ECLI:NL:TADRSHE:2026:27 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-050/DB/OB
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:27 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-03-2026 |
| Datum publicatie: | 03-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-050/DB/OB |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening door de eigen advocaat. Niet gebleken dat verweerster haar afspraken niet is nagekomen, onvoldoende heeft gecommuniceerd of haar werkzaamheden op onzorgvuldige wijze heeft beëindigd. Klacht kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline
in het ressort ’s-Hertogenbosch
van 3 maart 2026
in de zaak 26-050/DB/OB
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde: [naam gemachtigde]
over:
verweerster
gemachtigde: mr. L.E. Verwey
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken) van 21 januari 2026 met kenmerk 48|25|036K en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 11. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende stukken van klager van 4 en 5 februari 2026 en van verweerster van 4 februari 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Op 30 mei 2024 heeft de directeur van klaagster (hierna: klager) verweerster benaderd voor rechtsbijstand. Op 6 juni 2024 heeft een bespreking plaatsgevonden. Verweerster was hierbij vijf minuten te laat. Verweerster heeft zich vervolgens als advocaat van (onder meer) klager gesteld in een procedure bij de rechtbank Gelderland.
1.2 Op 2 juli 2024 is namens verweerster een herinnering voor betaling van het griffierecht verzonden aan klager. Klager had het griffierecht op dat moment al rechtstreeks betaald buiten verweerster om, waarna verweerster haar excuses heeft aangeboden voor de verstuurde herinnering.
1.3 Klager heeft nadien diverse stukken opgestuurd aan verweerster. Op 10 juli 2024 heeft klager zijn zorgen geuit over de voortgang, omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat er op 24 juli 2024 een zitting zou plaatsvinden. Verweerster heeft vervolgens verduidelijkt dat een rolzitting geen echte zitting is, maar dat de conclusie van antwoord op dat moment moest worden ingediend. Verweerster heeft toegezegd beter op te letten op haar juridisch taalgebruik. Ook heeft zij opgemerkt vanwege haar aankomende vakantie om uitstel te willen vragen tot eind augustus 2024 en aan klager voorgesteld om elkaar in de week van 12 augustus 2024 of daarna te spreken. Klager heeft daarop verzocht om een raamwerk op te stellen voor de conclusie van antwoord als praatstuk. Het uitstelverzoek is vervolgens gedaan en uitstel is verleend.
1.4 Klager en verweerster hebben afgesproken elkaar op 16 augustus 2024 om 14:00 uur bij een Van der Valk hotel te ontmoeten. Voorafgaand aan het gesprek heeft verweerster per e-mail verzocht om de dagvaarding, inclusief producties en het commentaar van klager daarop, opnieuw te versturen omdat zij deze niet (meer) kon openen.
Klager heeft daarop, voorafgaand aan de bespreking, per e-mail gereageerd niet blij te zijn en aangegeven dat het hem het beste leek om niet meer verder te gaan met elkaar, omdat hij de indruk had dat verweerster zijn belangen niet goed behartigde.
Hoewel verweerster bij het Van der Valk hotel is gearriveerd, heeft de bespreking
geen doorgang gevonden. Klager heeft (mondeling) medegedeeld de samenwerking te willen
beëindigen en is huiswaarts gekeerd. Klager heeft de beëindiging van de opdracht vervolgens
schriftelijk herhaald, waarbij hij heeft toegelicht dat verweerster slechts één uur
had om alle stukken te lezen, nadat deze opnieuw zouden zijn verstuurd en dat verweerster
te laat was bij de afspraak.
Verweerster heeft die avond haar onbegrip geuit voor het niet doorgaan van de bespreking
die middag, toegelicht dat zij de conceptconclusie van antwoord wilde bespreken evenals
andere mogelijkheden, aangezien zij inmiddels ook met de advocaat van de wederpartij
had gesproken. Verweerster heeft vervolgens bevestigd dat klager de opdracht heeft
beëindigd en gewezen op de termijn van 21 augustus 2024 om 10.00 uur om een conclusie
van antwoord in te dienen.
