ECLI:NL:TADRSHE:2026:82 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-450/DB/ZWB
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:82 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-07-2026 |
| Datum publicatie: | 07-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-450/DB/ZWB |
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening op grond van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet niet-ontvankelijk wegens tijdsverloop. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch
van 7 juli 2026
in de zaak 26-450/DB/ZWB
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
De voorzitter van de raad van discipline heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 28 mei 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: de deken) met kenmerk K26-042, van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 10 en de volgende nagekomen stukken:
- het nagekomen e-mailbericht met bijlagen van klaagster van 1 juni 2026;
- het nagekomen e-mailbericht met bijlagen van verweerster van 3 juni 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster heeft zich in november 2020 in een kwestie ter zake internationale kinderontvoering tot verweerster gewend voor rechtsbijstand.
1.2 Klaagster heeft zich ook tot een andere advocaat, mr. S, gewend. Bij e-mailbericht van 29 december 2020 heeft mr. S aan verweerster verzocht om het dossier aan haar over te dragen. Verweerster heeft aan dit verzoek voldaan, waarna zij zich op 4 januari 2021 heeft onttrokken.
1.3 Op 13 februari 2026 heeft klaagster tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.
2 KLACHT
- De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:
1. Verweerster was onvoldoende deskundig en had onjuiste rechtsopvattingen;
2. Verweerster heeft nagelaten om spoedmaatregelen te treffen;
3. Verweerster heeft het dossier onvoldoende geanalyseerd, heeft feitelijke onjuistheden overgenomen en heeft cruciaal bewijs niet benut;
4. Verweerster heeft de zorgplicht geschonden door geen noodzakelijke rechtsmiddelen in te stellen ondanks evidente procesfouten en ernstige gevolgen;
5. Verweerster heeft klaagsters belangen onvoldoende behartigd waardoor klaagsters rechtspositie is verzwakt met verstrekkende gevolgen.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Ontvankelijkheid
De voorzitter stelt vast dat de klacht betrekking heeft op het optreden van verweerster in de periode november 2020 (aanvang rechtsbijstand) tot 4 januari 2021 (einde rechtsbijstand). De voorzitter overweegt dat een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klaagster op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klaagster uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klaagster een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klaagster pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klaagster van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten in het verleden.
4.2 Klaagster heeft zich op 13 februari 2026 met een klacht over verweerster tot de deken gewend. De klacht ziet op het optreden van verweerster in de periode november 2020 (aanvang rechtsbijstand) tot 4 januari 2021 (einde rechtsbijstand). Dat betekent dat klaagster niet in de klacht kan worden ontvangen. Niet is gebleken dat klaagster niet eerder dan op 13 februari 2026 heeft kunnen klagen. Van bijzondere omstandigheden waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn is naar het oordeel van de voorzitter geen sprake. Dat klaagster van april 2022 tot augustus 2025 in detentie heeft verbleven, geldt niet als een dergelijke bijzondere omstandigheid. Dat sprake zou zijn van de in artikel 46g lid 2 Advocatenwet bedoelde situatie is niet gesteld noch gebleken.
4.3 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet in alle onderdelen niet-ontvankelijk verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet, in alle onderdelen niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 7 juli 2026