ECLI:NL:TADRSHE:2026:67 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-324/DB/ZWB

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:67
Datum uitspraak: 09-06-2026
Datum publicatie: 09-06-2026
Zaaknummer(s): 26-324/DB/ZWB
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat. De tuchtrechtelijke verwijten over de verzonden declaraties zijn deels niet-ontvankelijk wegens tijdsverloop en deels kennelijk ongegrond, omdat niet van excessief declareren is gebleken en omdat verweerder wel degelijk op klagers bezwaren heeft gereageerd. De klacht dat verweerder klager ten onrechte heeft geadviseerd om te schikken is kennelijk ongegrond omdat van onjuiste advisering niet is gebleken.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch
van 9 juni 2026

in de zaak 26-324/DB/ZWB


naar aanleiding van de klacht van:

klager


over:

verweerder

De voorzitter van de raad van discipline heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 15 april 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: de deken) met kenmerk K26-013, van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 18, van de nagekomen e-mail van klager van 28 april 2026 en van de nagekomen e-mail met bijlagen van verweerder van 28 april 2026.  

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Klager heeft zich in april 2022 voor rechtsbijstand gewend tot verweerder. Klager wilde een – vermeende – vordering van € 16.500,00 verhalen op zijn wederpartij. Verweerder heeft de opdracht bij brief van 26 april 2022 aan klager bevestigd. Vervolgens heeft verweerder klager in eerste aanleg en in hoger beroep bijgestaan.

1.2 Verweerder heeft zijn werkzaamheden in rekening gebracht op basis van een - gematigd - uurtarief van € 250,00. Verweerder heeft zijn werkzaamheden geregistreerd in eenheden van 6 minuten en de declaraties voorzien van urenspecificaties aan klager toegezonden. De declaraties zijn steeds voldaan (met uitzondering van de slotdeclaratie). Verweerder heeft voor zijn werkzaamheden een bedrag van in totaal € 18.500,00 (inclusief btw) in rekening gebracht. Klager was verzekerd voor de kosten van rechtsbijstand, zodat de declaraties, die steeds in kopie aan klager werden verzonden, door de verzekeraar zijn voldaan totdat in maart/april 2025 het kostenmaximum was bereikt. Met ingang van maart/april 2025 heeft klager de declaraties zelf voldaan.

1.3 Verweerder heeft namens klager een gerechtelijke procedure aanhangig gemaakt, waarin namens klager een bedrag van (in hoofdsom) € 16.500,00 met bijkomende kosten werd gevorderd. In eerste aanleg is aan klager toegewezen (en vervolgens voldaan) een bedrag van € 21.437,61. De door de wederpartij ingestelde tegenvordering ten bedrage van € 108.084,00 (en bijkomende kosten) is afgewezen.

1.4 Klagers wederpartij heeft hoger beroep ingesteld. Verweerder heeft namens klager een memorie van antwoord opgesteld.

1.5 Verweerder heeft klager op 2 september 2025 bijgestaan tijdens de mondelinge behandeling bij gerechtshof. De raadsheer van het hof heeft ter zitting een voorlopig oordeel gegeven. Vervolgens is ter zitting tussen partijen een minnelijke regeling tot stand gekomen. Deze minnelijke regeling hield in een terugbetaling door klager aan de wederpartij van een bedrag van € 3.000,00 onder intrekking door de wederpartij van de ingestelde tegenvordering.

1.6 Op 10 oktober 2025 heeft verweerder aan klager een slotdeclaratie toegestuurd. In de begeleidende e-mail heeft verweerder het  volgende aan klager medegedeeld:

“Bijgaand zend ik je mijn einddeclaratie voor de door mij nog verrichte werkzaamheden in de periode van 18 augustus t/m 15 september 2025 en de afwikkeling van het schikkingsvoorstel.

Als eerder aangegeven zou ik uit coulance nog een deel van de kosten compenseren. De factuur heb ik daarom iets gematigd. Verder geldt natuurlijk dat mijn uurtarief in dit dossier niet geïndexeerd is, ondanks dat mijn uurtarief al enige tijd € 295,00 ex. btw en kantoorkosten bedraagt. Het tarief is dus blijven staan op € 250,00.

Gezien het belang van de zaak, het zeer goede resultaat en de in verhouding beperkte kosten, verzoek ik je vriendelijk deze factuur alsmede de openstaande factuur te voldoen. Het dossier zal daarna gesloten worden.”

1.7 Klager heeft verweerder verzocht om de slotdeclaratie (verder te matigen). Toen verweerder dit weigerde, heeft klager de declaratie betwist.

1.8 Bij e-mail van 17 november 2025 heeft verweerder klager gesommeerd tot betaling van de slotdeclaratie. Bij e-mail van 19 november 2025 heeft klager bezwaar gemaakt tegen de slotdeclaratie en ook tegen de eerdere – reeds betaalde - declaraties. In november en december 2025 hebben klager en verweerder via e-mail over de verschuldigdheid van de declaraties gediscussieerd.

1.9 Op 19 januari 2026 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken en bij de klachtenfunctionaris van verweerders kantoor. Mr. T heeft de klacht in zijn hoedanigheid van klachtenfunctionaris in behandeling genomen en beoordeeld. Bij e-mail van 30 januari 2026 heeft mr. T aan klager bericht dat in zijn visie de klacht ongegrond was.

