ECLI:NL:TADRSHE:2026:28 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 22-432/DB/ZWB/D
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:28 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-03-2026 |
| Datum publicatie: | 09-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 22-432/DB/ZWB/D |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Dekenbezwaar. Ontvankelijkheid: Verweerder heeft aangevoerd dat de deken geen belang heeft bij beoordeling van het dekenbezwaar nu het alsnog verkrijgen van een stageverklaring, vereist om als advocaat hernieuwd op het tableau te kunnen worden ingeschreven, een feitelijke onmogelijkheid is geworden. Verweerder heeft daarnaast aangevoerd dat er evenmin een algemeen belang bestaat bij het verkrijgen van een inhoudelijk oordeel van de raad, omdat het onderwerp van het dekenbezwaar (integriteit en strafbare feiten) geen verfijning, verheldering of toelichting van de bestaande tuchtrechtspraak behoeft. De raad is van oordeel dat de deken wel ontvankelijk is. Dat de kans op een hernieuwde inschrijving van verweerder op het tableau thans reeds nihil is, maakt naar het oordeel van de raad niet dat de deken bij het vragen van een tuchtrechtelijke reactie geen belang (meer) heeft. Gezien de ernst van de door de rechtbank bewezen verklaarde strafbare feiten is het algemeen belang bij het geven van een tuchtrechtelijke reactie en het daarmee samenhangende signaal aan de beroepsgroep en het publiek naar het oordeel van de raad gegeven, ook indien die tuchtrechtelijke reactie geen verfijning, verheldering of toelichting van bestaande tuchtrechtspraak oplevert.Inhoudelijk: Verweerder heeft zich schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne, het witwassen van grote geldbedragen en aan ondergronds bankieren, waarbij hij financiële regelgeving heeft overtreden, die bedoeld is om de integriteit van het betalingsverkeer in de maatschappij te waarborgen. Deze strafbare feiten zijn in het licht van de beroepsuitoefening absoluut ongeoorloofd en ondermijnen het vertrouwen in de advocatuur.Verweerder voldoet niet aan de in de Voda gestelde eisen om het beroep van advocaat uit te mogen oefenen, doordat hij niet beschikt over een verklaring van voltooide stage en doordat hij geen kantoor houdt. Verweerder heeft de belangen van zijn cliënten geschaad, althans heeft het risico genomen deze belangen te schaden, doordat hij heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een behoorlijke waarneming van zijn praktijk tijdens zijn detentie. De gegrond bevonden tuchtrechtelijk verwijten leveren een schending op van de kernwaarden van de advocatuur. Gegrond. Schrapping. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 9 maart 2026
in de zaak 22-432/DB/ZWB/D
naar aanleiding van het bezwaar van:
deken
over:
verweerder
gemachtigde:
mr. N.A. de Leon-van den Berg
advocaat te Utrecht
1 Verloop van de procedure
1.1 Bij brief van 23 mei 2022 met kenmerk K22-033 heeft de (toenmalige) deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant, hierna: “de deken”, tegen verweerder een dekenbezwaar bij de raad ingediend.
1.2 Partijen zijn opgeroepen voor de behandeling van het dekenbezwaar ter zitting van 31 oktober 2022.Verschenen zijn de (toenmalige) deken, vergezeld van mr. K, stafjurist van het Bureau van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant, en verweerders gemachtigde, mr. L advocaat. Ter zitting heeft de raad het door verweerders gemachtigde geformuleerde verzoek om aanhouding gehonoreerd. De raad heeft bepaald dat de behandeling van het dekenbezwaar wordt aangehouden totdat in de strafzaak in eerste aanleg is beslist. Van hetgeen ter zitting van 31 oktober 2022 is besproken is proces-verbaal opgemaakt.
1.3 Bij vonnis van 29 oktober 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:12864) heeft de rechtbank Rotterdam in eerste aanleg in de strafzaak beslist. Op 17 november 2025 heeft de deken de raad verzocht om voortzetting van de behandeling van het dekenbezwaar. Partijen zijn vervolgens opgeroepen voor de mondelinge behandeling op 26 januari 2026.
1.4 Ter zitting van de raad zijn de deken en verweerders gemachtigde, mr. L, verschenen. Verweerder is niet verschenen. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.5 De raad heeft kennisgenomen van:
- de onder 1.1 genoemde brief van de deken van 23 mei 2022 met bijlagen;
- de brief van de deken van 14 oktober 2022 met bijlagen;
- de e-mail van de deken van 17 november 2025, waarbij gevoegd het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 oktober 2025.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van het bezwaar van de deken wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende feiten uitgegaan:
2.1 Verweerder heeft van 22 februari 2019 tot 18 augustus 2022 op het tableau als advocaat ingeschreven gestaan.
2.2 Verweerder is in 2019 begonnen als stagiair-ondernemer. De geplande einddatum van zijn stage was 8 mei 2022. De (buiten)patroon van verweerder was mr. M.
