ECLI:NL:TADRSHE:2026:73 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-294/DB/LI

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:73
Datum uitspraak: 09-06-2026
Datum publicatie: 09-06-2026
Zaaknummer(s): 26-294/DB/LI
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. Klaagster verwijt verweerder dat hij namens NN in de randnummer 38 tot en met 41 van de conclusie van antwoord van 10 juli 2025 een apert onjuist en onpleitbaar verweer gevoerd en gehandhaafd. Verweerder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. De voorzitter is van oordeel dat verweerder genoegzaam gemotiveerd heeft toegelicht dat en waarom hij het nodig vond om in de gerechtelijke procedure de rechtsgeldigheid van de cessie te betwisten en dit verweer (ook nadat klaagster nadere stukken had ingediend) te handhaven. Niet gebleken dat verweerder de grenzen van de aan hem, in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden.  Kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch
van 9 juni 2026

in de zaak 26-294/DB/LI


naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

vertegenwoordigd door: 


over:

verweerder

De voorzitter van de raad van discipline heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 31 maart 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) met kenmerk K25-101 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7.  

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Tussen klaagster en NN, is sprake (geweest) van een geschil. NN is in dit geschil bijgestaan door verweerder. Het geschil had betrekking op een akte van cessie. Het geschil is onderwerp geweest van een gerechtelijke procedure bij de rechtbank Den Haag.

1.2 Op 22 april 2025 heeft klaagster NN doen dagvaarden. Klaagster heeft uit hoofde van de akte van cessie gevorderd om NN te veroordelen tot betaling van een bedrag van (in hoofdsom) € 15.248,05, te vermeerderen met wettelijke rente en de proceskosten.

1.3 Verweerder heeft op 10 juli 2025 namens NN een conclusie van antwoord ingediend, waarin hij namens NN de rechtsgeldigheid van de akte van cessie als volgt heeft betwist:

“(38) Primair valt op dat er geen goede reden was om de vordering die de oorspronkelijke rechthebbende had over te dragen aan haar eigen belangenbehartiger.

(39) [NN] had al vele maanden aangegeven dat zij bereid was om de vordering te voldoen en wachtte uitsluitend op de bankgegevens van de rechthebbende.

(40) De akte van cessie bevat verder geen beschreven titel en evenmin een koopprijs. Niet alleen is geen goede reden te verzinnen om de vordering over te dragen, noch uit de akte zelf, noch uit een nadere toelichting blijkt een reden voor overdracht van de vordering.

(41) Op geen enkele wijze zijn aanwijzingen te vinden dat er sprake is geweest van wilsovereenstemming tussen de partijen die de overeenkomst aangegaan zouden zijn, behoudens dan de handtekeningen.

(42) [NN] meent dat de handtekening op identiteitsbewijs van de oorspronkelijke rechthebbende niet bepaald goede gelijkenis vertoont met de handtekening op de akte van cessie.

(43) Op identiteitsbewijs gaat het om de volgende handtekening:

“[afbeelding handtekening]”

(44) Op de akte van cessie prijkt deze handtekening:

“[afbeelding handtekening]”

(45) Het is gerechtvaardigd dat [NN] om nader bewijs vraagt als het gaat om juistheid van de akte van cessie opgenomen handtekening. De handtekeningen verschillen immers aanzienlijk.

(46) [NN] betwist de rechtsgeldigheid van de akte van cessie en daarmee het bestaan van de vordering van eiser. “

1.4 Op 8 oktober 2025 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Voorafgaand aan de comparitie heeft klaagster nadere stukken ter onderbouwing van de vordering in het geding gebracht. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder namens NN het in de randnummers 42 tot en met 45 gevoerde verweer ingetrokken. Het in de randnummers 39 tot en met 41 en in randnummer 46 gevoerde verweer is gehandhaafd.

