ECLI:NL:TADRSHE:2026:29 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-829/DB/MN

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:29
Datum uitspraak: 09-03-2026
Datum publicatie: 09-03-2026
Zaaknummer(s): 25-829/DB/MN
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Niet gebleken dat verweerder in of buiten rechte informatie heeft verstrekt waarvan hij weet, althans behoort te weten, dat deze onjuist is, noch dat hij zich onnodig grievend over klager heeft uitgelaten. Als door klager erkend staat vast dat hij meerdere klachten tegen L heeft ingediend. Het stond verweerder vrij om in het kader van de behartiging van de belangen van zijn cliënt de context te schetsen in dat verband melding te maken van het aantal ingediende klachten. Verder staat vast dat het Openbaar Ministerie in de sepotbeslissing heeft vermeld dat niet tot de verdere vervolging van klager werd overgegaan omdat er naar het oordeel van het Openbaar Ministerie onvoldoende bewijs was. Klager heeft zich beklaagd over L omdat deze in de visie van klager aan de kinderen had moeten melden dat klager onschuldig was bevonden. Het was de taak van verweerder om namens L tegen die klacht verweer te voeren en in dat verband in het verweerschrift de feitelijke grondslag van die klacht te weerleggen. Dat heeft verweerder ook gedaan. Verweerder heeft namens L gesteld: “Daarin staat niet dat klager onschuldig is bevonden. Er staat dat er onvoldoende bewijs is. Dat is wezenlijk iets anders. Klager kon dus sowieso niet aan wie dan ook de mededeling doen dat klager onschuldig was bevonden.”  Die stelling is niet feitelijk onjuist en mocht verweerder in het kader van de behartiging van de belangen van zijn cliënt poneren. Ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 9 maart 2026

in de zaak 25-829/DB/MN

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 20 februari 2025 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: “de deken”).

1.2 Bij beslissing van 27 november 2025 heeft het Hof van Discipline de behandeling van de klachtzaak verwezen naar de raad van discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch omdat verweerder advocaat-lid is van de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden.

1.3 Op 28 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2466787 van de deken ontvangen.

1.4 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 26 januari 2026. Verschenen zijn klager en verweerder.

1.5 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de volgende nagekomen stukken:

- de e-mail van klager van 28 november 2025.  

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2 De drie kinderen van klager en zijn ex-echtgenote zijn onder toezicht gesteld (geweest). De ondertoezichtstelling (OTS) is uitgevoerd door Samen Veilig Midden-Nederland (hierna: “SVMN”). SVMN is een gecertificeerde instelling. De jeugdzorgmedewerkers van SVM traden op als gezinsvoogd.

2.3 Klager heeft sinds 2016 tegen meerdere jeugdzorgmedewerkers van SVMN die optraden als gezinsvoogd klachten ingediend bij het College van Toezicht van de Stichting Kwaliteitsregister en Jeugd (SKJ). Verweerder heeft deze jeugdzorgmedewerkers als advocaat bijgestaan.

2.4 In 2019 heeft de ex-echtgenote van klager bij de politie aangifte gedaan tegen klager van seksueel grensoverschrijdend gedrag tussen klager en een van de kinderen. Bij brief van 15 mei 2020 heeft het Arrondissementsparket Oost-Nederland klager als volgt bericht:

“(…) Inmiddels heb ik besloten u daarvoor niet verder te vervolgen. De reden hiervoor is dat naar mijn oordeel:

er onvoldoende bewijs is.(…)”

2.5 Klager heeft tegen jeugdzorgmedewerker de heer L, hierna: “L”, acht maal een klacht ingediend. Een van deze acht klachtzaken betreft een door klager op 11 februari 2023 ingediende klacht. In deze klachtzaak verweet klager L – onder meer – dat hij de kinderen nimmer heeft medegedeeld dat klager onschuldig was bevonden aan de aantijgingen van klagers ex-echtgenote.  In deze klachtzaak heeft verweerder namens L een verweerschrift ingediend, waarin hij namens L onder meer het volgende naar voren heeft gebracht:

“(…) (5) Klager heeft reeds verschillende malen tegen verweerder een klacht ingediend. Het gaat in ieder geval om de zaken die bij het College van Toezicht bekend zijn onder de nummers 16.137Tb, 19.489Ta, 20.181Ta en 20.094Ta. Verweerder verwijst naar de verweerschriften die hij in die zaken heeft ingediend. In alle zaken is door klager beroep ingesteld bij het College van Beroep.