2.3 In mei 2020 is het openbaar ministerie een strafrechtelijk onderzoek gestart naar verweerder en zijn broer, die werden verdacht van betrokkenheid bij grootschalige drugshandel in cocaïne in georganiseerd verband en witwassen. Er zijn bijzondere opsporingsbevoegdheden ingezet, waaronder taps, peilbakens en ovc’s. Uit dit onderzoek is een verdere verdenking ontstaan dat verweerder zich bezighield met de handel in verdovende middelen.
2.4 In maart 2021 is ook gebleken dat verweerder gebruik maakte van de Sky-ecc applicatie op zijn telefoons. Op 9 maart 2021 heeft een doorzoeking in de woning van verweerder plaatsgevonden. Tijdens deze doorzoeking zijn - onder meer - telefoons, horloges en een geldbedrag in beslag genomen.
2.5 De deken heeft op 9 april 2021 bij de raad een verzoek ingediend op grond van artikel 60ab Advocatenwet. Bij beslissing van 23 april 2021 (ECLI:NL:TADRSHE:2021:73) heeft de raad dit verzoek afgewezen omdat op basis van de bevindingen van destijds onvoldoende kon worden vastgesteld dat er sprake was van ernstige vermoedens van strafbaar handelen van verweerder.
2.6 De Sky gesprekken zijn vervolgens door de politie geanalyseerd. Aan verweerder werden door de politie drie Sky-id’s toegeschreven. Uit de analyse van de Sky-ecc gegevens blijkt dat verweerder veelvuldig contacten onderhield met derden waarin het duidelijk gaat over de handel in drugs. Op 28 maart 2022 is verweerder aangehouden . Op 30 maart 2022 is de inverzekeringstelling van verweerder gelast. Op 31 maart 2022 is verweerder voorgeleid aan de rechter-commissaris en is een bevel tot bewaring gegeven omdat er sprake is van gewichtige redenen van maatschappelijke veiligheid die de onverwijlde vrijheidsbeneming van verweerder vordert en dat er ernstig rekening mee wordt gehouden dat verweerder opnieuw een misdrijf zal begaan.
2.7 Verweerders buitenpatroon mr. M heeft de (toenmalige) waarnemend deken bij e-mail van 30 maart 2022 als volgt bericht:
“Ik heb met u gesproken in uw hoedanigheid van waarnemend Deken. Besproken is dat ik als patroon van [verweerder] verantwoordelijk ben voor zijn dossiers en zijn kantoor tijdens zijn afwezigheid. Het is mij echter vooralsnog vrijwel onmogelijk gebleken om dit op een correcte wijze te doen om onderstaande redenen:
• Ik heb geen toegang tot [verweerder], daar hij in volledige beperkingen zit. Ik kan dus niets met hem bespreken.
• Ik heb op 28 maart 2022 zijn advocatenpas ontvangen die echter op 27 maart 2022 verlopen was. Ik kan dus niet in zijn elektronische advocatenportaal "mijn strafdossiers". Misschien kan de Orde er zorg voor dragen dat de geldigheidsduur van zijn advocatenpas wordt verlengd?
• Zijn ICT verantwoordelijke weigert mij de wachtwoorden tot zijn email en server zolang hij daarvoor geen toestemming van [verweerder] heeft verkregen. Ik begrijp dat de ICT verantwoordelijke inmiddels contact op heeft genomen met mr. [B] (de advocaat van [verweerder]) met het verzoek om toestemming om aan mij de wachtwoorden te verstrekken. Ik heb daar niets meer op terug gehoord.
• De kantoortelefoon van [verweerder] staat doorgeschakeld naar zijn mobiele nummer, zijn mobiel is in beslag genomen door de recherche. Ik kan dus zijn kantoortelefoon niet opnemen. Hulp vanuit justitie is gewenst. Wellicht kunnen zij er voor zorgen dat zijn telefoon wordt doorgeschakeld naar mijn kantoortelefoon?
Ik moet dus werken met de papieren dossiers die op kantoor aanwezig zijn. Sinds maandag wordt de mail niet beantwoord, de telefoon niet beantwoord en loopt de informatieachterstand steeds verder op.
