ECLI:NL:TADRSHE:2026:26 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-633/DB/OB

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:26
Datum uitspraak: 23-02-2026
Datum publicatie: 24-02-2026
Zaaknummer(s): 25-633/DB/OB
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarbij klager geen belang heeft
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor zover de klacht ziet op het handelen of nalaten van verweerder van voor 26 november 2021, is de klacht met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk. Niet gebleken dat verweerder in de diverse procedures die hij namens zijn cliënten heeft gevoerd gelogen tegen de rechters en de curator, noch dat hij procedures is gestart op onjuiste gronden. De verwijten dat verweerder zich escalerend en intimiderend heeft gedragen en dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan smaad en laster missen feitelijke grondslag. Klager kan niet worden ontvangen in het klachtonderdeel dat verweerder S ten onrechte in de procedures heeft betrokken, omdat niet is gebleken dat klager door het verweten handelen rechtstreeks in zijn belangen is getroffen.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 23 februari 2026

in de zaak 25-633/DB/OB

naar aanleiding van de klacht van:


klager

over:

verweerder

   VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 28 november 2024 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: “de deken”).

1.2    Op 17 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 48|24|152K van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 12 januari 2026. Verschenen is verweerder. Klager is niet verschenen.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de volgende nagekomen stukken:

-    de brief met bijlagen van 22 september 2025 van verweerder;

-    de brief van 23 september 2025 van klager. 

De nagekomen brief met bijlagen van verweerder van 6 januari 2026 is niet toegevoegd aan het dossier omdat verweerder deze buiten de gestelde termijn aan de raad heeft verzonden.


2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Klager is gehuwd met mevrouw S, hierna: “S”. Klager heeft een erfrechtelijk geschil (gehad) met zijn neef R en nichten A, S en E, hierna gezamenlijk”: “R c.s.”.

2.3    Klager en S hebben voorts met H een geschil gehad over een geldleningsovereenkomst.

2.4    Verweerder heeft in het erfrechtelijke geschil R c.s. bijgestaan. Daarnaast heeft verweerder H bijgestaan in het geschil over de geldlening. 

Erfrechtelijk geschil

2.5    De grootouders van R c.s. hebben een chalet in Zwitserland aan hen gelegateerd. Klager heeft in november 2018 een gerechtelijke procedure tegen R c.s. aanhangig gemaakt, waarin hij heeft verzocht om de verbintenissen uit de legaten betreffende het chalet op te heffen, R c.s. te verbieden het gebruik en het beheer van het chalet voort te zetten en R c.s. te gebieden het chalet van alle verhuurwebsites te verwijderen, op straffe van dwangsommen. Verweerder is R c.s. vlak voor de zitting in deze procedure plaatsvond gaan bijstaan. Op 26 september 2019 heeft de rechtbank Rotterdam de verzoeken van klager afgewezen.

2.6    Klager heeft hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 4 september 2020 heeft het Hof Den Haag de beschikking van de rechtbank vernietigd en de verzoeken van klager toegewezen. R c.s. hebben cassatieberoep ingesteld. 

2.7    Klager heeft het chalet op 7 december 2020 aan zichzelf laten leveren. Klager heeft voorts executoriaal beslag gelegd op onder andere bankrekening van R c.s. ter inning van een bedrag van € 650.000,00 aan verbeurde dwangsommen. In een door R c.s. aanhangig gemaakt executiegeschil heeft de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 26 mei 2021 de tenuitvoerlegging van de beschikking van het hof geschorst totdat in cassatie onherroepelijk is beslist. 

2.8    Bij arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 is de beschikking van het Hof van 4 september 2020 vernietigd. Bij beschikking van 8 augustus 2023 heeft het Hof Amsterdam de beschikking van de rechtbank Rotterdam,  waarin de verzoeken van klager waren afgewezen, bekrachtigd. Deze uitspraak is onherroepelijk geworden.

2.9    R c.s. hebben klager gesommeerd zijn medewerking te verlenen aan de levering van het chalet en hebben klager aansprakelijk gesteld voor de schade, bestaande uit misgelopen huurinkomsten. Klager heeft aansprakelijkheid afgewezen.

2.10    Op 12 oktober 2023 heeft verweerder namens R c.s. een verzoek tot faillietverklaring van klager en S ingediend, vanwege het onbetaald laten van hun vorderingen. Klager en S hebben – bij monde van hun advocaat mr. M - verweer gevoerd, onder meer inhoudend dat op S niet een verplichting rustte tot afgifte van het legaat en dat R c.s. geen enkele vordering op S hebben. Klager heeft toegezegd alsnog zijn medewerking te verlenen aan de levering van het chalet aan R c.s. Vlak voor de tweede mondelinge behandeling is het faillissementsverzoek ingetrokken. 

