We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRSHE:2026:69 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-329/DB/ZWB

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:69
Datum uitspraak: 09-06-2026
Datum publicatie: 09-06-2026
Zaaknummer(s): 26-329/DB/ZWB
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in overige hoedanigheden
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over een advocaat i de hoedanigheid van klachtenfunctionaris. Verweerster kan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt van de wijze waarop zij de klacht heeft behandeld. Kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch
van 9 juni 2026

in de zaak 26-329/DB/ZWB


naar aanleiding van de klacht van:

klager


over:

verweerster

De voorzitter van de raad van discipline heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 15 april 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: de deken) met kenmerk K25-096, van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 9, van de nagekomen e-mail van klager van 28 april 2026 en van de nagekomen e-mail met bijlagen van klager van 17 april 2026.  

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Klager is in een geschil met zijn ex-partner bijgestaan door verweersters kantoorgenoot mr. K.

1.2 Bij e-mail van 8 september 2025 heeft klager op grond van de interne klachtenregeling een klacht ingediend over mr. K. Verweerster heeft deze klacht in behandeling genomen in haar hoedanigheid van klachtenfunctionaris.

1.3 Bij e-mail van 10 september 2025 heeft verweerster de ontvangst van de klacht bevestigd en klager uitgenodigd voor een gesprek. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 17 september 2025. Tijdens dit gesprek hebben klager en verweerster gesproken over mogelijke oplossingen van de klacht en heeft klager aangegeven dat de kwestie – onder meer - zou kunnen worden opgelost als mr. K een andere advocaat zou voordragen aan klager.

1.4 Vervolgens heeft verweerster de klacht met mr. K besproken. Bij e-mail van 23 september 2025 heeft verweerster klager geïnformeerd over hetgeen zij met mr. K had besproken. Ook heeft verweerster klager laten weten dat mr. K contact had gezocht met een andere advocaat, mr. X, die bereid bleek om klagers zaak met klager te bespreken.

1.5 Bij e-mail van op 26 september 2025 heeft klager verweerster verzocht om een tijdige en zorgvuldige afhandeling van de klacht. Bij e-mail van 8 oktober 2025 heeft verweerster klager bericht dat de inhoud van klagers e-mail haar had verbaasd, nu zij in de veronderstelling verkeerde dat de klacht reeds was afgehandeld, gezien het feit dat mr. K inmiddels mr. X aan klager had voorgedragen. Verweerster heeft klager bericht dat zij verder als klachtenfunctionaris niets meer kon betekenen voor klager.

1.6 Op 22 oktober 2025 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:

1. Verweerster is niet onafhankelijk en objectief in haar rol van klachtenfunctionaris omdat het een klacht over een kantoorgenoot betreft;

2. Verweerster heeft zonder klagers toestemming het dossier besproken met een andere advocaat (mr. X);

3. Verweerster heeft de klacht niet inhoudelijk, niet zorgvuldig en niet voortvarend behandeld;

4. Verweerster heeft klager niet geïnformeerd over de status, de vervolgstappen en de beoordeling.

3 VERWEER

3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING

4.1 Toetsingskader

De klacht heeft betrekking op het optreden van verweerster in haar hoedanigheid van klachtenfunctionaris. Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook volledig gelden wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, terwijl er wel voldoende aanknopingspunten zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening van het beroep van advocaat. Zijn die aanknopingspunten er niet, of niet voldoende, dan beoordeelt de tuchtrechter slechts of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.

4.2 Beoordeling                                                                                                                     

Klachtonderdelen 1, 3 en 4: behandeling klacht

De klachtonderdelen 1, 3 en 4 hangen met elkaar samen en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Klager verwijt verweerster in de eerste plaats dat zij niet onafhankelijk en objectief is in haar rol van klachtenfunctionaris omdat de klacht betrekking had op haar kantoorgenoot. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond. Op grond van de Verordering op de Advocatuur (Voda) geldt nu juist als uitgangspunt van klachtbehandeling dat wanneer een cliënt een klacht heeft, deze klacht allereerst intern, dat wil zeggen door het kantoor van de betrokken advocaat, wordt behandeld. Dat verweerster een kantoorgenoot is van mr. K betekent niet automatisch dat zij in haar rol van klachtenfunctionaris niet onafhankelijk en objectief kan optreden en vormt geen aanleiding voor het maken van een tuchtrechtelijk verwijt.

4.3 De deken heeft geconstateerd dat de kantoorklachtenregeling niet voldoet aan de in de Voda gestelde eisen en heeft aangekondigd om, in het kader van zijn ambtshalve toezicht, het kantoor hierop aan te spreken. De onderhavige klacht van klager ziet echter niet op de inhoud van de kantoorklachtenregeling, maar op de wijze waarop verweerster de interne klacht van klager heeft behandeld. Het enkele feit dat de kantoorklachtenregeling (mogelijk) niet voldoet aan de in de Voda gestelde eisen, betekent niet automatisch dat verweerster van de wijze waarop zij de klacht heeft behandeld een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

4.4 De voorzitter is op grond van de overgelegde stukken van oordeel dat verweerster van de wijze waarop zij de klacht heeft behandeld geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerster de klacht op voortvarende en zorgvuldige wijze heeft behandeld en inhoudelijk met zowel klager als mr. K heeft besproken. Verweerster heeft bij aanvang een plan van aanpak voor de klachtbehandeling met klager afgestemd en heeft steeds op heldere wijze over de procedure gecommuniceerd. Dat verweerster geen oordeel over de klacht heeft gegeven (k.o. 4) is feitelijk juist, maar voor het maken van een tuchtrechtelijk verwijt vormt dat geen aanleiding. Verweerster mocht er namelijk op vertrouwen dat de klacht naar klagers tevredenheid was afgehandeld, gezien het feit dat mr. K aan klager conform diens wens een andere advocaat had voorgedragen. Bij die stand van zaken mocht verweerster ervan uitgaan dat het geven van een oordeel over de klacht geen toegevoegde waarde meer had. Omdat verweerster van de wijze waarop zij de klacht heeft behandeld geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, zal de voorzitter de klachtonderdelen 1, 3 en 4 kennelijk ongegrond verklaren.

4.5 Klachtonderdeel 2: contact met mr. X

Klager verwijt verweerster tot slot dat zij zonder klagers toestemming het dossier heeft besproken met een andere advocaat (mr. X). Verweerster heeft dit klachtonderdeel weersproken en heeft in dat verband naar voren gebracht dat niet zij, maar mr. K met mr. X heeft gesproken. De voorzitter heeft in de overgelegde stukken geen aanknopingspunten gevonden voor de feitelijke juistheid van klagers stelling dat verweerster met mr. X over zijn dossier heeft gesproken. Omdat de feitelijke grondslag ontbreekt zal de voorzitter dit klachtonderdeel eveneens kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

- de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.

Griffier                                                            Voorzitter

Verzonden op: 9 juni 2026