Samenvattend: ik kan niet bij zijn email, niet op zijn server, kan zijn kantoortelefoon niet opnemen en heb geen toegang tot zijn advocatenportaal. Het is dus vrijwel onmogelijk om zijn kantoor goed waar te nemen. (…)
Kortom er moet met spoed een oplossing komen.”
2.8 De deken heeft op 1 april 2022 opnieuw een verzoek op grond van artikel 60ab Advocatenwet bij de raad ingediend. De raad heeft dit verzoek bij beslissing van 14 april 2022 (ECLI:NL:TADRSHE:2022:54) toegewezen. De raad overwoog onder meer als volgt:
“(5.3) De raad is van oordeel dat uit het door deken in de onderhavige procedure aangeleverde materiaal, zijnde de vordering tot inbewaringstelling, het bevel tot bewaring van de rechter commissaris en stukken uit het politiedossier, voldoende blijkt dat verweerder onbetamelijk gedrag heeft getoond dat het vertrouwen in de advocatuur schaadt. Zo zijn er concrete aanwijzingen aangetroffen van de betrokkenheid van verweerder bij drugshandel. Uit de analyse van de Sky-ecc gesprekken blijkt dat verweerder 3 telefoons in gebruik heeft waarmee ontmoetingen en afspraken worden gemaakt. Er worden codewoorden doorgegeven, foto’s en logo’s op blokken drugs doorgestuurd en adressen aan chauffeurs doorgegeven. De ontmoetingen en afspraken die in chats met het toestel van verweerder worden gemaakt, worden ook bewezen door opgenomen gesprekken in de shisha-lounge, doordat het baken onder de auto van verweerder aangeeft dat hij daadwerkelijk ter plekke verschijnt en door observaties van de recherche.
(5.4) De raad is dan ook met de deken van oordeel dat uit de aan de raad overgelegde stukken en het ter zitting verhandelde is gebleken dat er sprake is van een ernstig vermoeden van een handelen door verweerder waardoor enig door artikel 46 beschermd belang ernstig is geschaad of dreigt te worden geschaad. Het primaire verzoek van de deken zal derhalve worden toegewezen.”
2.9 Bij e-mail van 4 april 2022 heeft mr. M de (toenmalige) waarnemend deken als volgt bericht:
“Langs deze weg geef ik u, conform afspraak, een update van de huidige situatie rondom de waarneming van advocatenkantoor [verweerder].
Heden heb ik gepoogd [verweerder] te bezoeken in Vught, dit is niet gelukt omdat hij mij niet te woord heeft willen staan. Ik wilde hem spreken in verband met vragen die ik heb aangaande de waarneming van zijn kantoor.
De problemen waar ik tegenaan loop zijn bijvoorbeeld:
• De advocatenpas van [verweerder] is op 27 maart 2022 verlopen, waardoor er niet ingelogd kan worden op zijn advocatenportaal.
• De telefoon van Advocatenkantoor [verweerder] staat doorgeschakeld naar zijn mobiele telefoon, welke in beslag is genomen door justitie, waardoor wij zijn kantoor telefoon niet op kunnen nemen. Deze doorschakeling is nog altijd niet opgeheven.
• Ons kantoor kan niet bij de email van Advocatenkantoor [verweerder] waardoor zijn email niet gelezen wordt. De ICT Manager van [verweerder] geeft aan dat hij zonder toestemming van [verweerder] de mailwachtwoorden niet aan mij mag verstrekken.
• Hetzelfde geldt voor de inlogcodes van' AdvocaatCentraal'. Juist daar zou alle cliënteninformatie te vinden moeten zijn zoals tel nrs, email adressen etc.
• Er moet een oplossing komen voor het personeel van advocatenkantoor [verweerder] bijvoorbeeld Ontslag/WW
Als er cliënten of instanties hun beklag zouden doen over de (on)bereikbaarheid van advocatenkantoor [verweerder], dan kan ik ze alleen maar gelijk geven. De telefoon wordt niet beantwoord en de mail wordt noch gelezen, noch beantwoord, althans niet door mij. Het zou zo kunnen zijn dat het personeel van Advocatenkantoor [verweerder] wel bij de kantooremail kan en wel bij Advocaatcentraal kan. Ik heb daar geen wetenschap van en geen zicht op.”