2.11    R c.s. hebben tot zekerheid van verhaal van hun schade in november 2023 conservatoir beslag gelegd op onder andere de woning en een bankrekening van klager en S. Vervolgens hebben R c.s. tegen klager een bodemprocedure aanhangig gemaakt, waarin zij – samengevat – hebben gevorderd om klager te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor misgelopen huurinkomsten, tot het om niet aan hen overdragen van het chalet. Klager heeft verweer gevoerd en reconventionele vorderingen ingesteld, onder meer inhoudende een vordering tot veroordeling van R c.s. tot opheffing van de conservatoire beslagen en tot de betaling van schadevergoeding en een vordering om voor recht te verklaren dat R c.s. onrechtmatig jegens klager hadden gehandeld. 

2.12    In e-mailberichten van 14 mei 2024 en 25 februari 2025 heeft de Zwitserse notaris, die bij de levering van het chalet aan klager betrokken was geweest, verklaard dat afgifte van het legaat naar Zwitsers recht niet meer mogelijk was en dat het chalet enkel nog op grond van een koopovereenkomst aan R c.s. kon worden overgedragen. 

2.13    Bij e-mail van 26 juni 2024 heeft verweerder aangekondigd een faillissementsverzoek tegen klager en S in te dienen. 

2.14    Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2025 is klager ontslagen als executeur van de nalatenschappen. 

2.14    Bij e-mail van 27 september 2024 heeft verweerder als volgt bericht:

De optelsom van het onbetaald laten van veel facturen en het langjarig niet nakomen van afspraken mee te werken aan de overdracht van het chalet vanuit de nalatenschap en de weigering van uw cliënt om uitvoering te geven aan de onherroepelijk uitspraak van het Hof Amsterdam d.d. 8 augustus 2023 de legaten af te geven, nu ruim 13 maanden geleden, heeft cliënten doen besluiten het faillissementsverzoek voor uw cliënt (en zijn echtgenote) in te dienen. Cliënten zien helaas geen andere mogelijkheid meer hun vorderingen uit de legaten te innen.”

2.15    De advocaat van klager en S heeft – onder meer – aan verweerder medegedeeld dat van een faillissementsverzoek tegen S geen sprake kon zijn, omdat zij geen partij was in het geschil over de legaten, zodat R c.s. ook geen vordering op haar (kunnen) hebben.

2.16    Op 15 oktober 2024 heeft verweerder namens R c.s. een verzoek tot faillietverklaring van (enkel) klager ingediend. Mr. M heeft namens klager een verweerschrift en zelfstandig tegenverzoek ingediend. Klager heeft een deel van de openstaande facturen ter zake het chalet (die als steunvordering waren opgevoerd) voldaan. Het faillissementsverzoek is ingetrokken.

2.17    Bij vonnis van 10 september 2025 heeft de rechtbank Midden-Nederland geoordeeld dat klager onrechtmatig heeft gehandeld door het chalet aan zichzelf te laten leveren. De rechtbank heeft klager – onder meer - veroordeeld om het chalet om niet aan R c.s. in eigendom over te dragen en tot betaling van een schadevergoeding wegens gederfde huurinkomsten van € 288.848,00, tot betaling van de kosten die verband houden met de overdracht en tot betaling van de beslagkosten en de proceskosten. De reconventionele vorderingen van klager zijn integraal afgewezen.

Geschil over geldlening
2.18    De heer RW is de broer van klager. De heer RW heeft op 29 augustus 2010 een overeenkomst van geldlening gesloten met klager en S. H heeft zich op het standpunt gesteld dat RW de vordering uit hoofde van die overeenkomst in 2012 heeft gecedeerd aan H. 

2.19    Mr. M heeft klager en S bijgestaan in het geschil over de geldlening. Over deze kwestie is geprocedeerd. Bij e-mail van 21 november 2024 heeft verweerder aan mr. M bericht dat hij klager en S sommeert tot terugbetaling van het aan hen geleende bedrag van € 25.000,00, vermeerderd met contractuele rente van (op dat moment) € 37.443,08.

2.20    Bij e-mail van 22 november 2024 heeft mr. M verweerder bericht dat geen gehoor zal worden gegeven aan de sommatie. 

2.21    Op 26 november 2024 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.
    

3    KLACHT

3.1      De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:

1.    Verweerder heeft in de diverse procedures die hij namens zijn cliënten heeft gevoerd gelogen tegen de rechters en de curator en heeft procedures gestart op onjuiste gronden;
2.    Verweerder heeft zich escalerend en intimiderend gedragen; 
3.    Verweerder heeft zich schuldig gemaakt aan smaad en laster;
4.    Verweerder heeft klagers echtgenote ten onrechte in de procedures betrokken.

4    VERWEER 

4.1    Verweerder heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING

5.1    Ontvankelijkheid
De raad overweegt dat een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat de klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als de klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht op ziet. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat de klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.

