ECLI:NL:TADRSHE:2026:32 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-842/DB/OB
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:32 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-03-2026 |
| Datum publicatie: | 10-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-842/DB/OB |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. Niet gebleken van overtreding van de gedragsregels 15, 9 en 25. In zoverre ongegrond. Wel heeft verweerster onjuistheden gepresenteerd tijdens het bemiddelingsgesprek bij de deken. In zoverre gegrond. Verweerster heeft daarmee in strijd gehandeld met de kernwaarde integriteit in de zin van artikel 10a Advocatenwet. De raad rekent verweerster dit handelen in strijd met de kernwaarde integriteit zwaar aan. Gelet op de aard van het gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijt acht de raad een voorwaardelijke schorsing voor de duur van twee weken passend en geboden. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 9 maart 2026
in de zaak 25-842/DB/OB
naar aanleiding van de klacht van:
klaagsters
gemachtigde: T.J. Roest Crollius
over:
verweerster
gemachtigde: mr. H. Breeman
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 2 mei 2025 heeft mr. RC namens klaagsters tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: “de deken”).
1.2 Op 4 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 48|25|075K van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 26 januari 2026. Verschenen zijn klaagsters, vertegenwoordigd door de heer G en bijgestaan door mr. RC, advocaat, en mevrouw W, beëdigd tolk, en verweerster bijgestaan door mrs. B en E.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Verweerster is in de periode 2016-2020 als advocaat werkzaam geweest bij advocatenkantoor HL. Verweerster is thans als advocaat werkzaam bij advocatenkantoor A.
2.3 De volgende vennootschappen zijn deels met de heer T (hierna: “T”) en deels met mevrouw O (hierna: “O”) verweven:
- [J] B.V. en haar [G] deelnemingen (hierna: [J]) met het management bestaande uit T en de heer VL;
- T
- [T] B.V. (hierna: “[T]”), zijnde de 55% aandeelhouder in [J] en waarvan T 100% UBO is, alsmede de andere aan T gerelateerde entiteiten (hierna gezamenlijk: T c.s.)
Klaagster sub 1 heeft een belang in [J] en klaagster sub 2 is een groepsvennootschap van klaagster sub 1, waarvan O 100% UBO is. De heer J is commissaris in de RvC van [J].
2.4 Gedurende het dienstverband bij advocatenkantoor HL heeft verweerster werkzaamheden verricht voor klaagsters en voor O.
2.5 Gedurende het dienstverband bij advocatenkantoor A verricht verweerster werkzaamheden voor [J], onder meer als company secretary in welke rol zij RvC vergaderingen en aandeelhoudersvergaderingen voorbereidt en notuleert en zorgdraagt voor het faciliteren van informatieverstrekking van [J] naar de RvC en aandeelhouders van [J].
2.6 Tussen twee van de vier aandeelhouders van [J], te weten klaagster sub 1 als minderheidsaandeelhouder enerzijds en [T] als meerderheidsaandeelhouder anderzijds, is een geschil ontstaan. In dit geschil heeft [T] het advocatenkantoor ES ingeschakeld voor rechtsbijstand. Daarnaast is sprake van een geschil tussen klaagster sub 1 en [J]. In dat geschil heeft [J] advocatenkantoor VD ingeschakeld voor rechtsbijstand.
2.7 Bij e-mail van 21 juli 2023 heeft verweerster de RvC van [J] op de hoogte gesteld van haar betrokkenheid bij [J] als advocaat.
2.8 Op 28 september 2023 heeft verweerster per e-mail en per Whatsapp de personal assistant van O, die tevens werkzaamheden verricht als office manager van klaagster sub 2, benaderd met het verzoek om belastingdocumentatie te verstrekken betreffende het belastingjaar 2016.
2.9 Op 7 maart 2024 heeft verweerster deelgenomen aan een vertrouwelijke vergadering (via video conference) tussen de leden van de RvC. Verweerster heeft na de vergadering notulen aan de deelnemers van de vergadering toegezonden.
