mail heeft bevestigd:

“Zojuist hebben wij elkaar telefonisch gesproken over uw brief d.d. 6 mei en mijn reactie hierop. U gaf aan dat u enigszins het gevoel heeft dat u van het kastje naar de muur wordt gestuurd omdat de gemeente  verzoeken. Het klopt dat u een advocaat nodig had om een voornaamswijziging bij de rechtbank te verzoeken. Normaliter verstuurt de rechtbank vervolgens de beschikking met de voornaamswijziging naar de gemeente en stuurt de gemeente uiteindelijk een bevestiging van de inschrijving van de voornaamswijziging naar de advocaat. Bij u verliep dit bij uw vorige          advocaat helaas anders omdat uw Marokkaanse geboorteakte niet leek ingeschreven bij de gemeente (…).

De gemeente (…) heeft na correspondentie met mijn kantoor aangegeven dat u in bezit lijkt te zijn van de juiste documenten om uw Marokkaanse geboorteakte te doen inschrijven bij de gemeente. Daarbij gaf de (…) de gemeente mij aan dat u ook direct de beschikking van uw voornaamswijziging kunt toevoegen zodat ook dit kan worden doorgevoerd. Hiertoe stuurde (…) de gemeente een link naar mij, welke ik naar u heb doorgestuurd. In deze mail van de gemeente geeft zij ook aan dat u zelfstandig een verzoek kan doen (…) via de website van de gemeente Den Haag. Zoals aangegeven kan ik dit dus niet voor u doen. (…) dit kan alleen door u persoonlijk via uw eigen DigiD. (…)

 U gaf aan dat u met een maatschappelijk werker gaat kijken of u er nu wel uit gaat komen. Mocht dit niet het geval zijn dan hebben wij afgesproken dat ik nogmaals contact ga zoeken met (de gemeente) om aan te geven dat het niet lukt om de inschrijving te bewerkstelligen en te vragen naar een concreet en duidelijk stappenplan hoe dan wel.

Na dit gesprek gaf u aan blij te zijn dat ik u had gebeld en dat u zich gehoord voelde. U kon zich vinden in bovengenoemde gang van zaken en u gaf aan contact met mij te zoeken op het moment dat u er ook met de maatschappelijk werker niet uit zou komen.” 

3.25  De kantoorgenoot heeft op 6 juni 2024, 8 juli 2024 en op 30 juli 2024 nog gevraagd naar de stand van zaken omtrent de aanvraag. Op 13 augustus 2024 heeft de afdeling debiteurenbeheer van het kantoor klaagster aangeschreven over de nog openstaande factuur.

3.26  Op 15 augustus 2024 heeft klaagster aan de kantoorgenoot laten weten dat zij het dossier naar de gemeente had opgestuurd en dat zij hoopte op een snelle reactie van de gemeente. 

3.27   Eind augustus 2024 heeft de afdeling debiteurenbeheer van het kantoor met klaagster gebeld over de openstaande factuur. Klaagster heeft toen geantwoord dat de kantoorgenoot had gezegd dat zij de facturen niet meer hoefde te betalen. Hierop heeft de kantoorgenoot klaagster op 21 augustus 2024 als volgt bericht:

“Van onze debiteurenbeheer begreep ik dat ze u telefonisch hadden gesproken vanwege de openstaande factuur ad € 312,54. U heeft hen aangegeven dat ik u zou hebben gezegd dat het u deze niet hoefde te betalen.

Mijns inziens is dit niet op deze manier besproken en heb ik simpelweg aan u uitgelegd waar de factuur vandaan kwam. Ook heb ik u aangegeven dat ik juridisch weinig meer voor u kon doen in uw zaak, aangezien de inschrijving van uw voornaamswijziging slechts nog via een portaal bij de gemeente moet worden aangevraagd. Ik heb u hierover na de laatste factuur van 1 mei 2024 regelmatig gebeld om te vragen wat de stand van zaken is en of ik u hiermee nog          kon helpen. In ons contact van de laatste maanden gaf u aan tevreden te zijn omdat u het gevoel had dat ik met u meedacht en in de gaten hield wat de stand van zaken was in uw dossier. Deze telefoontjes en mailtjes van de laatste 9 maanden heb ik allemaal niet gedeclareerd omdat u aangaf dat u al veel heeft betaal[d] en ik u hierin tegemoet wilde komen.

