ECLI:NL:TADRSHE:2026:72 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-374/DB/ZWB

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:72
Datum uitspraak: 09-06-2026
Datum publicatie: 09-06-2026
Zaaknummer(s): 26-374/DB/ZWB
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht van een derde over de uitlating van een advocaat op een zitting. Verweerder heeft het dienstig mogen achten om toe te lichten wat de ervaringen van de VvE zijn met de bewoner van het appartement, die kennelijk klaagster betreft. Meegewogen wordt dat de naam van klaagster daarbij niet is genoemd, zodat de uitlating ook niet direct aan de persoon van klaagster werd gekoppeld. Klacht kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch
van 9 juni 2026

in de zaak 26-374/DB/ZWB


naar aanleiding van de klacht van:

klager


over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: de deken) van 29 april 2026 met kenmerk K26-028 en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 6.

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.1

1.1 Klager huurt een appartement in een flatgebouw, dat een vereniging van eigenaren (hierna: VvE) heeft. Tussen de verhuurster van het appartement en de VvE loopt een procedure bij de kantonrechter. Verweerder treedt daarin op als advocaat van de VvE. Klager is daarin geen procespartij.

1.2 Uit het proces-verbaal van de zitting van 14 november volgt dat verweerder onder meer heeft gezegd:

(…) We hebben namens de VvE 10 jaar geleden schikkingsvoorstel gedaan of 7 jaar geleden. Er is rust nodig. De bewoner van het appartement is wel lastig en die terroriseert de flat. Zij woont er zelf niet. De laatste 10 jaar niet. (…)”

1.3 Op 13 februari 2026 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder zich onnodig kwetsend over haar te hebben uitgelaten.

3 VERWEER

3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden, zoals onafhankelijkheid, (financiële) integriteit, partijdigheid en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. 

Beoordeling

4.2 Aan verweerder komt veel vrijheid toe om te doen wat in het belang van zijn cliënte nodig is. Daarbij mag hij de belangen van derden niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden, bijvoorbeeld door zich onnodig kwetsend uit te laten over anderen. Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder de aan hem toekomende vrijheid heeft overschreden. Verweerder heeft het dienstig mogen achten om toe te lichten wat de ervaringen van de VvE zijn met de bewoner van het appartement, die kennelijk klager betreft. De uitlating kan dus weliswaar als kwetsend worden opgevat, maar niet wordt ingezien dat deze onnodig kwetsend was. De voorzitter weegt daarin mee dat verweerder de naam van klager tijdens de betreffende zitting niet heeft genoemd, zodat de uitlating ook niet direct aan de persoon van klager werd gekoppeld. De klacht is kennelijk ongegrond.

BESLISSING

De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. M.A. de Vlieger, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.

Griffier                                                            Voorzitter

Verzonden op: 9 juni 2026