2.10 Door en namens klaagsters zijn bezwaren kenbaar gemaakt aan verweerster over haar optreden voor [J] en T en is verweerster verzocht om haar werkzaamheden voor [J] en T te staken. In de periode van 7 februari 2025 en 26 maart 2025 hebben de gemachtigde van klaagsters en verweerster hierover gecorrespondeerd. Bij e-mail van 21 februari 2025 heeft verweerster onder meer het volgende aan de gemachtigde van klaagsters medegedeeld:
“(…) Verder begrijp ik dat u op de hoogte bent van mijn twee rollen binnen de organisatie, enerzijds als advocaat van de vennootschap en anderzijds als company secretary. Uw commentaar op die twee rollen roept bij mij de vraag op welke de redenen zijn op grond waarvan u meent dat ik mogelijk optreed tegen een voormalige cliënt. In mijn rol als advocaat treed ik immers namens de vennootschap op tegen derden, [klaagster sub 1] is als stakeholder betrokken bij de vennootschap en dus geen derde tegen wie ik optreed. Als company secretary vervul ik een administratieve rol, die bestaat uit het opstellen van agenda’s, het maken van notulen en het zorgen voor de informatievoorziening van het management naar de raad van commissarissen. Ik treed daarbij niet op tegen een partij, maar juist voor de vennootschap en haar stakeholders.(…) ”
2.11 Op 2 mei 2025 heeft de gemachtigde van klaagsters tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.
2.12 Bij brief van 6 juni 2025 heeft verweersters gemachtigde namens verweerster verweer gevoerd tegen de klacht. In deze brief is onder meer gesteld:
“(…) [Verweerster] heeft in het verleden als advocaat-stagiaire gewerkt voor het advocatenkantoor [HL] (2016-2020). In die tijd heeft [verweerster] werkzaamheden onder leiding van [mr. V] verricht voor [O] en haar indirecte dochtervennootschap [klaagster sub 2]. [Verweerster] heeft destijds geen werkzaamheden verricht voor [klaagster sub 1], destijds een Panamese holding entiteit. (…)
[Klaagster sub 1] is geen cliënt of voormalig cliënt van [verweerster]. (…)”
2.13 Bij brief van 19 juni 2025 heeft de gemachtigde van klaagsters aan de deken facturen, vergezeld van urenspecificaties, toegestuurd. Deze facturen hadden betrekking op werkzaamheden die verweerster gedurende haar dienstverband met HL voor klaagster sub 1 had verricht. Aan de brief van 19 juni 2025 was tevens gehecht een kopie van de opdrachtbevestiging van HL aan klaagsters sub 1 van 24 januari 2018, waarin verweerster wordt genoemd als een van de advocaten die voor klaagster sub 1 werkzaamheden zal verrichten. Op 20 juni 2025 heeft bij de deken een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek heeft verweerster verklaard dat zij gedurende haar dienstverband bij HL weliswaar enige werkzaamheden voor klaagster sub 1 had verricht, maar dat het maar om een paar uurtjes ging en dat zij de relatie met O en klaagster sub 1 niet meer helder op het netvlies had.
2.14 Het bemiddelingsgesprek heeft niet tot een oplossing geleid.
2.15 Bij brief van 28 juli 2025 heeft de gemachtigde van klaagsters aan de deken medegedeeld dat HL een overzicht had gemaakt van de door verweerster verrichte werkzaamheden en dat uit dit overzicht bleek dat verweerster in de periode 2017 tot en met 2020 891 uur voor klaagster sub 1 had gewerkt, 2537 uur voor klaagster sub 2 en 2985 uur voor O.
2.16 Bij brief van 11 september 2025 heeft verweersters gemachtigde namens verweerster gedupliceerd. In deze brief is onder meer gesteld:
“(…) [Verweerster] heeft er geen actieve herinnering aan dat zij destijds werkzaamheden heeft verricht voor [klaagster sub 1]. Dit heeft [verweerster] ook steeds benadrukt.”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:
1. Verweerster heeft gedragsregel 15 geschonden door op te treden tegen haar voormalige cliënten;
2. Verweerster heeft gedragsregel 9 geschonden voor wat betreft haar werkzaamheden als company secretary van [J];
3. Verweerster heeft gedragsregel 25 geschonden door de wederpartij rechtstreeks te benaderen;
4. Verweerster heeft onjuistheden gepresenteerd tijdens het bemiddelingsgesprek ter zake van de werkzaamheden die zij tijdens haar dienstverband bij [HL] voor [C] heeft uitgevoerd.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1Ontvankelijkheid
De raad overweegt dat alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, het recht heeft om hierover een klacht in te dienen. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
5.2 De raad is van oordeel dat klaagster sub 1 onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht ter onderbouwing van haar belang bij klachtonderdeel 3. Niet is gebleken dat klaagster sub 1 door het in klachtonderdeel 3 aan de orde gestelde tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen direct in haar belang is of kon worden getroffen.