(6) Klager heeft daarnaast tegen alle bij de uitvoering van de OTS betrokken medewerkers van SaVe en tegen SaVe zelf klachten ingediend,, niet alleen bij de tuchtrechter van de c maar ook bij andere instanties. Ook tegen anderen dient klager klachten in, bijvoorbeeld ook bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg tegen de moeder van zijn kinderen – zij is verpleegkundige- en tegen de rechters die de bij de rechtbank gevoerde procedures behandelen. De lijst van klachten is eindeloos; de ontwrichting die daarmee gepaard gaat is disproportioneel. Klager is kennelijk niet in staat om zichzelf ten aanzien van het indienen van klachten enige begrenzing op te leggen. Hij misbruikt in de visie van verweerder het tuchtrecht en de andere mogelijkheden om- zonder financieel risico voor hemzelf, maar met grote belasting van het systeem en de aangeklaagden – te blijven klagen. Het is daarbij evident dat klager geen enkel doel nastreeft dat door het tuchtrecht wordt beoogd, maar alleen zijn eigen belang voor ogen heeft. Alleen al het aantal klachten en klachtonderdelen dat klager over verweerder heeft ingediend is disproportioneel.

(12.) De klacht is daarnaast zonder grond. Door klager is de sepotbeslissing van het OM van 15 mei 2020 overgelegd. Daarin staat niet dat klager onschuldig is bevonden. Er staat dat er onvoldoende bewijs is. Dat is wezenlijk iets anders. Klager kon dus sowieso niet aan wie dan ook de mededeling doen dat klager onschuldig was bevonden. Bovendien had verweerder dat niet kúnnen doen, omdat hij vanaf 12 mei 2020 geen gezinsvoogd meer was. (…)”

2.6 Bij beslissing van 5 januari 2024 heeft het College van Toezicht het volgende geoordeeld:

“(…) (4.1.2) Het College stelt vast dat de ondertoezichtstelling is geëindigd op 12 mei 2020 en dat de sepotbeslissing, waarin de aangifte tegen de vader is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs, op 15 mei 202 aan de vader is verstuurd. Het College kan niet vaststellen in hoeverre de jeugdprofessional al dan niet op de hoogte was van de sepotbeslissing, omdat deze is verstuurd na afsluiting van de ondertoezichtstelling en de vader en de jeugdprofessional elkaar op dit punt tegenspreken. Wel kan het College constateren dat het, los van de vraag of de jeugdprofessional van de sepotbeslissing op de hoogte was, niet de taak van de jeugdprofessional was om de sepotbeslissing te delen met de kinderen, nu zijn betrokkenheid als gezinsvoogd op dat moment al was geëindigd. Dat de vader in beroep is gegaan tegen het beëindiging van de ondertoezichtstelling doet hier niet aan af.

(4.1.3) Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.(…)”

2.7 Klager heeft tegen de beslissing van het College van Toezicht beroep ingesteld. Bij beslissing van 18 december 2024 heeft het College van Beroep het volgende geoordeeld:

“(…) (4.1.2) De behandeling in beroep heeft geen ander licht geworpen op de beoordeling van het klachtonderdeel. Het College van Beroep onderschrijft het oordeel van het College van Toezicht en de overwegingen waarop dat oordeel rust. Vaststaat dat de ondertoezichtstelling op 12 mei 2020 is geëindigd en dat de jeugdprofessional vanaf dat moment niet meer betrokken was als gezinsvoogd. Vaststaat ook dat de sepotbeslissing op 15 mei 2020 is genomen en naar de vader is verstuurd. In hoeverre de jeugdprofessional na 12 mei 2020 wel of niet op de hoogte was van de sepotbeslissing en of hij wel of niet de verplichting had om de sepotbeslissing met de kinderen te delen, is voor de beoordeling van het beroepsmatig handelen van de jeugdprofessional niet relevant naar het oordeel van het College van Beroep. Immers, zijn betrokkenheid als gezinsvoogd was op 12 mei geëindigd. Voor de goede orde zij hier vermeld dat uit de sepotbeslissing niet volgt dat vader onschuldig is bevonden dan wel is vrijgesproken. Daaruit volgt uitsluitend dat het Openbaar Ministerie heeft besloten om vader, bij gebrek aan bewijs, niet verder te vervolgens, In die zin is het verwijt van de vader aan de jeugdprofessional ook ongegrond.(…)”