 In uw laatste mail van 15 augustus gaf u aan dat u alleen nog op een bevestiging van de gemeente wacht dat uw geboorteakte en de voornaamswijziging zijn ingeschreven. Uit deze mail maak ik op dat u dit alles eerder met de maatschappelijk werker heeft opgepakt en dat u mijn werkzaamheden niet langer nodig heeft. De originele akten heeft u reeds op 29 april 2024 opgehaald.

Hoewel ik dus mijns inziens niet met u heb afgesproken dat u de factuur niet hoeft te betalen, ben ik bereid om de factuur af te boeken. Dit is wel op voorwaarde dat we het hierbij laten en beide partijen het boek sluiten. Ik verneem hierop graag uw bevestiging, waarop ik de factuur zal afboeken en het dossier zal sluiten.”

3.28 Op 10 september 2024 heeft klaagster een klacht over de kantoorgenoot ingediend bij de deken.

3.29  Op 18 februari 2025 heeft klaagster ook over verweerder een klacht bij de deken ingediend. De klacht over verweerder betreft de werkzaamheden van de juridisch medewerkster. Aangezien die geen advocaat is, is de klacht gericht tegen verweerder onder wiens supervisie de juridisch medewerkster haar werkzaamheden heeft uitgevoerd. Zij is inmiddels niet meer in dienst bij het kantoor. Verwijzingen in deze beslissing naar de juridisch medewerkster dienen voor de inhoudelijke beoordeling van onderhavige klacht dan ook te worden gelezen als een verwijzing naar verweerder.

4 KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep aan de orde, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder dat:

a)   (..)  

b)    de juridisch medewerkster klaagster (onder supervisie van verweerder) onjuist en onvoldoende heeft geïnformeerd over de kosten en over de wijze waarop de declaraties tot stand zijn gekomen.

c)   (..)

5 BEOORDELING RAAD

5.1 Met betrekking tot klachtonderdeel b) heeft klaagster gesteld dat zij onvoldoende is geïnformeerd over de kosten van haar zaak. De juridisch medewerkster had klaagster moeten informeren dat zij de handelingen zelf had kunnen doen, zonder hulp van een advocaat.

5.2 De raad heeft in dit verband overwogen dat ingevolge gedragsregel 16 een advocaat ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt dient te bevestigen. De raad heeft in de opdrachtbevestiging of een andere e-mail aan klaagster een overzicht gemist van de mogelijke juridische stappen, een advisering over de daarbij behorende kansen en risico’s en een inschatting van de daaraan verbonden kosten. Dit was van belang, aangezien verweerder en de kantoorgenoot ter zitting hebben betoogd dat in dit soort zaken de aanvraag om naamswijziging bij de rechtbank vaak redelijk snel gaat, maar de inschrijving bij de gemeente dikwijls veel langer duurt en de werkzaamheden bovendien ook zonder bijstand van een advocaat verricht hadden kunnen worden. Door het ontbreken van deze schriftelijke voorlichting zijn bij klaagster onjuiste verwachtingen ontstaan over de slagingskansen en (financiële) gevolgen van de werkzaamheden tot inschrijving van de voornaamswijziging. De raad heeft geoordeeld dat verweerder hiermee klachtwaardig is tekortgeschoten in zijn informatieplicht, zoals bedoeld in gedragsregel 16.

5.3 De raad heeft klachtonderdeel b) gegrond verklaard en aan verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd.

6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder

6.1 Het beroep van verweerder is gericht tegen de randnummers 5.14 en 5.15 van de beslissing van de raad en de opgelegde maatregel van waarschuwing. Verweerder heeft – samengevat – het volgende aangevoerd:

Beroepsgrond 1

6.2 Volgens verweerder heeft de raad een te vergaande uitleg van gedragsregel 16 gehanteerd en daarmee een verkeerde maatstaf toegepast. Gedragsregel 16 schrijft volgens verweerder niet voor dat een advocaat in de opdrachtbevestiging een gedetailleerd overzicht van alle mogelijke juridische stappen, een volledige risicoanalyse en een precieze kosteninschatting moet opnemen. Het gaat erom dat belangrijke informatie en afspraken worden vastgelegd ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil. Volgens verweerder heeft het hof dit op 2 augustus 2024 bevestigd (ECLI:NL:TAHVD:2024:235 (randnummer 8.2)).