5.3 De raad is voorts van oordeel dat klaagster sub 2 onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht ter onderbouwing van haar belang bij de klachtonderdelen 1, 2 en 4. Naar het oordeel van de raad is niet gebleken dat klaagster sub 2 door het in de klachtonderdelen 1, 2 en 4 aan de orde gestelde tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen direct in haar belang is of kon worden getroffen.
5.4 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat klaagster sub 1 niet-ontvankelijk is in klachtonderdeel 3 en dat klaagster sub 2 niet-ontvankelijk is in de klachtonderdelen 1, 2 en 4.
5.5 Klachtonderdeel 1 – schending gedragsregel 15
Op grond van de aan de raad overgelegde stukken staat vast dat verweerster gedurende haar dienstverband bij HL als advocaat werkzaamheden heeft verricht voor klaagster sub 1. Verweerster heeft gesteld hier geen actieve herinnering aan te hebben, maar uit de door klaagsters overgelegde urenstaten blijkt dat verweerster een groot aantal uren heeft besteed in klaagsters dossier(s). Tevens staat vast dat verweerster thans rechtsbijstand verleent aan [J], die een geschil heeft met klaagster sub 1. Nu verweerster klaagster sub 1 heeft bijgestaan, staat het haar in beginsel niet vrij om tegen klaagster sub 1 op te treden. Uit gedragsregel 15 lid 1 volgt immers dat het de advocaat, gelet op zijn gehoudenheid aan met name de kernwaarden partijdigheid en vertrouwelijkheid, niet is toegestaan, om tegen een cliënt of een voormalige cliënt (of die van zijn kantoorgenoten) op te treden.
5.6 Van het bepaalde in gedragsregel 15 lid 1 kan de advocaat op grond van gedragsregel 15 lid 3 alleen afwijken indien is voldaan aan elk van de volgende drie voorwaarden:
(a) de aan de advocaat toe te vertrouwen belangen betreffen niet dezelfde zaak ten aanzien waarvan de voormalige of bestaande cliënt werd of wordt bijgestaan door de advocaat, houden daar ook geen verband mee en een toekomstig verband is evenmin aannemelijk;
(b) de advocaat beschikt niet over vertrouwelijke informatie afkomstig van zijn voormalige of bestaande cliënt, dan wel over zaaksgebonden informatie of informatie de voormalige of bestaande cliënt betreffende, die redelijkerwijs van belang kan zijn bij de behandeling van de zaak tegen deze voormalige of bestaande cliënt; en
(c) niet is gebleken van redelijke bezwaren aan de zijde van de voormalige of bestaande cliënt.
5.7 De raad is van oordeel dat aan elk van deze voorwaarden is voldaan. Niet is gebleken dat verweerster aan [J] rechtsbijstand heeft verleend in dezelfde zaak ten aanzien waarvan klaagster sub 1 door haar is bijgestaan. Naar het oordeel van de raad heeft klaagster sub 1 voorts nagelaten om met concrete feiten te onderbouwen over welke vertrouwelijke of zaaksgebonden informatie, die redelijkerwijs van belang kan zijn bij de behandeling van de zaak tegen klaagster sub 1, verweerster zou beschikken. Klaagster sub 1 heeft slechts gesteld dat verweerster beschikt over kennis over de persoonlijkheden van O en de heer J. Verweerster heeft die stelling betwist en voor zover al zou komen vast te staan dat verweerster kennis heeft over de persoonlijkheden van de heer J en O is dat naar het oordeel van de raad geen vertrouwelijke informatie als bedoeld in gedragsregel 15 lid 3. Klaagster sub 1 heeft tot slot erkend dat de bezwaren tegen het optreden van verweerster gekoppeld zijn aan het mogen optreden van verweersters voormalig kantoorgenoot mr. V tegen [J] in verband met een mogelijke exit van klaagster sub 1. Naar het oordeel van de raad zijn dat echter geen redelijke bezwaren als bedoeld in gedragsregel 15 lid 3, terwijl ook overigens niet van redelijke bezwaren is gebleken.
