ECLI:NL:TADRSHE:2026:31 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-452/DB/LI

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:31
Datum uitspraak: 09-03-2026
Datum publicatie: 09-03-2026
Zaaknummer(s): 25-452/DB/LI
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Verzet. De voorzitter heeft bij de beoordeling van de klacht de juiste maatstaf toegepast en voorts rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Verzet ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 9 maart 2026

in de zaak 25-452/DB/LI

naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de (plaatsvervangend) voorzitter van de raad van discipline van 28 oktober 2025 op de klacht van:

klager


over:

verweerster

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 

1.1 Op 14 februari 2025 heeft klager tegen verweerster een klacht ingediend bij  de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: “de deken”).

1.2 Op 9 juli 2025 heeft de raad het dossier met kenmerk K25-018 van de deken ontvangen.

1.3 Op 3 augustus 2025 heeft klager verzocht om de wraking van de (plaatsvervangend) voorzitter van de raad.  De wrakingskamer van de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, als plaatsvervanger van de wrakingskamer van de raad van discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch, heeft bij beslissing van 13 oktober 2025 (ECLI:NL:TADRARL:2025:225) het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond verklaard.

1.4 Bij beslissing van 28 oktober 2025 heeft de (plaatsvervangend) voorzitter van de raad de klacht kennelijk ongegrond verklaard.

1.5 Bij e-mail van 13 november 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de (plaatsvervangend) voorzitter.

1.6 Partijen zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het verzet tijdens de zitting van de raad op 26 januari 2026. Verschenen is verweerster, bijgestaan door mr. G. zijnde haar patroon. Klager is niet verschenen.

1.7 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de beslissing van de voorzitter is gebaseerd, van het verzetschrift en van het nagekomen e-mailbericht van klager van 12 januari 2026. Aan klager is bericht dat het in deze e-mail genoemde wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen en dat hij zijn overige in de e-mail genoemde verzoeken ter zitting kan toelichten, waarna de raad zal beslissen.

2 FEITEN EN KLACHT

2.1 Voor een weergave van de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.

3 VERZET

3.1 De gronden van het verzet houden het volgende in:

Klager is het niet eens met de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter. De beslissing van de plaatsvervangend voorzitter is onjuist. Klager verzoekt de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter te vernietigen.

4 BEOORDELING


4.1 Op de klagers e-mail van 12 januari 2026 onder “petitum” vermelde verzoeken beslist de raad afwijzend. Voor het stellen van prejudiciële vragen (vordering 1) ziet de raad geen aanleiding en vordering 2 is onbegrijpelijk. De raad acht zich voldoende voorgelicht om het door klager ingestelde verzet te beoordelen.

4.2 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

4.3 De raad is op grond van het verzetschrift van oordeel dat de verzetgronden van klager niet slagen. De voorzitter heeft bij de beoordeling van de klacht de juiste maatstaf toegepast en voorts rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.

4.4 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor verder onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart het verzet ongegrond.

Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. A.J.C. Perdaems en H.M.S. Cremers, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 9 maart 2026.

Griffier                                                           Voorzitter

Verzonden op: 9 maart 2026