1.5 Op 13 oktober 2025 heeft klaagster tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland. Bij beslissing 30 oktober 2025 (kenmerk 250353) heeft de voorzitter van het Hof van Discipline voor onderzoek en afhandeling van de klacht de deken van de orde van advocaten in het arrondissement Limburg aangewezen.

1.6 Bij vonnis van 11 december 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:23585) heeft de rechtbank Den Haag onder meer het volgende overwogen:

“(4.5) Met NN is de kantonrechter van oordeel dat de handtekening op de akte die volgens [klaagster] van [naam 3] is, zeer vaag is en voor zover deze zichtbaar is aanzienlijk afwijkt van die op het door NN in het geding gebrachte (en niet door [klaagster] betwiste) identiteitsbewijs van [naam 3] . De verschillen tussen de beide handtekeningen – voor zover de handtekeningen op de aktes zichtbaar zijn – is zodanig dat de kantonrechter de twijfels van NN gerechtvaardigd acht. Andere door NN genoemde omstandigheden, die op zichzelf niet in de weg staan aan een geldige cessie (zoals: dat er geen duidelijke reden lijkt te bestaan voor een cessie, dat door [klaagster] betaling wordt gevraagd op een (niet-afgeschermde) rekening van een andere vennootschap van [naam 2] en de weigering van [klaagster] om direct contact met [naam 3] om de twijfel weg te nemen) versterken de door de handtekeningen gerezen twijfels. Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat door [klaagster] met de bij dagvaarding overgelegde stukken onvoldoende is onderbouwd dat sprake van een rechtsgeldige akte.

(4.6) [Klaagster] heeft echter voorafgaand aan de mondelinge behandeling stukken in het geding gebracht waarmee zij haar stelling omtrent de cessie nader onderbouwt. Blijkens de overgelegde email van [klaagster] aan [naam 3] van 24 juli 2025, heeft [klaagster] haar (in het Nederlands met een Slowaakse vertaling) bericht dat NN heeft gesteld dat haar handtekening op haar legitimatiebewijs afwijkt van haar handtekening op de overeenkomst van cessie en dat [klaagster]  nu moet aantonen dat zij ( [naam 3] ) de overeenkomst van cessie heeft ondertekend. Bij dit bericht zijn gevoegd de akte van cessie in het Nederlands en Slowaaks en de email die [naam 3] op 10 maart 2025 aan [klaagster] heeft gestuurd waarbij zij de getekende akten heeft gevoegd. [klaagster] heeft [naam 3] gevraagd om naar een plaatselijke notaris te gaan en deze bijlage te tonen en te verklaren dat zij haar handtekening heeft geplaatst. Uit de overgelegde kopie van een gelegaliseerde verklaring (met Nederlandse vertaling) volgt dat [naam 3] heeft verklaard dat zij op de Nederlandse en Slowaakse akte van cessie van 7 maart 2025 (waarvan een kopie is aangehecht) haar handtekening heeft geplaatst.

(4.7) De kantonrechter is van oordeel dat [klaagster]  daarmee voldoende heeft onderbouwd dat [naam 3] haar rechten aan [klaagster] heeft gecedeerd. De overige door NN genoemde omstandigheden, kunnen wellicht leiden tot vragen over nut en noodzaak van deze cessie maar staan er niet aan in de weg aan in de weg dat sprake van een rechtsgeldige akte van cessie en is voldaan aan het eerste vereiste van artikel 3:94 BW.

(4.8) Het tweede vereiste betreft de mededeling van de cessie. De wijze waarop de mededeling van de cessie plaats moet vinden is vormvrij en kan dus in iedere vorm geschieden. Dat met het hiervoor onder 2.6 genoemde mailbericht mededing is gedaan aan NN, is door NN niet betwist zodat dat vaststaat.