1.5 Klager heeft verweerster op 18 augustus 2024 uitgenodigd voor een nieuwe bespreking op 19 augustus 2024 op zijn camping. Klager heeft daarbij opgemerkt een opvolgend advocaat aan te stellen als zij daarbij niet aanwezig is. Ook heeft klager gevraagd wat er met de advocaat van de wederpartij is besproken, omdat hij voor het gesprek geen toestemming had verleend.
1.6 Op 19 augustus 2024 heeft verweerster medegedeeld geen agendaruimte te hebben voor een bespreking op diezelfde dag, maar pas later die week. Zij heeft vervolgens een uitstelverzoek ingediend bij de rechtbank, welk uitstel is verleend tot uiterlijk 4 september 2024 om 10.00 uur. Verweerster heeft aangeboden haar beschikbaarheid door te geven voor een bespreking als klager nog een vervolgafspraak wenste, waarbij zij opmerkte af te willen spreken op een locatie bij klager in de buurt. Klager heeft daarop gereageerd zeer duidelijk te zijn geweest over de locatie en dat verweersters opmerking over een locatie in de buurt bij hem wrevel opwekte. Klager heeft daarbij kenbaar gemaakt te verwachten dat het voorschot wordt terugbetaald op één uur aan werkzaamheden na en dat het nodige vertrouwen bij hem zoek is. Klager heeft vervolgens een andere advocaat benaderd om zijn zaak te behartigen, waarbij klaagster in de cc is opgenomen onder de mededeling dat hij het contract met haar heeft verbroken, omdat hij van mening is dat verweerster zijn belangen niet goed behartigde.
1.7 Verweerster heeft gereageerd het fijn te vinden dat klager een andere advocaat heeft gevonden en dat zij een eindafrekening zal opstellen. Klager heeft daarop gereageerd niet meer dan één uur te zullen betalen en verweerster beticht van het plegen van wanprestatie.
1.8 Op 20 augustus 2024 heeft de nieuwe advocaat medegedeeld geen mogelijkheden te hebben om klager bij te staan. Diezelfde dag heeft klager aan verweerster geschreven op zoek te gaan naar een nieuwe advocaat.
1.9 Op 22 augustus 2024 heeft verweerster de beëindiging van het dossier opnieuw bevestigd en een onttrekkingsbericht aan de rechtbank verzonden. Klager heeft daarop gereageerd met de mededeling de week erna een gesprek te hebben met een nieuwe advocaat en dat hij verweerster zal ontslaan als dat tot overeenstemming leidt, maar niet eerder.
1.10 Op 26 augustus 2024 heeft klager aan verweerster medegedeeld geen nieuwe advocaat te hebben gevonden, waarna hij verweerster aansprakelijk heeft gesteld onder de mededeling niet voornemens te zijn een derde advocaat te zoeken.
1.11 Op 27 augustus 2024 heeft verweerster de aansprakelijkstelling van de hand gewezen en doorgeleid aan haar verzekeraar.
1.12 Op 13 september 2024 heeft verweerster een factuur van € 1.430,83 inclusief btw (€ 4.032,33 - €2.601,50 aan voorschot) verzonden aan klager voor haar werkzaamheden. De factuur is voorzien van een urenspecificatie van werkzaamheden over de periode 2 juni 2024 tot en met 22 augustus 2024.
1.13 Op 16 september 2024 heeft verweerster medegedeeld dat klager nog een termijn van veertien dagen krijgt voor betaling van de nota, waarna de nota naar een incassoadvocaat zal worden gestuurd. Op 3 oktober 2024 is een herinnering verstuurd. Klager heeft meermaals gereageerd niet dan wel hoogstens één uur te zullen betalen.
1.14 Op 30 oktober 2024 heeft de rechtbank een voor klager negatief vonnis gewezen. Op 8 november 2024 heeft klager verweerster daarover aangeschreven.
