ECLI:NL:TADRSHE:2026:68 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-326/DB/ZWB

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:68
Datum uitspraak: 09-06-2026
Datum publicatie: 09-06-2026
Zaaknummer(s): 26-326/DB/ZWB
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. Klagers verwijten verweerder dat hij een overeenkomst van geldlening in het geding heeft gebracht, terwijl hij wist of behoorde te weten dat dit stuk vals was. Naar het oordeel van de voorzitter is uit de overgelegde stukken niet gebleken dat verweerder reden had om te twijfelen aan de authenticiteit van de overeenkomst van geldlening. Niet gebleken dat verweerder de grenzen van de aan hem, in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden.  Kennelijk ongegrond.

Beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch
van 9 juni 2026

in de zaak 26-326/DB/ZWB


naar aanleiding van de klacht van:

klagers


over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: “de voorzitter”) heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 15 april 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: de deken) met kenmerk K25-092, van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 13 en van de nagekomen e-mail met bijlage van klagers van 14 april 2026.

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Tussen klagers en de heer A is sprake (geweest) van een geschil over – onder meer – een overeenkomst van geldlening. Verweerder heeft in het kader van dit geschil opgetreden als advocaat van de heer A, hierna: “A”.

1.2 Bij brief van 10 oktober 2024 heeft verweerder klagers gesommeerd tot betaling.

1.3 Op 11 oktober 2024 heeft verweerder namens A verlof gevraagd voor het leggen van conservatoir beslag op twee in eigendom aan klaagster toebehorende onroerende zaken. Aan het beslagrekest was als productie een kopie van een overeenkomst van geldlening gehecht. Het gevraagde verlof is verleend en op 17 oktober 2024 aan klagers betekend.

1.4 Op 28 oktober 2024 heeft verweerder namens A een bodemprocedure jegens klagers aanhangig gemaakt. Aan de dagvaarding was als productie een kopie van een overeenkomst van geldlening gehecht.

1.5 Op 29 januari 2025 heeft mr. D, advocaat, namens klagers een conclusie van antwoord ingediend. In deze conclusie van antwoord heeft mr. D namens klagers de door verweerder namens A ingestelde vordering betwist en in dat verband onder meer betoogd dat de door verweerder als productie in het geding gebracht overeenkomst van geldlening een valselijk opgemaakt stuk betrof.

1.6 Op 14 oktober 2025, twee weken voor de geplande mondelinge behandeling, is de procedure op grond van een door partijen getroffen regeling geroyeerd onder compensatie van kosten. De conservatoire beslagen zijn doorgehaald.

1.7 Op 15 oktober 2025 hebben klagers bij de deken een klacht tegen verweerder ingediend.

1.8 Op 20 oktober 2025 hebben klagers tegen verweerder bij de politie aangifte gedaan wegens valsheid in geschriften.

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder het volgende:

Verweerder heeft als productie een geldleningsovereenkomst in het geding gebracht, terwijl hij wist of behoorde te weten dat deze vals was.

2.2Toelichting:

Verweerder heeft ondanks evidente onregelmatigheden de overeenkomst als authentiek en betrouwbaar stuk in het geding gebracht. Die evidente onregelmatigheden waren: de overeenkomst betrof een kopie, de overeenkomst bevatte een onjuiste geboortedatum van A en de handtekeningen kwamen duidelijk niet overeen met die van klagers. Ook bevatte de overeenkomst onlogische omschrijvingen: de reden van de lening zou een “betaling voor kanker” en “spaargeld van de broer” zijn en er wordt melding gemaakt van contante betaling in plaats van betaling via de bank.

3 VERWEER

3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING

4.1 Toetsingskader

Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

4.2 Beoordeling                                                                                                                       

Klagers verwijten verweerder dat hij een overeenkomst van geldlening in het geding heeft gebracht, terwijl hij wist of behoorde te weten dat dit stuk vals was. Verweerder heeft de klacht gemotiveerd weersproken.

4.3 De voorzitter overweegt als volgt. Het was de taak van verweerder om de belangen van zijn cliënt te behartigen. In dat verband stond het verweerder vrij om op basis van de van zijn cliënt verkregen informatie de standpunten van zijn cliënt naar voren te brengen. Ook stond het verweerder vrij om namens zijn cliënt de processtukken in te richten op een wijze die hem, met het oog op de door hem te behartigen belangen, juist voor kwam en om producties in het geding te brengen, die naar zijn oordeel konden dienen ter onderbouwing van de vordering van zijn cliënt. Dat klagers zich niet in de door verweerder naar voren gebrachte standpunten kunnen vinden, betekent nog niet dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

4.4 Indien en voor zover klagers het met de door verweerder namens A ingestelde vordering niet eens waren, konden zij en hun advocaat zich daartegen in de civiele procedure verweren en dat hebben zij ook gedaan. De advocaat van klagers heeft in de conclusie van antwoord de vordering betwist en namens klagers gesteld dat de door verweerder in het geding gebrachte overeenkomst van geldlening een valselijk opgemaakt stuk was. De voorzitter overweegt dat het tuchtrecht niet is bedoeld voor het voeren van een discussie over de juistheid van de standpunten van partijen in een civielrechtelijk geschil. Het is aan de civiele rechter, en niet aan de tuchtrechter, om daarover een oordeel te geven.

4.5 Naar het oordeel van de voorzitter is uit de overgelegde stukken niet gebleken dat verweerder reden had om te twijfelen aan de authenticiteit van de overeenkomst van geldlening. De door klagers in de toelichting op de klacht genoemde omstandigheden maken dit niet anders. Het is gebruikelijk dat aan een processtuk als productie een kopie van een stuk wordt gehecht in plaats van het originele stuk. Dat contant geld, afkomstig van een spaarrekening, is overhandigd, maakt niet dat verweerder op voorhand reden had om aan de echtheid van de geldleningsovereenkomst te twijfelen. Hetzelfde geldt voor de in de overeenkomst genoemde reden (medische kosten). Niet alle medische kosten worden immers door de ziektekostenverzekering gedekt, zodat niet onvoorstelbaar is daarvoor geld wordt geleend. Een onjuiste geboortedatum is een detail dat een advocaat niet onmiddellijk behoeft op te merken. De echtheid van handtekeningen kan een advocaat bovendien niet controleren zonder inzage in identiteitsdocumenten. Dat de handtekeningen tussen de namen zijn geplaatst, roept tot slot evenmin vragen op over de authenticiteit van een overeenkomst. De voorzitter constateert dat, nu het verlof voor het leggen van conservatoir beslag is verleend zoals verzocht, de voorzieningenrechter kennelijk ook geen aanleiding zag om te twijfelen aan de authenticiteit van de overeenkomst. Verweerder mocht dit stuk dan ook namens zijn cliënt ter onderbouwing van de vordering in het geding brengen.

4.6 De voorzitter komt tot de slotsom dat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat verweerder de grenzen van de aan hem, in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden. De voorzitter zal de klacht op grond van het voorgaande kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

-      de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. V.E.J. Noelmans, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.

Griffier                                                            Voorzitter

Verzonden op: 9 juni 2026