5.2    Klager heeft zich op 26 november 2024 met een klacht over verweerder tot de deken gewend. Dat klager niet in staat was om eerder te klagen dan hij heeft gedaan, is naar het oordeel van de raad niet gebleken. Dit betekent dat de klacht, voor zover deze ziet op het handelen of nalaten van verweerder van voor 26 november 2021, met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk is.

5.3    Inhoudelijke beoordeling

Klachtonderdelen 1, 2 en 3 – optreden verweerder jegens klager
 

De klachtonderdelen 1, 2 en 3 hangen met elkaar samen en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Voor zover deze klachtonderdelen zien op handelen of nalaten van verweerder vanaf 26 november 2021 kan klager wel in de klacht worden ontvangen. Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

5.4    Klager verwijt verweerder dat hij in de diverse procedures die hij namens zijn cliënten heeft gevoerd heeft gelogen tegen de rechters en de curator, dat hij procedures heeft gestart op onjuiste gronden, zich escalerend en intimiderend heeft gedragen en zich  heeft schuldig gemaakt aan smaad en laster. Verweerder heeft deze verwijten gemotiveerd weersproken. 

5.5    De raad stelt op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht vast dat tussen klager enerzijds en de cliënten van verweerder anderzijds  sprake is (geweest) van een jarenlange strijd waarin tal van gerechtelijke procedures zijn gevoerd en  waarin de standpunten van klager enerzijds en de cliënten van verweerder anderzijds lijnrecht tegenover elkaar stonden. De raad overweegt dat het de taak van verweerder was om de belangen van zijn cliënten te behartigen. In dat verband stond het verweerder vrij om op basis van de van zijn cliënten verkregen informatie de standpunten van zijn cliënten naar voren te brengen. Dat verweerder reden had om te twijfelen aan die informatie is niet gebleken. Ook stond het verweerder vrij om namens zijn cliënten die rechtsmaatregelen te nemen die naar zijn oordeel in het belang van zijn cliënten waren en om de processtukken in te richten op een wijze die hem, met het oog op de door hem te behartigen belangen, juist voor kwam. Dat klager zich niet in de door verweerder naar voren gebrachte standpunten en genomen rechtsmaatregelen kan vinden, betekent nog niet dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Naar het oordeel van de raad is niet gebleken dat verweerder feiten heeft geponeerd waarvan hij de onjuistheid kende of behoorde te kennen. Indien en voor zover klager het met de door verweerder naar voren gebrachte standpunten en de genomen rechtsmaatregelen niet eens was, konden hij en zijn advocaat zich daartegen in de civiele procedures verweren. Dat verweerder in de diverse procedures die hij namens zijn cliënten heeft gevoerd heeft gelogen en procedures heeft gestart op onjuiste gronden is kortom niet gebleken. De raad overweegt dat het tuchtrecht niet is bedoeld voor het voeren van een discussie over de juistheid van de standpunten van partijen in een civielrechtelijk geschil. Het is aan de civiele rechter, en niet aan de tuchtrechter, om daarover een oordeel te geven.

5.6    De raad is voorts van oordeel dat klager de hiervoor genoemde ernstige verwijten aan het adres van verweerder, dat hij zich escalerend en intimiderend heeft gedragen en zich  heeft schuldig gemaakt aan smaad en laster, onvoldoende heeft onderbouwd. De raad heeft in de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht geen aanknopingspunten gevonden voor de feitelijke juistheid van deze verwijten. Van escalerend en intimiderend gedrag of smaad en laster is naar het oordeel van de raad kortom niet gebleken. Omdat de feitelijke grondslag ontbreekt moeten deze verwijten als ongegrond worden afgewezen.

5.7    Klachtonderdeel 4 – optreden van verweerder jegens klagers echtgenote

Klager verwijt verweerder dat hij klagers echtgenote ten onrechte in de procedures heeft betrokken. Verweerder heeft ook dit klachtonderdeel gemotiveerd weersproken. 

5.8    De raad overweegt dat alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, het recht heeft om hierover een klacht in te dienen. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.

5.9    De raad is van oordeel dat uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht niet is gebleken dat klager door dit vermeend handelen direct in zijn belang is getroffen, zodat hij in dit klachtonderdeel niet kan worden ontvangen. Als al sprake zou zijn geweest het ten onrechte betrekken van S in gerechtelijke procedures, dan was het aan S om daarover te klagen en niet aan klager. De raad zal klager daarom in dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk verklaren.


BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klachtonderdelen 1, 2 en 3, voor zover deze zien op het handelen of nalaten van verweerder van voor 26 november 2021, met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond;
-    verklaart klachtonderdeel 4 niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. J.M.H. Schoenmakers, voorzitter, mrs. H.C. Struijk, J.R.G. Smulders, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 23 februari 2026.

Griffier                                      Voorzitter

Verzonden op: 23 februari 2026