5.8 Van handelen in strijd met gedragsregel 15 is kortom naar het oordeel van de raad geen sprake. Klachtonderdeel 1 is dan ook ongegrond.
5.9 Klachtonderdeel 2 – schending gedragsregel 9
Klaagster sub 1 heeft ter onderbouwing van dit klachtonderdeel verwezen naar hetgeen verweerster heeft gesteld in haar e-mailbericht van 21 februari 2025 en naar het organogram van [J] waarin verweerster als juridisch adviseur is vermeld. Verweerster heeft ook dit klachtonderdeel weersproken en heeft naar voren gebracht dat zij niet heeft gesuggereerd dat zij in haar rol van company secretary niet als advocaat optreedt. De raad overweegt als volgt.
5.10 Gedragsregel 9 bepaalt dat de advocaat tegenover zijn cliënt en in zijn contacten met derden ervoor dient zorg te dragen dat geen misverstand kan bestaan over de hoedanigheid waarin hij in een gegeven situatie optreedt. De raad is van oordeel dat noch de inhoud van verweerster e-mail van 21 februari 2025, noch het feit dat verweerster in het organogram is vermeld als juridisch adviseur een schending oplevert van het bepaalde in deze gedragsregel. Dat verweerster de suggestie heeft willen wekken in de rol van company secretary niet op te treden in de hoedanigheid van advocaat, blijkt naar het oordeel van de raad niet uit de overgelegde stukken. Verweerster heeft steeds, ook bij het verrichten van werkzaamheden als company secretary, gebruik gemaakt van het e-mailadres van haar advocatenkantoor en heeft alle e-mailcorrespondentie ondertekend met “advocaat”. Naar het oordeel van de raad heeft verweerster kortom geen onduidelijkheid laten bestaan over haar hoedanigheid. Klachtonderdeel 2 is derhalve eveneens ongegrond.
5.11 Klachtonderdeel 3 – schending gedragsregel 25
Klaagster sub 2 verwijt verweerster dat zij in strijd heeft gehandeld met gedragsregel 25 door de een medewerkster van klaagster sub 2 rechtstreeks te benaderen, terwijl zij wist dat klaagster sub 2 werd bijgestaan door een advocaat. Verweerster heeft gesteld niet in strijd met gedragsregel 25 te hebben gehandeld. De raad overweegt als volgt.
5.12 Gedragsregel 25 bepaalt dat de advocaat zich met een partij betreffende een aangelegenheid, waarin deze naar hij weet door een advocaat wordt bijgestaan, niet anders in verbinding stelt dan door tussenkomst van die advocaat, tenzij deze laatste hem toestemming geeft rechtstreeks met die partij in verbinding te treden. Deze regel geldt onverminderd wanneer de bedoelde partij zich tot de advocaat wendt (lid 1). In afwijking van het bepaalde in lid 1 mag de advocaat die een aanzegging met rechtsgevolg doet, dat rechtstreeks aan een partij doen, mits met gelijktijdige verzending van een afschrift aan diens advocaat en op voorwaarde dat de mededeling aan een partij beperkt blijft tot deze aanzegging met rechtsgevolg. Indien de advocaat het beoogde rechtsgevolg ook kan bereiken door zijn brief alleen aan de advocaat van een partij te zenden, geldt voormelde uitzondering niet (lid 2).
5.13 Gedragsregel 25 heeft tot doel het evenwicht tussen partijen in een juridisch geschil te bewaren. De strekking van de regel is om te voorkomen dat de advocaat van een wederpartij een partij bij een geschil overrompelt zonder bijstand van zijn eigen advocaat (RvD Amsterdam 2 mei 2014, ECLI:NL:TADRAMS:2014:113). Vast staat dat verweerster bij e-mail van 28 september 2023 de office manager van klaagster sub 2 heeft benaderd met het verzoek om documentatie te verstrekken betreffende het belastingjaar 2016. Naar het oordeel van de raad valt dit handelen van verweerster niet onder het bereik van gedragsregel 25, omdat verweerster de office manager niet heeft benaderd “betreffende een aangelegenheid, waarin deze naar zij weet door een advocaat wordt bijgestaan” als bedoeld in gedragsregel 25. Verweersters e-mailbericht betrof geen correspondentie in het kader van een geschil, maar een verzoek om informatie van administratieve aard, terwijl van enige (mogelijke) overrompeling niet is gebleken. Klachtonderdeel 3 is dan ook ongegrond.