6.3 In de opdrachtbevestiging van 12 juli 2023 zijn de volgende essentiële zaken schriftelijk vastgelegd:

• De aard van de opdracht: "U zou graag willen dat Van der Kooij Besters Advocaten de zaak overneemt en u bijstaat in deze."

• Het uurtarief:€ 195,- excl. btw en kantoorkosten

• De factureringsfrequentie: maandelijks

• Het voorschot: € 500,- excl. btw

• De wijze van noteren: tijdseenheden van 6 minuten

• Toevoeging: klaagster is gewezen op het bestaan van door de staat gefinancierde

rechtsbijstand en heeft bevestigd dat zij het uurtarief begrijpt en daarmee akkoord gaat.

Dit komt volgens verweerder overeen met de uitspraak van het hof van 2 augustus 2024. Klaagster wist wat er zou gebeuren (overname zaak, bijstand bij inschrijving voornaamswijziging), hoe er zou worden gefactureerd (maandelijks, per 6 minuten, uurtarief van € 195,-), en wat de eerste kosten zouden zijn (voorschot € 635,- incl. btw). Volgens verweerder blijkt niet uit het dossier dat bij klaagster enig misverstand of onduidelijkheid is ontstaan over de aard van de te verlenen bijstand, de wijze van declareren of de hoogte van het uurtarief. Klaagster heeft het voorschot betaald zonder bezwaar, maandelijkse facturen ontvangen met urenspecificatie, gedurende ruim een jaar (juli 2023 – augustus 2024) niet geklaagd over enig gebrek aan informatie. De klacht ontstond toen het kantoor van verweerder ging aandringen op betaling van de openstaande facturen en nadat klaagster te horen kreeg dat verdere werkzaamheden weer tegen het uurtarief zouden worden gefactureerd.

Ook toen is het kantoor voor klaagster blijven werken en is voorgesteld aan klaagster dat zij de laatste nota niet hoefde te voldoen. Hieruit volgt niet dat klaagster onvoldoende was geïnformeerd aldus verweerder. De raad heeft volgens verweerder niet duidelijk gemaakt waaruit blijkt dat bij klaagster onjuiste verwachtingen zijn ontstaan over de slagingskansen en (financiële) gevolgen van de werkzaamheden tot inschrijving van de voornaamswijziging. Bij aanvang kon nog niets gezegd worden over de slagingskans.

Beroepsgrond 2

6.4 Door de aard van de opdracht (overname van een zaak over een naamswijziging) was bij aanvang van de zaak een gedetailleerde kosteninschatting onmogelijk volgens verweerder omdat onduidelijk was wat de vorige advocaat (niet) had gedaan.  Het dossier moest worden opgevraagd bij de vorige advocaat en de stukken moesten worden bestudeerd. Als kostenindicatie heeft het kantoor gekozen voor het systeem van het declareren van een voorschot en vervolgens het sturen van maandelijks factureren met urenspecificatie. Dit systeem bood helderheid aan klaagster aldus verweerder.

Gedurende de behandeling is het kantoor met klaagster in gesprek gebleven over de kosten en openstaande facturen waarbij ook is aangeboden facturen te crediteren. Dit toont volgens verweerder dat het kantoor aandacht had voor de financiële situatie van klaagster en heeft gehandeld overeenkomstig gedragsregel 17.  

Beroepsgrond 3

6.5 Onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van Discipline Den Bosch (ECLI:NL:TADRSHE:2025:92) stelt verweerder dat er geen gedragsregel of jurisprudentie is die advocaten verplicht om cliënten actief te wijzen op het feit dat bepaalde handelingen ook zonder advocaat kunnen worden verricht. Daarbij had klaagster zelf om rechtsbijstand van het kantoor van verweerder gevraagd. Klaagster is er op 1 en 15 mei 2024 op gewezen dat zij de laatste stap (uploaden van de documenten in de gemeenteportal) zelf kon doen.