2.10 In de vergadering van 11 april 2022 heeft de raad van de orde van advocaten besloten om aan verweerder geen stageverklaring uit te reiken. Dit besluit is vervolgens schriftelijk vastgelegd en op 25 april 2022 aan verweerder verzonden, waarbij aan verweerder het volgende is medegedeeld:
“In de vergadering van de raad van de orde van 11 april 2022 is besproken of aan u op 8 mei 2022, de einddatum van uw stage, een verklaring ex artikel 3.2 Voda kan worden uitgereikt.
De raad heeft ambtshalve besloten daar niet toe over te gaan (art. 3.4, lid, sub d Voda).
Reden daarvoor is dat er sprake is van ernstige verdenkingen tegen u waarbij sprake is van handelen in strijd met de kernwaarden die gelden voor advocaten waaronder de kernwaarde integriteit. Op 28 maart 2022 bent u aangehouden omdat er sprake is van ernstige verdenkingen inzake handel in cocaïne en witwassen. Op 30 maart 2022 is gelast u in bewaring te nemen. Op 31 maart 2022 bent u voorgeleid aan de rechter-commissaris en is een bevel tot bewaring gegeven. Reden hiervoor is dat er sprake is van gewichtige redenen van maatschappelijke veiligheid die de onverwijlde vrijheidsbeneming van u vordert en dat er ernstig rekening mee wordt gehouden dat u opnieuw een misdrijf zult begaan.
De raad heeft er gezien de ernst van de verdenkingen en kennisgenomen hebbend van de resultaten van het justitiële onderzoek geen vertrouwen in dat u zich in de praktijk zult houden aan de voor advocaten geldende kernwaarden. Dit geldt voor iedere van de hiervoor genoemde reden op zichzelf, maar ook voor de combinatie van een of meer van deze redenen. Daarom heeft de raad ambtshalve besloten om aan u geen verklaring van voltooide stage uit te reiken.”
2.11 Op 12 april 2022 heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen voor de duur van 90 dagen.
2.12 Op 26 april 2022 heeft mr. M de huurovereenkomst ter zake de door verweerder van mr. M gehuurde kantoorruimte opgezegd. In de door verweerder en mr. M ondertekende opzeggingsbrief is vermeld dat verweerders advocatenkantoor de activiteiten per 1 april 2022 heeft beëindigd.
2.13 Op 4 mei 2022 heeft tussen de (toenmalige) deken, mr. R (adjunct-secretaris van het Bureau van de Orde van Advocaten Zeeland-West-Brabant), mr. K (stafjurist van het Bureau van de Orde van Advocaten Zeeland-West-Brabant) en mr. M (patroon van verweerder) een gesprek plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek heeft mr. M het volgende verklaard:
“(…) De deken vraagt mr. [M] naar de waarneming. Mr. [M] geeft aan dat zij van [verweerder] en zijn advocaat geen enkele medewerking krijgt. [Verweerder] heeft haar recent nog (in laatste week van april 2022) gevraagd om een mail te sturen aan de Raadkamer en daarin aan te geven dat het noodzakelijk is dat [verweerder] vrij komt om de praktijk op orde te maken. Mr. [M] heeft dat verzoek niet ingewilligd. Ze heeft de waarneming nu onder controle en verwacht in september 2022 de meeste dossiers te hebben afgerond of overgedragen. De deken vraagt mr. [M] hem hierover op de hoogte te houden, wat mr. [M] toezegt.
Mr. [M] geeft voorts aan dat de huurovereenkomst met verweerder per 1 april 2022 is beëindigd met wederzijds goedvinden. De vaststellingsovereenkomst zal zij toezenden aan de deken. De sloten van het kantoorpand zijn vervangen en de medewerker die [verweerder] in dienst had – [SH] (een zwager van [verweerder])- is nog in dienst bij [verweerder], maar kan ook niet meer in het kantoorpand. Hij stuurt wel de aan [verweerder] gerichte mails door aan mr. [M]. [SH] doet vooral administratieve taken en heeft geen inhoudelijke bemoeienis met de dossiers.
De deken vraagt waarom mr. [M] de berichten aan [verweerder] niet rechtstreeks ontvangt. Mr. [M] geeft aan dat de ICT-medewerker van verweerder de wachtwoorden weigert te geven. Ook de ICT-medewerker is een familielid/oom van [verweerder]. (…)”
2.14 Op 17 juni 2022 heeft de Algemene Raad van de Orde van Advocaten besloten om verweerder per 18 augustus 2022 te schrappen van het tableau vanwege het feit dat verweerder geen stageverklaring had ontvangen.
2.15 Verweerder heeft zowel tegen het besluit van de raad van de Orde van 11 april 2022 als tegen het besluit van de Algemene Raad van 17 juni 2022 administratief beroep ingesteld. Op enig moment heeft verweerder dit beroep ingetrokken.