5.14 Klachtonderdeel 4 – onjuistheden presenteren tijdens bemiddelingsgesprek
Klaagster sub 1 verwijt verweerster dat zij onjuistheden heeft gepresenteerd tijdens het bemiddelingsgesprek ter zake van de werkzaamheden die zij tijdens haar dienstverband bij HL voor klaagster sub 1 heeft uitgevoerd. Verweerster heeft gesteld dat klaagster sub 1 bij dit klachtonderdeel geen belang heeft en dat de aanval op haar integriteit onterecht is, omdat zij steeds heeft benadrukt er geen actieve herinnering aan te hebben dat zij destijds werkzaamheden heeft verricht voor klaagster sub 1.
5.15 De raad volgt verweerster niet in dit verweer. Het spreekt voor zich dat de bij een bemiddelingsgesprek betrokken partijen, waaronder in dit geval klaagster sub 1, er belang bij hebben dat tijdens een dergelijk gesprek geen onjuistheden worden gepresenteerd. Nu het in dit klachtonderdeel aan de orde zijnde verwijt ziet op – vermeende – onjuiste mededelingen over de aan klaagster sub 1 verleende rechtsbijstand, kan klaagster sub 1 worden ontvangen in dit onderdeel van de klacht.
5.16 Vast staat dat de gemachtigde van verweerster in het verweerschrift aan de deken heeft medegedeeld: “[Verweerster] heeft destijds geen werkzaamheden verricht voor [klaagster sub 1], destijds een Panamese holding entiteit. (…)” en “[Klaagster sub 1] is geen cliënt of voormalig cliënt van [verweerster].” Daags voor het bemiddelingsgesprek met de deken heeft de gemachtigde van klaagsters ter weerlegging van die stellingen een opdrachtbevestiging en urenstaten aan de deken toegestuurd, met een kopie daarvan aan verweerster. Uit die urenstaten bleek dat verweerster gedurende een groot aantal uren werkzaamheden had besteed in klaagsters dossier(s). Als niet dan wel onvoldoende weersproken staat vast dat verweerster vervolgens tijdens het bemiddelingsgesprek met de deken heeft erkend dat zij werkzaamheden voor klaagster sub 1 had verricht, maar dat zij heeft gesteld dat het slechts om een paar uurtjes ging en dat zij de relatie met O en klaagster sub 1 niet meer helder op het netvlies had.
5.17 Daarmee heeft verweerster tijdens het bemiddelingsgesprek feiten gepresenteerd waarvan zij de onwaarheid kende of behoorde te kennen. Immers, als niet weersproken staat vast dat verweerster in de periode 2017 tot en met 2020 gedurende 891 uur voor klaagster sub 1 werkzaamheden heeft verricht. Dat verweerster tijdens het bemiddelingsgesprek in de veronderstelling verkeerde dat het hier slechts om een paar uurtjes ging, acht de raad dan ook ongeloofwaardig. De raad rekent het verweerster zwaar aan dat zij aldus ten overstaan van klaagster sub 1 en de deken onwaarheid heeft gesproken. Klachtonderdeel 4 is gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat zij tijdens een bemiddelingsgesprek met de deken onwaarheid heeft gesproken. Verweerster heeft daarmee in strijd gehandeld met de kernwaarde integriteit in de zin van artikel 10a Advocatenwet. De raad rekent verweerster dit handelen in strijd met de kernwaarde integriteit zwaar aan. Gelet op de aard van het gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijt acht de raad een voorwaardelijke schorsing voor de duur van twee weken passend en geboden.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht deels gegrond verklaart,moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagsters betaalde griffierecht van € 50,- aan hen vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagsters geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing een rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klaagsters;
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagsters. Klaagsters geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing een rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klaagster sub 1 niet-ontvankelijk in klachtonderdeel 3;
- verklaart klaagster sub 2 niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen 1, 2 en 4;
- verklaart de klachtonderdelen 1, 2 en 3 ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel 4 gegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van twee weken op;
- bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerster de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verweerster zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging;
- stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagsters;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagsters, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. A.J.C. Perdaems, H.M.S. Cremers, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber – van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 9 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 9 maart 2026