1.15 Op 11 maart 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende.
a) Verweerster is (meermaals) te laat gekomen op afspraken;
b) Verweerster is haar afspraken niet nagekomen;
c) Verweerster is gebrekkig in (duidelijke) communicatie;
d) Verweerster heeft zonder medeweten van klager contact opgenomen met de advocaat van de wederpartij;
e) Verweerster heeft onvoldoende voortvarend gehandeld in het tot stand laten komen van inhoudelijk overleg over het opstellen van de conclusie van antwoord;
f) Verweerster heeft zich op onzorgvuldige wijze onttrokken aan de zaak;
g) Verweerster heeft geen inzicht gegeven in de einddeclaratie;
h) Verweerster heeft druk uitgeoefend om haar factuur te laten incasseren door een incasso-advocaat;
i) Verweerster heeft klager er niet over geïnformeerd dat zij het vonnis van 30 oktober 2024 heeft ontvangen en heeft deze niet vernietigd;
j) Verweerster heeft driemaal gelogen.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a)
4.2 Het kan gebeuren dat een advocaat te laat is voor een bespreking met een cliënt. Hoewel het begrijpelijk is dat klager dat als vervelend ervaart, zeker als dat vaker zou voorkomen, is dat onvoldoende om te spreken van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Niet gebleken is dat verweerster daarmee haar zorgplicht richting haar cliënt heeft geschonden. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b)
4.3 Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerster haar afspraken niet is nagekomen.
Welke afspraken dit zouden zijn, is niet nader geconcretiseerd door klager. Uit het
dossier maakt de voorzitter dit niet op. Zo heeft verweerster tijdig uitstel verzocht
voor het indienen van de conclusie van antwoord en heeft zij deze, conform het verzoek
van klager, in concept opgesteld voor de bespreking van 16 augustus 2024. Omdat sprake
was van een vertrouwensbreuk, heeft verweerster de conclusie van antwoord uiteindelijk
niet ingediend, maar dat kon door de beëindiging van de opdracht ook niet meer van
haar worden verlangd. Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c)
4.4 Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerster onvoldoende (duidelijk) heeft gecommuniceerd met klager. Dit verwijt is evenmin nader geconcretiseerd door klager. Uit het dossier volgt dat verweerster tijdig heeft gereageerd op klagers vragen en waar nodig eventuele ontstane onduidelijkheid heeft weggenomen, bijvoorbeeld waar het de vraag betrof of op de roldatum van 24 juli 2024 een (fysiek bij te wonen) zitting zou plaatsvinden. Voor zover klager ook doelt op de herinnering voor het reeds betaalde griffierecht, heeft verweerster toegelicht dat het ging om een automatische herinnering, aangezien klager het griffierecht rechtstreeks en buiten haar om had betaald. Dat maakt de communicatie naar oordeel van de voorzitter evenmin gebrekkig. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken. Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d)
4.5 Het staat verweerster als dominus litis vrij om contact te hebben met de advocaat van de wederpartij. Daarvoor hoeft zij vooraf geen toestemming van klager te vragen. Van advocaten wordt immers verwacht dat zij een welwillende houding tegenover elkaar innemen (gedragsregel 24) en bezien of er ruimte is voor een minnelijke regeling (gedragsregel 5). Daar kan confraterneel overleg juist aan bijdragen. Verweerster heeft bovendien toegelicht dat niet zij, maar de advocaat van de wederpartij het gesprek had geïnitieerd. Klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel e)
4.6 Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerster onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij het tot stand laten komen van inhoudelijk overleg over het opstellen van de conclusie van antwoord. In juli 2024 zijn afspraken gemaakt om het overleg op 16 augustus 2024 te laten plaatsvinden. Verweerster heeft ook voorafgaand aan dit overleg, en daarmee tijdig, een conceptconclusie van antwoord opgesteld. Klachtonderdeel e) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel f)