(4.9) Met de door [klaagster] voorafgaand aan de mondelinge behandeling in het geding gebrachte stukken is vast komen te staan dat aan beide vereisten van artikel 3:94 BW is voldaan (akte van cessie en mededeling) en er een rechtsgeldige overdracht van de vordering van [naam 3] op NN heeft plaatsgevonden aan [klaagster]. Het gevolg daarvan is dat NN aan [klaagster] een bedrag van € 15.000,00 dient te betalen zijnde de aan [naam 3] toekomende vergoeding wegens affectieschade.”

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:

Verweerder heeft namens NN in de randnummer 38 tot en met 41 van de conclusie van antwoord van 10 juli 2025 een apert onjuist en onpleitbaar verweer gevoerd en gehandhaafd.

3 VERWEER

3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING

4.1 Toetsingskader

Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

4.2 Beoordeling                                                                                                                       

Klaagster verwijt verweerder dat hij namens NN in de randnummer 38 tot en met 41 van de conclusie van antwoord van 10 juli 2025 een apert onjuist en onpleitbaar verweer gevoerd en gehandhaafd. Verweerder heeft de klacht gemotiveerd weersproken.

4.3 De voorzitter overweegt als volgt. Het door verweerder namens zijn cliënte gevoerde (en gehandhaafde) verweer komt er – samengevat – op neer dat onvoldoende vaststaat dat de oorspronkelijke rechthebbende zich in voldoende mate heeft gerealiseerd wat haar rechten waren en dat zij daadwerkelijk en welbewust haar vordering heeft overgedragen. Naar het oordeel van de voorzitter kan verweerder van het namens zijn cliënte voeren (en handhaven) van dit verweer geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Het was de taak van verweerder om de belangen van zijn cliënte te behartigen. In dat verband stond het verweerder vrij om op basis van de van zijn cliënte verkregen informatie in de gerechtelijke procedure de standpunten van zijn cliënte naar voren te brengen. Ook stond het verweerder vrij om namens zijn cliënte de conclusie van antwoord in te richten op een wijze die hem, met het oog op de door hem te behartigen belangen, juist voor kwam. De voorzitter is van oordeel dat verweerder genoegzaam gemotiveerd heeft toegelicht dat en waarom hij het nodig vond om in de gerechtelijke procedure de rechtsgeldigheid van de cessie te betwisten en dit verweer (ook nadat klaagster nadere stukken had ingediend) te handhaven.

4.4 Dat klaagster zich niet in het door verweerder namens NN gevoerde verweer kan vinden, betekent nog niet dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Naar het oordeel van de voorzitter is niet gebleken dat verweerder feiten heeft geponeerd waarvan hij de onjuistheid kende of behoorde te kennen, noch dat hij een apert onjuist en onpleitbaar verweer heeft gevoerd. Indien en voor zover klaagster het met het door verweerder gevoerde verweer en geponeerde stellingen niet eens was of deze naar de mening van klaagster feitelijke onjuistheden bevatten, kon zij daarop in de civiele procedure reageren. De procedure bij de raad van discipline is er niet voor bedoeld om de reeds gevoerde civiele procedure over te doen. Het was aan de civiele rechter, en thans niet aan de tuchtrechter, om te oordelen over de geschilpunten die partijen in het civielrechtelijk geschil verdeeld hielden. Niet is gebleken dat verweerder met het gevoerde verweer de belangen van klaagster onnodig of onevenredig heeft geschaad. Dat de rechtbank bij vonnis van 11 december 2025 het door verweerder namens NN gevoerde verweer heeft gepasseerd, maakt dit niet anders. Het enkele feit dat klaagster door de civiele rechter in het gelijk is gesteld maakt immers niet dat het voeren en handhaven van het door verweerder gevoerde verweer niet gerechtvaardigd was.

4.5 De voorzitter komt tot de slotsom dat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat verweerder de grenzen van de aan hem, in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden. De voorzitter zal de klacht op grond van het voorgaande kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

-      de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.

Griffier                                                            Voorzitter

Verzonden op: 9 juni 2026