2.8 Op 20 februari 2025 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:

1. Verweerder heeft in of buiten rechte informatie verstrekt waarvan hij weet, althans behoort te weten, dat deze onjuist is;

2. Verweerder heeft zich onnodig grievend over klager uitgelaten.

4 VERWEER

4.1 Verweerder heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5 BEOORDELING

5.1Toetsingskader

Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

5.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:

–           het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,

–           het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,

–           het verloop van het geschil tot dan toe en

–           de kans op succes van de procedure.

5.3 Beoordeling

De klachtonderdelen 1 en 2 hangen met elkaar samen en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Klager verwijt verweerder dat hij in of buiten rechte informatie heeft verstrekt waarvan hij weet, althans behoort te weten, dat deze onjuist is en dat hij zich onnodig grievend over klager heeft uitgelaten. Verweerder heeft deze verwijten uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken. De raad overweegt als volgt.

5.4 De klacht van klager heeft betrekking op hetgeen verweerder in de randnummers 5, 6 en 12 van het verweerschrift namens zijn cliënt naar voren heeft gebracht. De raad is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder in de randnummers 5, 6 en 12  informatie heeft verstrekt waarvan hij weet, althans behoort te weten, dat deze onjuist is.

5.5 Als door klager erkend staat vast dat hij meerdere klachten tegen L heeft ingediend. Naar het oordeel van de raad stond het verweerder vrij om in het kader van de behartiging van de belangen van zijn cliënt de context te schetsen en in dat verband melding te maken van het aantal ingediende klachten. Indien en voor zover een of meerdere klachten gegrond zijn verklaard kon klager dit in de procedure bij het College van Toezicht en vervolgens het College van Beroep naar voren brengen.

5.6 Verder staat vast dat het Openbaar Ministerie in de sepotbeslissing heeft vermeld dat niet tot de verdere vervolging van klager werd overgegaan omdat er naar het oordeel van het Openbaar Ministerie onvoldoende bewijs was. Klager heeft zich beklaagd over L omdat deze in de visie van klager aan de kinderen had moeten melden dat klager onschuldig was bevonden. Het was de taak van verweerder om namens L tegen die klacht verweer te voeren en in dat verband in het verweerschrift de feitelijke grondslag van die klacht te weerleggen. Dat heeft verweerder ook gedaan. Verweerder heeft namens L gesteld: “Daarin staat niet dat klager onschuldig is bevonden. Er staat dat er onvoldoende bewijs is. Dat is wezenlijk iets anders. Klager kon dus sowieso niet aan wie dan ook de mededeling doen dat klager onschuldig was bevonden.”  Die stelling is niet feitelijk onjuist en mocht verweerder in het kader van de behartiging van de belangen van zijn cliënt poneren.

5.7 Dat verweerder wist of behoorde te weten dat de stellingen die hij namens zijn cliënt in het verweerschrift poneerde feitelijk onjuist waren is kortom niet gebleken. Het moge zo zijn dat de door verweerder namens zijn cliënt geponeerde stellingen klager onwelgevallig waren, maar dat maakt die stellingen nog niet onnodig grievend. Verweerder heeft genoegzaam gemotiveerd toegelicht dat en waarom hij het in het kader van de behartiging van de belangen van zijn cliënt nodig vond om de gewraakte stellingen in het verweerschrift op te nemen. Dat klagers belangen door toedoen van verweerder nodeloos zijn geschaad is niet gebleken.

5.8 De raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat niet is gebleken dat verweerder de grenzen van de aan hem, in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden.  De raad zal de klacht in beide onderdelen ongegrond verklaren.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart de klacht in beide onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. A.J.C. Perdaems, H.M.S. Cremers, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber – van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 9 maart 2026.

Griffier                                                                          Voorzitter

Verzonden op: 9 maart 2026