ECLI:NL:TADRSHE:2026:25 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-632/DB/OB

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:25
Datum uitspraak: 23-02-2026
Datum publicatie: 23-02-2026
Zaaknummer(s): 25-632/DB/OB
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. De klacht dat verweerder klaagster ten onrechte heeft betrokken in een faillissementsprocedure en ten onrechte aan klaagster een faillissementsprocedure heeft aangezegd is ongegrond. De raad is van oordeel dat verweerder genoegzaam gemotiveerd heeft toegelicht dat en waarom het in het belang van zijn cliënten was om ook klaagster in de faillissementsprocedure te betrekken en vervolgens ook aan haar nog eens indiening van een faillissementsrekest aan te kondigen. Op basis van de verweerder ter beschikking staande informatie kon hij menen dat zijn cliënten mogelijk (ook) een vordering op klaagster hadden. Dat verweerder, met het doel de levering van het chalet aan zijn cliënten te bewerkstelligen, ook klaagster in de faillissementsprocedure te betrekken, kan hem gelet op het voorgaande niet tuchtrechtelijk worden verweten. De klacht dat verweerder intimiderend en escalerend tegen klaagster heeft opgetreden, is, voor zover de klacht ziet op het handelen of nalaten van verweerder van voor 28 november 2021, met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk. Voor het overige is de klacht ongegrond. Van intimiderend of escalerend gedrag is niet gebleken. 

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 23 februari 2026

in de zaak 25-632/DB/OB

naar aanleiding van de klacht van:


klaagster

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 28 november 2024 heeft klaagster tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: “de deken”).

1.2    Op 17 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 48|24|155K van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 12 januari 2026. Verschenen is verweerder. Klaagster is niet verschenen.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de volgende nagekomen stukken:
 -    de brief met bijlagen van 22 september 2025 van verweerder;
-    de brief van 23 september 2025 van klaagster. 

De nagekomen brief met bijlagen van verweerder van 6 januari 2026 is niet toegevoegd aan het dossier omdat verweerder deze buiten de gestelde termijn aan de raad heeft verzonden.


2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Klaagster is gehuwd met de heer W, hierna: “W”. W heeft een erfrechtelijk geschil (gehad) met zijn neef R en nichten A, S en E, hierna gezamenlijk aangeduid als: “R c.s.”.

2.3    Klaagster en W hebben voorts met H een geschil gehad over een geldleningsovereenkomst.

2.4    Verweerder heeft R c.s. in het erfrechtelijke geschil bijgestaan. Daarnaast heeft verweerder H bijgestaan in het geschil over de geldlening. 

Erfrechtelijk geschil

2.5    De grootouders van R c.s. hebben een chalet in Zwitserland aan hen gelegateerd. W heeft in november 2018 een gerechtelijke procedure tegen R c.s. aanhangig gemaakt, waarin hij heeft verzocht om de verbintenissen uit de legaten betreffende het chalet op te heffen, R c.s. te verbieden het gebruik en het beheer van het chalet voort te zetten en R c.s. te gebieden het chalet van alle verhuurwebsites te verwijderen, op straffe van dwangsommen. Vlak voordat de zitting in deze procedure plaatsvond, is verweerder R c.s. gaan bijstaan. Op 26 september 2019 heeft de rechtbank Rotterdam de verzoeken van W afgewezen.

2.6    W heeft hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 4 september 2020 heeft het Hof Den Haag de beschikking van de rechtbank vernietigd en de verzoeken van W toegewezen. R c.s. hebben cassatieberoep ingesteld. 

2.7    W heeft het chalet op 7 december 2020 aan zichzelf laten leveren. W heeft voorts executoriaal beslag gelegd op onder andere bankrekeningen van R c.s. ter inning van een bedrag van € 650.000,00 aan verbeurde dwangsommen. In een door R c.s. aanhangig gemaakt executiegeschil heeft de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 26 mei 2021 de tenuitvoerlegging van de beschikking van het hof geschorst totdat in cassatie onherroepelijk is beslist. 


2.8    Bij arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 is de beschikking van het Hof van 4 september 2020 vernietigd. Na terugverwijzing heeft het Hof Amsterdam bij beschikking van 8 augustus 2023 de beschikking van de rechtbank Rotterdam,  waarin de verzoeken van W waren afgewezen, bekrachtigd. Deze uitspraak is onherroepelijk geworden.

2.9    R c.s. hebben W gesommeerd zijn medewerking te verlenen aan de levering van het chalet en hebben W aansprakelijk gesteld voor de schade, bestaande uit misgelopen huurinkomsten. W heeft aansprakelijkheid afgewezen.

2.10    Op 12 oktober 2023 heeft verweerder namens R c.s. een verzoek tot faillietverklaring van klaagster en W ingediend, vanwege het onbetaald laten van hun vorderingen. Klaagster en W hebben – bij monde van hun advocaat mr. M - verweer gevoerd, onder meer inhoudend dat op klaagster niet een verplichting rustte tot afgifte van het legaat en dat R c.s. geen enkele vordering op klaagster hebben. W heeft toegezegd alsnog zijn medewerking te verlenen aan de levering van het chalet aan R c.s. Vlak voor de tweede mondelinge behandeling is het faillissementsverzoek ingetrokken. 