2.16 Op 12 juli 2022 is in het NRC een artikel gepubliceerd met de titel “Drie dekens probeerden [initialen verweerder] uit de advocatuur te houden, tevergeefs”. Het artikel maakt melding van een strafrechtelijke veroordeling van verweerder in 2005 vanwege het bezit van harddrugs, het zich verzetten bij aanhouding en het beledigen van een ambtenaar in functie en de daarmee samenhangende afwijzing van het in 2013 door verweerder bij de Orde ingediende verzoek tot beëdiging. In het artikel is vermeld dat het Hof van Discipline in 2018 heeft geoordeeld dat verweerder moest worden toegelaten tot het tableau. Ook bevat het artikel een toelichting van de toenmalige deken op het toezicht op verweerder in het licht van de in 2019/2020 tegen verweerder gerezen verdenking van de handel in verdovende middelen.
2.17 Het Openbaar Ministerie en (de advocaat van) verweerder hebben in de periode van 3 oktober 2022 tot en met 27 juni 2023 gesprekken met elkaar gevoerd in het kader van eventuele procesafspraken. Naar aanleiding daarvan hebben het Openbaar Ministerie en verweerder op 26 juni 2024 een overeenkomst houdende procesafspraken gesloten. De in de overeenkomst opgenomen procesafspraken houden - voor zover relevant - het volgende in:
- het Openbaar Ministerie zal tot een bewezenverklaring en kwalificatie requireren van de feiten 1 primair, 2, 3 en 4;
- het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting een gevangenisstraf van 5 jaar onvoorwaardelijk met aftrek van voorarrest eisen;
- het Openbaar Ministerie zal de verdachte in de toekomst niet vervolgen voor andere zaken uit de dataset, met dien verstande dat dit alleen geldt voor de met betrekking tot de Sky-id’s [Sky-ID 1], [Sky-ID 2] en [Sky-ID 3] gebleken drugsdelicten, waaronder ook inbegrepen artikel 11b Opiumwet en artikel 140 Wetboek van Strafrecht (daar waar het drugsdelicten betreft), witwassen en bankieren zonder vergunning. Vervolging blijft wat het Openbaar Ministerie betreft mogelijk bij een gewelds- of ander slachtofferdelict;
- de verdediging zal geen onderzoekswensen indienen en zal reeds gedane onderzoekswensen intrekken;
- de verdediging zal geen bewijsverweren en strafmaatverweren voeren;
- de verdachte hoeft geen (nadere) verklaring af te leggen;
- de verdachte doet afstand van de inbeslaggenomen goederen met de goednummers 652603, 652552, 652559, 652566, 652618 en een simkaart;
- tijdens de inhoudelijke behandeling zal de verdachte zich niet verzetten tegen de vordering opheffing schorsing van de voorlopige hechtenis;
- de verdachte zal geen verzoek doen tot opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis, behoudens zeer zwaarwegende persoonlijke omstandigheden;
- indien de rechtbank de procesafspraken volgt, zullen de verdediging en het Openbaar Ministerie geen hoger beroep instellen;
- de verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis en de gevangenisstraf onttrekken.
2.18 Deze overeenkomst is op voorhand aan de rechtbank overgelegd. Op de zitting van 16 oktober 2025 zijn de procesafspraken door de procespartijen formeel aan de rechtbank kenbaar gemaakt en besproken.
2.19 Bij vonnis van 29 oktober 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:12864) heeft de rechtbank – onder meer – het volgende overwogen:
“De verdachte en het Openbaar Ministerie hebben overeenstemming bereikt over de hoogte van de ontnemingsvordering en zijn hiertoe een schikking ex artikel 511c Sv overeengekomen. De verdachte heeft het overeengekomen bedrag betaald.
Op grond van artikel 6:4:18 lid 1 Sv is door voldoening aan de voorwaarden van een schikking tussen het Openbaar Ministerie en de veroordeelde de zaak voor zover het de ontnemingsvordering betreft van rechtswege geëindigd. (…)
De rechtbank acht het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Nu de verdediging geen (bewijs)verweren heeft gevoerd, zullen deze feiten zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. (…)
De bewezen feiten leveren op:
1 primair:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
2:
medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, mede te plegen of daarbij behulpzaam te zijn, zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, en voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;
3:
medeplegen van gewoontewitwassen, meermalen gepleegd;
4:
medeplegen van een gewoonte maken van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan.