Beroepsgrond 4

6.6 Verweerder stelt dat er niet excessief is gedeclareerd. Wat is gedeclareerd staat volgens verweerder in verhouding tot de verrichte werkzaamheden, waarbij ook veel werkzaamheden niet zijn doorbelast. Uit de urenspecificaties en e-mailwisselingen blijkt volgens verweerder dat noodzakelijke werkzaamheden zijn gedeclareerd en geen simpele administratieve zoals klaagster aanvoert. De vergelijking die klaagster maakt met fixed-fee pakketten van andere kantoren gaat volgens verweerder niet op omdat met klaagster een opdracht op uurtarief was overeengekomen.

Beroepsgrond 5

6.7 Verweerder voert aan dat het oordeel van de raad dat door het ontbreken van schriftelijke voorlichting bij klaagster onjuiste verwachtingen zijn ontstaan over de slagingskansen en (financiële) gevolgen niet is onderbouwd. Niet is komen vast te staan welke onjuiste verwachtingen klaagster had en dat die door een gebrek aan informatie van (het kantoor van) verweerder zijn ontstaan. Er is gedurende ruim een jaar maandelijks gefactureerd met urenspecificatie. Klaagster heeft pas op 11 februari 2025 aangegeven dat de werkzaamheden gratis hadden moeten zijn. Die verwachting is nooit gewekt omdat in het allereerste contact al het uurtarief is gemeld en altijd duidelijk is geweest dat er kosten verbonden waren aan de werkzaamheden. De door klaagster gestelde schade in de vorm van verlopen stukken en extra kosten is niet komen vast te staan.
Beroepsgrond 6

6.8 Primair is verweerder van mening dat hij geen gedragsregels of kernwaarden heeft geschonden. Subsidiair stelt verweerder dat het opleggen van de maatregel van een waarschuwing niet proportioneel is gelet op de doorlopende informatie via maandelijkse facturen, de actieve begeleiding van klaagster, de getoonde coulance en crediteringen, het feit dat geen schade is geleden door klaagster en er gedurende de behandeling van de zaak geen sprake was van enig misverstand of geschil.  

7 BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

7.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.

7.3 Zowel uit vaste jurisprudentie van het hof als uit Regel 16 van de Gedragsregels advocatuur 2018 (verder: gedragsregel 16) volgt dat het tot de taak van de advocaat behoort om belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Indien zich na de opdrachtbevestiging en met de cliënt besproken strategie ontwikkelingen voordoen die tot andere inzichten leiden, dient de advocaat dat met zijn cliënt te bespreken en hem zorgvuldig te adviseren. Daarbij moet de advocaat zich ervan vergewissen of de cliënt alles goed heeft begrepen en of hij de gevolgen van de gekozen strategie voldoende overziet. Zo nodig moet hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt bevestigen. De cliënt kan de advocaat niet verantwoordelijk houden voor een negatieve afloop, maar er moet wel als het ware een ‘informed consent’ zijn; de cliënt moet zich bewust zijn van de risico’s die aan bepaalde keuzes kleven.

Overwegingen hof

7.4 Verweerder heeft aangevoerd dat de aan klaagster op 12 juli 2023 toegestuurde opdrachtbevestiging voldoet aan de eisen die het hof daaraan stelt (Hof van Discipline  2 augustus 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:235). In deze uitspraak heeft het hof bepaald dat het schriftelijk vastleggen van de kansen, risico’s en een plan van aanpak in een opdrachtbevestiging niet dwingend is voorgeschreven. Waar het om gaat is dat de advocaat belangrijke (ook financiële) informatie en afspraken steeds schriftelijk vastlegt zodat daarover geen misverstand, onzekerheid of geschil kan ontstaan.