2.11    R c.s. hebben tot zekerheid van verhaal van hun schade in november 2023 conservatoir beslag gelegd op onder andere de woning en een bankrekening van klaagster en W. Vervolgens hebben R c.s. tegen W een bodemprocedure aanhangig gemaakt, waarin zij – samengevat – hebben gevorderd om W te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor misgelopen huurinkomsten en tot het om niet aan hen overdragen van het chalet. W heeft verweer gevoerd en reconventionele vorderingen ingesteld, onder meer inhoudende een vordering tot veroordeling van R c.s. tot opheffing van de conservatoire beslagen en tot de betaling van schadevergoeding en een vordering om voor recht te verklaren dat R c.s. onrechtmatig jegens W hadden gehandeld. 

2.12    In e-mailberichten van 14 mei 2024 en 25 februari 2025 heeft de Zwitserse notaris, die bij de levering van het chalet aan W betrokken was geweest, verklaard dat afgifte van het legaat naar Zwitsers recht niet meer mogelijk was en dat het chalet enkel nog op grond van een koopovereenkomst aan R c.s. kon worden overgedragen. 

2.13    Bij e-mail van 26 juni 2024 heeft verweerder aangekondigd een faillissementsverzoek tegen klaagster en W in te dienen. 

2.14    Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2025 is W ontslagen als executeur van de nalatenschappen. 

2.15    Bij e-mail van 27 september 2024 heeft verweerder mr. M als volgt bericht:

“De optelsom van het onbetaald laten van veel facturen en het langjarig niet nakomen van afspraken mee te werken aan de overdracht van het chalet vanuit de nalatenschap en de weigering van uw cliënt om uitvoering te geven aan de onherroepelijk uitspraak van het Hof Amsterdam d.d. 8 augustus 2023 de legaten af te geven, nu ruim 13 maanden geleden, heeft cliënten doen besluiten het faillissementsverzoek voor uw cliënt (en zijn echtgenote) in te dienen. Cliënten zien helaas geen andere mogelijkheid meer hun vorderingen uit de legaten te innen.”


2.16    De advocaat van klaagster en W heeft – onder meer – aan verweerder medegedeeld dat van een faillissementsverzoek tegen klaagster geen sprake kon zijn, omdat zij geen partij was in het geschil over de legaten, zodat R c.s. ook geen vordering op haar (kunnen) hebben.

2.17    Op 15 oktober 2024 heeft verweerder namens R c.s. een verzoek tot faillietverklaring van (enkel) W ingediend. Mr. M heeft namens W een verweerschrift en zelfstandig tegenverzoek ingediend. W heeft een deel van de openstaande facturen ter zake het chalet (die als steunvordering waren opgevoerd) voldaan. Het faillissementsverzoek is ingetrokken.

2.18    Bij vonnis van 10 september 2025 heeft de rechtbank Midden-Nederland geoordeeld dat W onrechtmatig heeft gehandeld door het chalet aan zichzelf te laten leveren. De rechtbank heeft W – onder meer - veroordeeld om het chalet om niet aan R c.s. in eigendom over te dragen en tot betaling van een schadevergoeding wegens gederfde huurinkomsten van een bedrag van € 288.848,00, tot betaling van de kosten die verband houden met de overdracht en tot betaling van de beslagkosten en de proceskosten. De reconventionele vorderingen van W zijn integraal afgewezen.

Geschil over geldlening

2.19    De heer RW is de broer van W. De heer RW heeft op 29 augustus 2010 een overeenkomst van geldlening gesloten met W en klaagster. H heeft zich op het standpunt gesteld dat RW de vordering uit hoofde van die overeenkomst in 2012 heeft gecedeerd aan H. 

2.20    Mr. M heeft klaagster en W bijgestaan in het geschil over de geldlening. Over deze kwestie is geprocedeerd. Bij e-mail van 21 november 2024 heeft verweerder aan mr. M bericht dat hij klaagster en W sommeert tot terugbetaling van het aan hen geleende bedrag van € 25.000,00, vermeerderd met contractuele rente van (op dat moment) € 37.443,08.

2.21    Bij e-mail van 22 november 2024 heeft mr. M verweerder bericht dat geen gehoor zal worden gegeven aan de sommatie. 

Tuchtklacht
 

2.22    Op 28 november 2024 heeft klaagster tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken. Klaagsters echtgenoot W heeft eveneens een klacht tegen verweerder ingediend. Ook in die klachtzaak geeft de raad vandaag een beslissing. 