(…)
De verdachte heeft zich samen met anderen gedurende een langere periode bezig gehouden met de handel in cocaïne. Uit het dossier leidt de rechtbank af dat de verdachte een initiërende en sturende rol had bij de aanschaf, distributie en verkoop van cocaïne.
De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Cocaïne is een zeer verslavende harddrug die schadelijk is voor de volksgezondheid. Met de handel in cocaïne wordt veel geld verdiend en de gehele keten hieromheen - van land van herkomst waar de cocaïne wordt geproduceerd tot de gebruiker - gaat gepaard met vele vormen van (ernstige) criminaliteit. De verdachte heeft gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich daarbij niets aangetrokken van de belangen van de maatschappij.
Naast de handel in cocaïne heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan (en een gewoonte gemaakt van) het witwassen van grote geldbedragen. Door uit criminele activiteiten verkregen geld in de reguliere economie om te zetten wordt de integriteit van het economische verkeer aangetast en is, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de integriteit van het financiële handelsverkeer. Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan ondergronds bankieren. De verdachte heeft daarbij financiële regelgeving overtreden, die bedoeld is om de integriteit van het betalingsverkeer in de maatschappij te waarborgen.
Dit alles neemt de rechtbank de verdachte kwalijk. (…)
Bij bevel van 30 november 2022 heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst tot aan de einduitspraak in eerste aanleg. Omdat de rechtbank van oordeel is dat het persoonlijk belang van de verdachte zwaarder weegt dan het strafvorderlijk belang, en de doelen die met de voorlopige hechtenis worden nagestreefd ook kunnen worden bereikt door het stellen van voorwaarden aan een schorsing, zal de rechtbank de schorsing van de voorlopige hechtenis onder de hierna te noemen voorwaarden opnieuw bevelen, tot het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.
Alles afwegend, bezien tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf van vijf jaar met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, passend en geboden. (…)”
3 BEZWAAR
3.1 Het bezwaar van de deken houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken verwijt verweerder het volgende:
1. Verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 46 Advocatenwet door zich schuldig te maken aan handelen dat een behoorlijk advocaat niet betaamt;
2. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de kernwaarden van de advocatuur;
3. Verweerder voldoet niet aan de in de Voda gestelde eisen om het beroep van advocaat uit te mogen oefenen, doordat hij niet beschikt over een verklaring van voltooide stage en doordat hij geen kantoor houdt;
4. Verweerder heeft de belangen van zijn cliënten geschaad, althans heeft het risico genomen deze belangen te schaden, doordat hij heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een behoorlijke waarneming van zijn praktijk tijdens zijn detentie.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Ontvankelijkheid
Verweerder heeft het preliminaire verweer gevoerd dat het dekenbezwaar niet-ontvankelijk is. Verweerder heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat de deken geen belang heeft bij beoordeling van het dekenbezwaar nu het alsnog verkrijgen van een stageverklaring, vereist om als advocaat hernieuwd op het tableau te kunnen worden ingeschreven, een feitelijke onmogelijkheid is geworden. Dit blijkt volgens verweerder uit het door de deken in de administratief beroepsprocedure gevoerde verweer alsook uit het in het NRC gepubliceerde artikel, waarin de deken een definitief oordeel over verweerder aan het publiek heeft kenbaar gemaakt.
5.2 In de tweede plaats heeft verweerder aangevoerd dat er evenmin een algemeen belang bestaat bij het verkrijgen van een inhoudelijk oordeel van de raad, omdat het onderwerp van het dekenbezwaar (integriteit en strafbare feiten) geen verfijning, verheldering of toelichting van de bestaande tuchtrechtspraak behoeft.
5.3 De raad passeert dit preliminaire verweer. De deken heeft verklaard de kans op een hernieuwde inschrijving van verweerder op het tableau (verder) te willen minimaliseren, omdat er in de visie van de deken in de advocatuur geen plek is voor verweerder. De raad is van oordeel dat de deken daarmee het algemeen belang genoegzaam heeft onderbouwd. Dat de kans op een hernieuwde inschrijving van verweerder op het tableau thans reeds nihil is, maakt naar het oordeel van de raad niet dat de deken bij het vragen van een tuchtrechtelijke reactie geen belang (meer) heeft. Naar het oordeel van de raad heeft de inhoud van het krantenartikel geen tuchtrechtelijk relevante consequenties en staat ook de inhoud van het krantenartikel niet aan ontvankelijkheid van de deken in de weg. Gezien de ernst van de door de rechtbank bewezen verklaarde strafbare feiten is het algemeen belang bij het geven van een tuchtrechtelijke reactie en het daarmee samenhangende signaal aan de beroepsgroep en het publiek naar het oordeel van de raad gegeven, ook indien die tuchtrechtelijke reactie geen verfijning, verheldering of toelichting van bestaande tuchtrechtspraak oplevert. De raad komt tot de slotsom dat het dekenbezwaar ontvankelijk is.