4.7 Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerster zich op onzorgvuldige wijze heeft onttrokken aan de zaak. Nadat klager de opdracht zelf heeft beëindigd, heeft verweerster hem gewezen op de aflopende termijn voor het indienen van de conclusie van antwoord. Hoewel klager de opdracht zelf heeft beëindigd, heeft verweerster ook geprobeerd om ervoor zorg te dragen dat klager daarvan zo min mogelijk nadeel ondervond door een extra uitstel te verzoeken aan de rechtbank voor het indienen van de conclusie van antwoord en dat uitstel ook verkregen. Daarmee heeft verweerster gehandeld zoals van haar kon worden verwacht in de gegeven situatie. Dat het klager vervolgens niet is gelukt om een nieuwe advocaat te vinden, kan verweerster niet worden verweten. Zij was op dat moment ook niet gehouden om haar werkzaamheden weer op te pakken. Klachtonderdeel f) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel g)
4.8 In het dossier bevindt zich een factuur met een urenspecificatie, waarin is aangegeven welke handeling verweerster op welke datum heeft verricht, gespecificeerd per 6 minuten en de kosten die daarmee gemoeid zijn. De klacht vindt dus geen steun in de feiten. Klachtonderdeel g) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel h)
4.9 Het stond verweerster vrij om incassomaatregelen aan te kondigen als klager de openstaande factuur niet zou betalen. De voorzitter merkt daarbij op dat het niet aan de tuchtrechter is om declaratiegeschillen te beslechten. Dat oordeel is voorbehouden aan de civiele rechter. Klachtonderdeel h) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel i)
4.10 Door verweerster wordt betwist dat het vonnis van 30 oktober 2024 aan haar is toegezonden. Klager heeft dit verwijt ook niet nader onderbouwd, anders dan met een e mail dat hem uit correspondentie met de griffie van de rechtbank is gebleken dat het vonnis onterecht aan verweerster zou zijn verstuurd. Deze correspondentie is door klager niet ingebracht. Gelet daarop kan de voorzitter niet vaststellen dat verweerster het vonnis van 30 oktober 2024 heeft ontvangen en daarmee niet dat verweerster klachtwaardig zou hebben gehandeld. Klachtonderdeel i) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel j)
4.11 Het is de voorzitter tot slot niet gebleken dat verweerster driemaal zou hebben gelogen. Volgens klager zou verweerster hebben gelogen dat zij op tijd was op 16 augustus 2024, maar dat blijkt nergens uit. De foto’s die klager heeft ingestuurd, die volgens hem zijn gemaakt om 14.00 uur en 14.05 uur in het Van der Valk hotel zijn niet voorzien van een tijdstip. De uitdraai van klagers autogegevens waaruit volgt dat hij om 14.08 uur is weggereden, tonen evenmin aan dat verweerster te laat was en daarover niet de waarheid zou spreken.
4.12 Dat verweerster op 19 augustus 2024 heeft geschreven het fijn te vinden dat klager een andere advocaat heeft gevonden, terwijl klager op dat moment nog geen advocaat had gevonden, kan ook niet worden bestempeld als een leugen. Blijkbaar heeft verweerster verkeerd begrepen dat klager op dat moment niet daadwerkelijk een nieuwe advocaat had gevonden. Dat betekent niet dat daarmee sprake is van een leugen. Klager had klaagster bovendien destijds kunnen corrigeren, maar heeft dat niet gedaan. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake.
4.13 Tot slot heeft klager erop gewezen dat verweerster een derde keer zou hebben gelogen. Daarbij wordt gewezen op een passage uit een e-mail van verweerster dat klager niet op haar kantoor zou willen afspreken “aangezien [hij] de trap van [verweerders] kantoor niet wenste te beklimmen.” Klager heeft niet onderbouwd waarom sprake zou zijn van een leugen, anders dan door een e-mail van zijn hand bij te voegen waarin hij verzoekt om elders een afspraak te maken omdat het pand van verweerster ‘niet geschikt is voor ouderen die wat bewegingsproblemen hebben’. Dat verweerster dat verwoordt als het niet wensen te beklimmen van de trap op haar kantoor, betekent niet dat sprake is van een leugen.
4.14 Klachtonderdeel j) is kennelijk ongegrond.
Conclusie
4.15 De klacht is in het geheel kennelijk ongegrond, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet,
kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. V.E.J. Noelmans, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan
door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 3 maart 2026