3    KLACHT
 

3.1      De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:

1.    Verweerder heeft klaagster ten onrechte betrokken in een faillissementsprocedure en heeft ten onrechte aan klaagster een faillissementsprocedure aangezegd;

2.    Verweerder heeft intimiderend en escalerend tegen klaagster opgetreden.

4    VERWEER 

4.1    Verweerder heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING

5.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

5.2    Klachtonderdeel 1 – faillissementsprocedure

Klaagster verwijt verweerder dat hij haar ten onrechte heeft betrokken in een faillissementsprocedure en dat hij ten onrechte aan klaagster een faillissementsprocedure heeft aangezegd. Klaagster heeft dit verwijt onderbouwd met de stelling dat verweerder wist dat het chalet niet op naam stond van klaagster en dat op haar geen verplichting rustte tot afgifte van het legaat, zodat R c.s. geen vordering op klaagster hadden. 

5.3    Verweerder heeft dit verwijt gemotiveerd weersproken, in welk verband hij naar voren heeft gebracht dat voor hem niet duidelijk was of het chalet op naam stond van klaagster en W of enkel op naam van W. Verweerder heeft verder naar voren gebracht dat het voor het tegen klaagster en W ingediende faillissementsrekest ook geen verschil maakte of het chalet al dan niet (enkel) op naam van W stond. Klaagster en W zijn namelijk in gemeenschap van goederen gehuwd, zodat het chalet in de gemeenschap van goederen valt, klaagster (mede) eigenaar was en het chalet (mede) kon leveren. Het was in het belang van R c.s. om op 12 oktober 2023 namens hen een verzoek tot faillietverklaring van klaagster en W in te dienen en daarna bij e-mails van 26 juni en 27 september 2024 aan klaagster en W een faillissementsrekest aan te zeggen, alleen al omdat dit als prikkel zou kunnen dienen om alsnog tot levering over te gaan, aldus nog steeds verweerder. 

5.4    De raad overweegt als volgt. Gelet op het hierboven onder 5.1 geschetste normenkader heeft verweerder naar het oordeel van de raad niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door een faillissementsrekest jegens klaagster en W in te dienen en vervolgens nog eens indiening van een faillissementsrekest aan te kondigen. Het was de taak van verweerder om de belangen van zijn cliënten te behartigen. De raad is van oordeel dat verweerder genoegzaam gemotiveerd heeft toegelicht dat en waarom het in het belang van zijn cliënten was om ook klaagster in de faillissementsprocedure te betrekken en vervolgens ook aan haar nog eens indiening van een faillissementsrekest aan te kondigen. Op basis van de verweerder ter beschikking staande informatie kon hij menen dat zijn cliënten mogelijk (ook) een vordering op klaagster hadden. Dat verweerder, met het doel de levering van het chalet aan zijn cliënten te bewerkstelligen, ook klaagster in de faillissementsprocedure te betrekken, kan hem gelet op het voorgaande niet tuchtrechtelijk worden verweten. Klachtonderdeel 1 is dan ook ongegrond. 

5.5    Klachtonderdeel 2 – optreden van verweerder intimiderend en escalerend?
 

Ontvankelijkheid

De raad overweegt dat een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klaagster uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat de klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als de klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht op ziet. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat de klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.

5.6    Klaagster heeft zich op 28 november 2024 met een klacht over verweerder tot de deken gewend. Dat klaagster niet in staat was om eerder te klagen dan zij heeft gedaan, is naar het oordeel van de raad niet gebleken. Dit betekent dat de klacht, voor zover deze ziet op het handelen of nalaten van verweerder van voor 28 november 2021, met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk is.

5.7    Inhoudelijke beoordeling

Voor zover de klacht ziet op handelen of nalaten van verweerder vanaf 28 november 2021 kan klaagster wel in de klacht worden ontvangen. Voor zover dit klachtonderdeel ziet op het op 12 oktober 2023 jegens klaagster en W ingediende verzoek tot faillietverklaring en de in de e-mails van 26 juni en 27 september 2024 aan klaagster en W geformuleerde aanzegging tot indiening van een faillissementsrekest is de raad van oordeel dat dit handelen niet als intimiderend of escalerend kan worden gekwalificeerd. Zoals onder 5.4 is overwogen heeft verweerder op dit punt niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

5.8    Voor zover dit klachtonderdeel ziet op de sommatie die verweerder op 21 november 2024 in de geldleningskwestie aan mr. M heeft gestuurd heeft te gelden dat die sommatie noch voor wat betreft de inhoud noch voor wat betreft de toonzetting als intimiderend of escalerend kan worden gekwalificeerd. Ook van die sommatie kan verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Nu de raad ook overigens niet van intimiderend of escalerend gedrag jegens klaagster is gebleken is klachtonderdeel 2, voor zover ontvankelijk, derhalve eveneens ongegrond. 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdeel 1 ongegrond;
-    verklaart klachtonderdeel 2, voor zover dit ziet op het handelen of nalaten van verweerder van voor 28 november 2021, met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.M.H. Schoenmakers, voorzitter, mrs. H.C. Struijk, J.R.G. Smulders, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 23 februari 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 23 februari 2026