5.4 Beoordeling
Onderdeel 1
Onderdeel 1 van het dekenbezwaar heeft betrekking op handelen van verweerder in privé. De raad overweegt dat het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid, bijvoorbeeld in privé, kan het advocatentuchtrecht voor hem blijven gelden. Als hij zich in die andere hoedanigheid gedraagt op een wijze waardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De advocaat zal in dat geval een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kunnen worden. Privégedragingen van een advocaat kunnen alleen dan tuchtrechtelijk van belang zijn, indien er voldoende verband bestaat met de praktijkuitoefening, of als de gedraging voor een advocaat in het licht van zijn beroepsuitoefening absoluut ongeoorloofd moet worden geacht en het vertrouwen in de advocatuur ondermijnt.
5.5 Vast staat dat de rechtbank Rotterdam, in navolging van de tussen het Openbaar Ministerie en verweerder gemaakte procesafspraken, heeft geoordeeld dat verweerder zich samen met anderen gedurende een langere periode heeft schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne, het witwassen van grote geldbedragen en aan ondergronds bankieren, waarbij hij financiële regelgeving heeft overtreden, die bedoeld is om de integriteit van het betalingsverkeer in de maatschappij te waarborgen. Het behoeft geen betoog dat deze bewezenverklaarde strafbare feiten in het licht van de beroepsuitoefening absoluut ongeoorloofd zijn en het vertrouwen in de advocatuur ondermijnen. Het handelen van verweerder is dan ook in ernstige mate tuchtrechtelijk verwijtbaar.
5.6 Verweerders advocaat heeft gesteld dat hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam, zodat dit vonnis niet onherroepelijk is, met als gevolg dat verweerder (nog steeds) wordt belemmerd in het voeren van verweer in de tuchtzaak. De deken heeft bij gebrek aan wetenschap betwist dat hoger beroep is ingesteld. De raad overweegt als volgt. Vast staat dat in de tussen het Openbaar Ministerie en verweerder gemaakte procesafspraken uitdrukkelijk is bepaald dat, indien de rechtbank de procesafspraken volgt, verweerder en het Openbaar Ministerie geen hoger beroep instellen. Nu de rechtbank de procesafspraken heeft beoordeeld, gevolgd en conform de inhoud van die procesafspraken heeft beslist, resulterend in het vonnis van de rechtbank van 29 oktober 2025, valt bij gebreke van een nadere toelichting, die niet is gegeven, niet in te zien dat voor verweerder nog een rechtsmiddel tegen dat vonnis heeft opengestaan. Immers, verweerders advocaat heeft de stelling, dat appel is ingesteld, niet geconcretiseerd (bijvoorbeeld voor wat betreft de datum of de gronden), noch met stukken onderbouwd en de vraag van de raad, hoe de inhoud van de procesafspraken zich verhoudt tot de stelling dat appel is ingesteld, heeft zij onbeantwoord gelaten. Het voorgaande maakt dat de raad verweerders advocaat niet volgt in de blote stelling dat appel is ingesteld en oordeelt dat het er binnen het bestek van deze tuchtrechtelijke procedure voor moet worden gehouden dat het vonnis onherroepelijk is, met als gevolg dat er voor verweerder geen belemmering (meer) bestaat om in de onderhavige tuchtrechtelijke procedure verweer te voeren.
5.7 Overigens maakt het naar het oordeel van de raad voor de beantwoording van de vraag of het vertrouwen in de advocatuur is geschaad geen verschil of het vonnis van de rechtbank al dan niet onherroepelijk is. De strafrechtelijke kwalificatie van de feiten is namelijk voor de tuchtrechtelijke relevantie van die feiten niet van doorslaggevende betekenis. Uit het door deken in de onderhavige procedure aangeleverde materiaal, zijnde de vordering tot inbewaringstelling, het bevel tot bewaring van de rechter-commissaris en stukken uit het politiedossier, blijkt van gedragingen van verweerder waardoor hij in verband werd gebracht met grootschalige handel in cocaïne, witwassen en ondergronds bankieren. Dergelijke gedragingen moeten in het licht van de beroepsuitoefening absoluut ongeoorloofd worden geacht en ondermijnen het vertrouwen in de advocatuur. Verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 46 Advocatenwet door zich schuldig te maken aan handelen dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Onderdeel 1 van het dekenbezwaar is derhalve gegrond.