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:

1. De kosten van rechtsbijstand staan niet in redelijke verhouding tot de verrichte werkzaamheden en de uitkomst van het geschil;

2. Er zijn uren in rekening gebracht die niet declarabel zijn;

3. Verweerder heeft klager ten onrechte geadviseerd om een schikking te treffen;

4. Op bezwaren van klager tegen de hoogte van de declaratie is onvoldoende gereageerd.

3 VERWEER

3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING

4.1 Toetsingskader

De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter toetst daarbij of de advocaat heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijke handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.

4.2 De onderhavige klacht gaat onder meer over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

4.3 Beoordeling                                                                                                                     

Klachtonderdelen 1 en 2: in rekening gebrachte kosten

Ontvankelijkheid

De voorzitter stelt vast dat de klachtonderdelen 1 en 2 zien op de declaraties die verweerder in de periode van mei 2022 tot en met 10 oktober 2025 aan klager heeft verzonden. De voorzitter overweegt dat een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten in het verleden.

4.4 Klager heeft zich op 19 januari 2026 met een klacht over verweerder tot de deken gewend. Dat betekent dat klager niet in de klacht kan worden ontvangen voor zover deze betrekking heeft op het optreden van verweerder van voor 19 januari 2023. Niet is gebleken dat klager niet eerder dan op 19 januari 2026 heeft kunnen klagen. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is geen sprake. Dat sprake zou zijn van de in artikel 46g lid 2 Advocatenwet bedoelde situatie is niet gesteld noch gebleken.

4.5 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter zal de klachtonderdelen 1 en 2 met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk verklaren, voor zover die klachtonderdelen zien op de declaraties die voor 19 januari 2023 zijn verzonden.

4.6 Voor zover de klachtonderdelen 1 en 2 betrekking hebben op de declaraties die vanaf 19 januari 2023 zijn verzonden, kan klager wel in de klacht worden ontvangen.  De voorzitter overweegt als volgt. Ter zake de hoogte van de declaraties beperkt de tuchtrechter zich tot een marginale toets, in die zin dat niet beoordeeld wordt of de declaratie juist is, maar of er sprake is van excessief declareren. Daarbij wegen alle omstandigheden mee, zoals de aard en complexiteit van de zaak, de (financiële) hoedanigheid van de cliënt, de met de zaak gepaard gaande (financiële) belangen en de verhouding tussen het in rekening gebrachte bedrag en de verrichte werkzaamheden. Of elk onderdeel van die specificatie – naar civiel recht gemeten – voor toewijzing in aanmerking komt staat niet ter beoordeling van de tuchtrechter. Waar het op aankomt is of het totaal van de declaraties als tuchtrechtelijk verwijtbaar excessief aangemerkt kan worden.

4.7 De voorzitter stelt vast dat de tussentijdse declaraties, die steeds waren voorzien van urenspecificaties, zijn voldaan. Ook de slotdeclaratie was voorzien van een urenspecificatie. Ondanks het feit dat verweerder de slotdeclaratie heeft gematigd, heeft klager geweigerd die declaratie te voldoen. De verrichte werkzaamheden in aanmerking genomen komt het in rekening gebrachte bedrag de voorzitter niet bovenmatig voor. Van excessief declareren is dan ook niet gebleken en evenmin is gebleken dat verweerder niet in overeenstemming met de gemaakte honorariumafspraken heeft gehandeld. De voorzitter zal de klachtonderdelen 1 en 2 op grond van het voorgaande, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond verklaren.

4.8 Klachtonderdeel 3: advisering schikking

Klager verwijt verweerder verder dat hij klager ten onrechte heeft geadviseerd om een schikking te treffen. Verweerder heeft dit klachtonderdeel gemotiveerd weersproken en heeft in dat verband naar voren gebracht dat het in klagers belang was om te schikken omdat uit het voorlopig oordeel van het Hof bleek dat mogelijk een deel van de – aanzienlijke – tegenvordering zou worden toegewezen. Bovendien was klagers accountant de heer B wel degelijk bij de zitting bij het Hof aanwezig, aldus verweerder. De voorzitter is van oordeel dat klager tegenover het gemotiveerde verweerder onvoldoende heeft onderbouwd en concreet gemaakt waarom verweerders advisering onjuist was. Bij gebreke van een toereikende onderbouwing zal de voorzitter dit klachtonderdeel eveneens kennelijk ongegrond verklaren.

4.9 Klachtonderdeel 4: reactie op bezwaren tegen declaratie

Klager verwijt verweerder tot slot dat hij onvoldoende heeft gereageerd op bezwaren van klager tegen de declaratie. Verweerder heeft ook dit klachtonderdeel uitdrukkelijk weersproken. De voorzitter is van oordeel dat dit klachtonderdeel feitelijke grondslag mist. Uit de overgelegde stukken blijkt dat met klager uitvoerig is gecorrespondeerd over het gedeclareerde bedrag. Dit klachtonderdeel is derhalve eveneens kennelijk ongegrond.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

- de klachtonderdelen 1 en 2, voor zover deze betrekking hebben op de voor 19 januari 2023 verzonden declaraties, met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet, niet-ontvankelijk;

- de klachtonderdelen 1 en 2, voor zover deze betrekking hebben op de vanaf 19 januari 2023 verzonden declaraties, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond;

- de klachtonderdelen 3 en 4, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.

Griffier                                                            Voorzitter

Verzonden op: 9 juni 2026