ECLI:NL:TADRSHE:2026:33 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-069/DB/ZWB
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:33 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-03-2026 |
| Datum publicatie: | 10-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-069/DB/ZWB |
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarbij klager geen belang heeft |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over handelen in strijd met meldingsplicht op grond van Wwft kennelijk-niet ontvankelijk omdat uit de overgelegde stukken op geen enkele wijze is gebleken dat klager door het vermeend handelen van verweerder direct in zijn belang is getroffen. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch
van 10 maart 2026
in de zaak 26-069/DB/ZWB
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline heeft kennisgenomen van het e-mailbericht
van 27 januari 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant
(hierna: de deken) met kenmerk K25-114, van de op de inventarislijst genoemde bijlagen
1 tot en met 11 en de nagekomen e-mail van klager van 7 februari 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Mevrouw C heeft een geschil met TT B.V.. TT B.V. werd in dit geschil aanvankelijk bijgestaan door verweerder. Verweerder heeft de behandeling van de zaak op enig moment overgedragen aan zijn kantoorgenoot mr. W.
1.2 Klager is geen partij in het geschil tussen mevrouw C en TT B.V. Klager is partner van mevrouw C en verricht freelance inkoopwerkzaamheden voor haar en adviseert haar.
1.3 In juni en juli 2025 heeft klager handgeschreven brieven geschreven aan verweerder en mr. W. Klager heeft deze brieven persoonlijk op het kantoor van verweerder en mr. W overhandigd en per e-mail aan hen toegestuurd. In deze brieven heeft klager aan verweerder en mr. W medegedeeld dat TT B.V. en de heer X namens TT B.V. betrokken zijn geweest bij het in ontvangst nemen en betalen van “zwart geld” en dat een advocaat op grond van de Wwft verplicht is om van dergelijke transacties melding te maken.
1.4 Op 27 juni 2025 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.
1.5 Bij e-mail van 15 juli 2025 heeft mr. W klager als volgt bericht:
“Inmiddels heeft u verschillende handgeschreven brieven bezorgd op mijn kantoor. Daarbij
maakt u nogal wat verwijten, zonder dat u deze verwijten nader gemotiveerd heeft onderbouwd.
Daarnaast constateer ik dat de door u aan mij gerichte brief niet geheel toevallig
samenvalt met het conservatoir beslag, dat ik in opdracht van mijn cliënte ten laste
van [mevrouw C], uw partner, heb laten leggen. Dat geeft te denken en ik kan mij dan
ook niet aan de indruk onttrekken dat u met uw brieven wellicht probeert om enige
invloed uit te oefenen op het gerezen geschil dan wel de aanstaande juridische procedure
tussen mijn cliënte en [mevrouw C]. U bent geen partij bij deze procedure.
Vanzelfsprekend kan ik u er niet van weerhouden om brieven af te geven dan wel te
laten bezorgen op mijn kantoor, maar het lijkt mij goed erop te wijzen dat ik uw brieven
slechts ter kennisneming zal aannemen, althans vooralsnog, en dat uw brieven op geen
enkele wijze invloed zullen hebben op de belangenbehartiging van mijn cliënt, noch
op de juridische weg die cliënte genoodzaakt is om in te slaan jegens [mevrouw C].
Ik vertrouw erop dat u een kopie van dit schrijven zult verstrekken aan de orde
van advocaten Zeeland-West-Brabant.”
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder
het volgende:
Verweerder heeft zich niet gehouden aan de op grond van de Wwft geldende meldingsplicht.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Ontvankelijkheid
De voorzitter overweegt dat alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, het recht heeft om hierover een klacht in te dienen. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
4.2 Klager verwijt verweerder dat hij zich niet heeft gehouden aan de op grond van de Wwft geldende meldingsplicht. Verweerder heeft dit verwijt uitdrukkelijk weersproken.
4.3 De voorzitter is van oordeel dat uit de overgelegde stukken op geen enkele wijze is gebleken dat klager door dit vermeend handelen direct in zijn belang is getroffen, zodat hij niet in de klacht kan worden ontvangen. De voorzitter zal de klacht daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaren.
4.4 Voor zover klager in de nagekomen e-mail van 7 februari 2026 aan de raad heeft verzocht om het klachtdossier toe te sturen aan de rechtbank Zutphen, oordeelt de voorzitter afwijzend op dit verzoek. Het is aan de bij een gerechtelijke procedure betrokken partijen om desgewenst stukken in het geding te brengen en voor de raad is daarin geen taak weggelegd.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j lid 1 aanhef en sub b Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 10 maart 2026