We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRSHE:2026:66 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-306/DB/OB

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:66
Datum uitspraak: 09-06-2026
Datum publicatie: 09-06-2026
Zaaknummer(s): 26-306/DB/OB
Onderwerp: Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij op grond van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet niet-ontvankelijk wegens tijdsverloop.

Beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch
van 9 juni 2026

in de zaak 26-306/DB/OB


naar aanleiding van de klacht van:

klager


over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna: “de voorzitter”) heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 10 april 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken) met kenmerk 48|25|125K, van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 8 en van de nagekomen e-mail van klager van 14 april 2026.

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Verweerster heeft in 2013 opgetreden als advocaat van klagers wederpartij.

1.2 In 2022 is klagers toenmalige advocaat mr. L overleden.

1.3 Op 30 juli 2025 heeft klager bij de deken een klacht tegen verweerster ingediend.

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster dat zij in maart/april 2013:

1. klagers financiële tegoeden heeft verduisterd door zonder enige manier van controle haar voorganger blindelings te volgen;

2. zonder enige controle is afgegaan op de onjuiste informatie van haar cliënte;

3. onkundig en onprofessioneel te werk is gegaan omdat zij kon weten dat klager geen toestemming had verleend;

4. onzorgvuldig is omgegaan met klagers belangen.

3 VERWEER

3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING

4.1 Ontvankelijkheid

De voorzitter stelt vast dat de klacht ziet op – vermeend - handelen van verweerster in de periode maart/april 2013.

4.2 De voorzitter overweegt dat een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten in het verleden.

4.3 Klager heeft zich op 30 juli 2025, derhalve ruimschoots na het verstrijken van de in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet bedoelde termijn, met een klacht over verweerster tot de deken gewend. Niet is gebleken dat klager niet eerder dan op 30 juli 2025 heeft kunnen klagen. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is geen sprake. Dat sprake zou zijn van de in artikel 46g lid 2 Advocatenwet bedoelde situatie is voorts evenmin gebleken. Klager stelt dat de gevolgen van verweersters – vermeende - handelen hem pas (voldoende) duidelijk zijn geworden na het overlijden van zijn toenmalige advocaat mr. L in het jaar 2022. Klager heeft de klacht over verweerster echter (ook) niet binnen de in artikel 46g lid 2 Advocatenwet bepaalde termijn van een jaar na 2022 ingediend.

4.4 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter zal de klacht op grond van het voorgaande met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

- de klacht, met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet, niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. V.E.J. Noelmans, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.

Griffier                                                            Voorzitter

Verzonden op: 9 juni 2026