ECLI:NL:TADRSHE:2026:65 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-428/DB/OV/W

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:65
Datum uitspraak: 08-06-2026
Datum publicatie: 09-06-2026
Zaaknummer(s): 26-428/DB/OV/W
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Wraking
Beslissingen: Overige (tussen)beslissingen
Inhoudsindicatie: Wraking 

Beslissing van de wrakingskamer van de
Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch als plaatsvervanger van de wrakingskamer van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 8 juni 2026

in de zaak 26-428/DB/OV/W

naar aanleiding van het verzoek om wraking van na te noemen tuchtrechters, ingediend door:

verzoeker

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 

1.1 Verzoeker heeft op 27 maart 2025 bij de voorzitter van het hof van discipline een klacht ingediend tegen [...], (voormalig) deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant. Bij beslissing van 27 oktober 2025 (ECLI:NL:TADRARL:2025:229) is de klacht kennelijk ongegrond verklaard door de voorzitter van de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad). Verzoeker heeft verzet ingesteld tegen deze beslissing.

1.2 Het verzet zou aanvankelijk worden behandeld op een zitting van 9 maart 2026 met als (plaatsvervangend) voorzitter mr. B. Op 13 februari 2026 heeft de griffie aan partijen medegedeeld dat de zitting verplaatst wordt, omdat mr. B. heeft aangegeven niet vrij te staan in de zaak.

1.3 Het verzet is vervolgens ter zitting behandeld op 11 mei 2026 door mr. H., voorzitter, en mrs. M. en S., leden (hierna gezamenlijk: de gewraakte tuchtrechters).

Tijdens de zitting heeft verzoeker de raad gevraagd om de zaak aan te houden en te verwijzen naar een ander ressort, omdat de voorzitter van de raad, mr. W., en de beklaagde deken beiden bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden werken en volgens verzoeker de schijn van belangenverstrengeling moet worden voorkomen. De gewraakte tuchtrechters hebben dit verzoek, bij monde van de voorzitter, afgewezen omdat zij niet de bevoegdheid hebben om de zaak naar een andere raad te verwijzen en verzoeker zijn twijfels over de onafhankelijkheid of de onpartijdigheid van voorzitter mr. W. als verzetsgrond naar voren kan brengen. Verzoeker heeft zijn verzoek om aanhouding nadien herhaald, omdat hij meer tijd wilde hebben om onderzoek te doen naar de beklaagde deken. De gewraakte tuchtrechters hebben het verzoek om aanhouding opnieuw afgewezen, omdat de posities van mr. W. en de beklaagde deken al bij verzoeker bekend waren en de andere omstandigheden niet van belang zijn bij de beoordeling in de verzetsprocedure.

Verzoeker heeft vervolgens tijdens de zitting een wrakingsverzoek ingediend tegen de gewraakte tuchtrechters

    1. Verzoeker heeft op 21 mei 2026 zijn wrakingsgronden aangevuld.

1.5 De gewraakte tuchtrechters hebben op 26 mei 2026 medegedeeld niet in de wraking te berusten en hebben een reactie op de wrakingsgronden ingediend.

1.6 De wrakingskamer heeft bij zijn beslissing acht geslagen op het proces-verbaal van de zitting van 11 mei 2026, de aanvullende wrakingsgronden van 21 mei 2026 en de reactie van de gewraakte tuchtrechters van 26 mei 2026.