5.8 Onderdeel 3
Vast staat dat verweerders advocatenkantoor de activiteiten per 1 april 2022 heeft beëindigd. Tevens staat vast dat de raad van de orde van advocaten in de vergadering van 11 april 2022 heeft besloten om aan verweerder geen stageverklaring uit te reiken, welk besluit op 25 april 2022 aan verweerder is verzonden. Op 17 juni 2022 heeft de Algemene Raad van de Orde van Advocaten besloten om verweerder per 18 augustus 2022 te schrappen van het tableau vanwege het feit dat verweerder geen stageverklaring had ontvangen. Verweerder heeft zowel tegen het besluit van de raad van de orde van 11 april 2022 als tegen het besluit van de Algemene Raad van 17 juni 2022 administratief beroep ingesteld. Op enig moment heeft verweerder dit beroep ingetrokken. Daarmee zijn beide besluiten onherroepelijk geworden.
5.9 Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet voldoet aan de in de Voda gestelde eisen om het beroep van advocaat uit te mogen oefenen, nu hij niet beschikt over een verklaring van voltooide stage en doordat hij geen kantoor houdt. Het in onderdeel 3 van het dekenbezwaar aan de orde gestelde en niet door verweerder weersproken tuchtrechtelijke verwijt is dan ook eveneens gegrond.
5.10 Onderdeel 4
De deken verwijt verweerder dat hij de belangen van zijn cliënten heeft geschaad, althans het risico heeft genomen deze belangen te schaden, doordat hij heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een behoorlijke waarneming van zijn praktijk tijdens zijn detentie. Verweerder heeft dit verwijt niet weersproken.
5.11 Het spreekt voor zich dat een advocaat moet zorgdragen voor continuïteit van de behartiging van de belangen van cliënten en voor de bereikbaarheid van zijn praktijk gedurende zijn afwezigheid. Verweerder had de mogelijkheid om zijn praktijk tijdens zijn detentie te laten waarnemen door mr. M, maar hij heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Uit de aan de raad overgelegde stukken blijkt zelfs dat verweerder, in een kennelijke poging om daarmee een grond voor de schorsing van de voorlopige hechtenis te creëren, mr. M heeft tegengewerkt in haar poging om verweerders praktijk waar te nemen. Verweerder wilde mr. M niet te woord staan toen zij hem op 4 april 2022 wilde bezoeken in de PI te Vught en mr. M kreeg geen toegang tot verweerders e-mail en de digitale dossiers in AdvocaatCentraal omdat de ICT-medewerker van verweerder weigerde de wachtwoorden aan haar te geven. Ook had mr. M geen toegang tot het advocatenportaal en kon zij de kantoortelefoon niet opnemen omdat deze was doorgeschakeld naar de (inbeslaggenomen) telefoon van verweerder.
5.12 Uit het voorgaande blijkt dat het verwijt van de deken feitelijk juist is. De weigering om medewerking te verlenen aan een behoorlijke waarneming van de praktijk tijdens de detentie, met alle risico’s voor de belangen van cliënten van dien, betaamt een behoorlijk handelend advocaat niet. Uit niets blijkt dat verweerder zich de belangen van zijn cliënten heeft aangetrokken. De raad rekent dit verweerder zeer zwaar aan. Onderdeel 4 van het dekenbezwaar is eveneens gegrond.
5.13 Onderdeel 2
De deken verwijt verweerder te hebben gehandeld in strijd met de kernwaarden. Ook dit verwijt is niet door verweerder weersproken. De in de onderdelen 1, 3 en 4 van het dekenbezwaar gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijten leveren een schending op van (in ieder geval) de kernwaarden deskundigheid en integriteit zoals vastgelegd in artikel 10a Advocatenwet. Ook onderdeel 2 van het dekenbezwaar is derhalve gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 De in de onderhavige zaak gegrond bevonden tuchtrechtelijke verwijten kunnen zowel ieder voor zich als in onderlinge samenhang bezien tot geen andere conclusie leiden dan dat verweerder niet thuis hoort in de advocatuur en dat de maatregel van schrapping van het tableau de enige passende maatregel voor verweerder is.
7 KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.2 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.1 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het dekenbezwaar gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van schrapping op, die ingaat op de tweede werkdag na het onherroepelijk worden van deze beslissing;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.2.
Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. A.J.C. Perdaems en H.M.S. Cremers, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber – van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 9 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 9 maart 2026