7.5 Hoewel aan verweerder kan worden toegegeven dat de essentiële componenten in de opdrachtbevestiging aan klaagster staan (aard van de opdracht, uurtarief, wijze van declareren) is het hof van mening dat verweerder gedurende de bijstand aan klaagster duidelijker over de kosten had moeten zijn. Verweerder had bij aanvang van de werkzaamheden een globale urenschatting kunnen en moeten geven. Daarvoor hoefde verweerder niet over alle stukken van klaagster te beschikken omdat het kantoor van verweerder vaker voornaamswijzigingen behandelt en verweerder daarom in staat moet worden geacht om een inschatting te geven. Het vragen van een periodiek voorschot gevolgd door facturen met urenspecificatie, zoals verweerder heeft gedaan,
– wat daar verder ook van zij – vangt deze omissie niet op.

7.6 Daar staat echter tegenover dat klaagster de kosten pas aan de orde heeft gesteld toen de werkzaamheden in haar dossier al voor een groot deel waren afgerond. Ook heeft klaagster, zoals hiervoor aangegeven, tussentijds declaraties met urenspecificatie van verweerder ontvangen.  Hierdoor is klaagster gedurende de behandeling van haar zaak door verweerder niet in het ongewisse gelaten over de kosten en de verrichte werkzaamheden. Ook is verweerder, ondanks de discussie over de openstaande declaraties en nadat klaagster op 6 mei 2024 bij het kantoor van verweerder een klacht had ingediend, de belangen van klaagster blijven behartigen en is verweerder met klaagster in gesprek gebleven over de declaraties, waarbij verweerder uit coulance een deel van de kosten heeft gecrediteerd en een deel van de gewerkte uren niet heeft doorbelast. Verweerder heeft hiermee adequaat en passend gereageerd op de bij klaagster ontstane onrust over de kosten en de tekorten in de opdrachtbevestiging en wel zo dat hij naar het oordeel van het hof, alle omstandigheden in aanmerking nemende, niet tekortgeschoten is in de zorg die hij als advocaat behoorde te betrachten jegens klaagster. Het hof voegt daar nog aan toe dat niet is gebleken dat klaagster daadwerkelijk schade heeft ondervonden door de niet-optimale wijze van communiceren van verweerder over de kosten.

7.7 In tegenstelling tot wat de raad heeft overwogen was verweerder naar het oordeel van het hof niet gehouden om klaagster erop te wijzen dat zij de registratie van haar voornaamswijziging ook zonder advocaat kon regelen. In de opdrachtbevestiging van 12 juli 2023 staat dat klaagster verweerder heeft benaderd met het verzoek haar hierin bij te staan. Klaagster heeft dit ook niet weersproken. Daarom was verweerder niet – ook niet op grond van enige gedragsregel of andere tuchtrechtelijke norm – gehouden eigener beweging klaagster te informeren dat zij de registratie ook zelf kon realiseren. Daarbij heeft verweerder – nadat klaagster over de declaraties was begonnen – klaagster op 1 en 15 mei 2024 laten weten dat zij de laatste stap (het uploaden van documenten in de gemeenteportal) ook zelf kon doen.

Slotsom

7.8 Het voorgaande leidt ertoe dat het beroep van verweerder slaagt. Het hof zal de beslissing van de raad – voor zover klachtonderdeel b) gegrond is verklaard en aan verweerder een maatregel en proceskostenveroordeling is opgelegd – vernietigen en voor het overige bekrachtigen.

8 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

8.1 vernietigt de beslissing van 27 oktober 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, genomen onder nummer 25-525/A/A, voor zover daarin klachtonderdeel b) gegrond is verklaard en aan verweerder een maatregel en een proceskostenveroordeling zijn opgelegd;

en doet opnieuw recht:

8.2 verklaart klachtonderdeel b) ongegrond;  

8.3 bekrachtigt de beslissing van 27 oktober 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, genomen onder nummer 25-525/A/A, voor zover daarin de klachtonderdelen a) en c) ongegrond zijn verklaard.

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. M.F. Baaij en R.N.E. Visser, leden, in tegenwoordigheid van E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.

griffier                                                                                                       voorzitter         

De beslissing is verzonden op 8 juni 2026.