2 GRONDEN VAN HET WRAKINGSVERZOEK

Verzoeker heeft de volgende vier wrakingsgronden naar voren gebracht:

2.1 De voorzitter van de raad, mr. W., heeft op 27 oktober 2025 een voorzittersbeslissing gewezen. Mr. W. is raadsheer in het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waar ook de beklaagde deken raadsheer-plaatsvervanger is. Daardoor is de schijn van belangenverstrengeling aanwezig;

2.2 De beklaagde deken heeft zijn nevenfuncties in het nevenfunctieregister van de Rechtspraak niet correct bijgewerkt. Hij is niet op zijn woord te geloven;

2.3 Oorspronkelijk zou mr. B. de zaak als voorzitter behandelen. Verzoeker heeft hem gevraagd waarom hij zich heeft verschoond, maar mr. B. wilde hier geen antwoord op geven. Mr. B. was eerder ook raadsheer-plaatsvervanger bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden;

2.4 Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek mede ingediend in verband met de tweemaal afgewezen verzoeken tot aanhouding en doorverwijzing naar een ander ressort.

3 VERWEER

3.1 De gewraakte tuchtrechters hebben gemotiveerd verweer gevoerd tegen het wrakingsverzoek.

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Op grond van artikel 47 Advocatenwet en artikel 512 Wetboek van Strafvordering is wraking van een tuchtrechter mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De wrakingskamer zal onderzoeken of dergelijke feiten en omstandigheden door verzoeker zijn gesteld en aannemelijk zijn geworden.

4.2 Van dergelijke feiten en omstandigheden kan sprake zijn door de subjectieve instelling van de tuchtrechter ten opzichte van een partij of van het voorliggend geschil. Wraking is verder mogelijk als feiten en omstandigheden betreffende de persoon van de tuchtrechter, los van diens subjectieve instelling, een partij in objectieve zin grond geven te vrezen dat de tuchtrechter niet onpartijdig is. Bij dat laatste is ook van belang dat de schijn van partijdigheid wordt vermeden. Elke tuchtrechter wordt uit hoofde van zijn aanstelling vermoed onpartijdig te zijn. Dit is alleen anders als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de tuchtrechter in kwestie vooringenomen is tegen verzoeker, althans dat de vrees daarvoor bij verzoeker objectief gerechtvaardigd is.

Beoordeling

4.3 Wrakingsgronden 1 tot en met 3 gaan over andere personen dan de gewraakte tuchtrechters. Deze wrakingsgronden kunnen dus niet leiden tot de conclusie dat sprake is van (de schijn van) partijdigheid of vooringenomenheid bij de gewraakte tuchtrechters.

4.4 Wrakingsgrond 4 gaat wel over de gewraakte tuchtrechters, meer specifiek over de processuele beslissing die zij hebben genomen om de zaak niet aan te houden of door te verwijzen naar een andere raad. Verzoeker is het niet eens met die afwijzing, maar dat vormt geen reden voor wraking. Het instrument van wraking is immers niet bedoeld om gebruikt te worden als rechtsmiddel tegen zulke processuele beslissingen. Dat is slechts anders als de motivering van die processuele beslissingen in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de tuchtrechter die de beslissing heeft gegeven (vgl. HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). De gewraakte tuchtrechters hebben toegelicht dat zij niet de bevoegdheid hebben om de verzetsprocedure naar een andere raad te verwijzen en dat verzoeker zijn overige bezwaren als verzetsgrond naar voren kan brengen tegen de voorzittersbeslissing. Daaruit blijkt geen vooringenomenheid.

4.5 De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond verklaren.

Afzien van horen

4.6 Op grond van artikel 4 van het wrakingsprotocol is de wrakingskamer bevoegd om kennelijk niet-ontvankelijke dan wel kennelijk ongegronde wrakingsverzoeken zonder behandeling op zitting af te doen. De wrakingskamer ziet gelet op het voorgaande aanleiding van deze bevoegdheid gebruik te maken en wijst het verzoek van verzoeker om te worden gehoord af.

BESLISSING

De wrakingskamer:

- verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond;

- bepaalt dat de procedure in de hoofdzaak kan worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.

Aldus beslist door mr. V.E.J. Noelmans, voorzitter en mrs. A.A.T. van Ginderen en S.M.P.T. Ruijs-Kréte, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken op 8 juni 2026.

Griffier                                                                            Voorzitter

De beslissing is verzonden op 8 juni 2026.