ECLI:NL:TADRSHE:2026:24 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-752/DB/ZWB

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:24
Datum uitspraak: 23-02-2026
Datum publicatie: 23-02-2026
Zaaknummer(s): 25-752/DB/ZWB
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening. Voor zover de klacht ziet op het handelen of nalaten van verweerder van voor 25 juli 2022, is deze met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk.  De raad is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder klager niet op de juiste wijze heeft bijgestaan. Vast staat dat verweerder de strategie en de aanpak van de zaak met klager heeft afgestemd en conform die afgesproken aanpak heeft gehandeld en dat verweerder de processtukken steeds tijdig in concept aan klager heeft voorgelegd en met klagers instemming heeft ingediend. Klager heeft ter zitting van de raad naar voren gebracht dat het hem dwarszit dat er geen juridische consequenties zijn verbonden aan het feit hij niet heeft meegetekend bij de bedrijfsoverdracht. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder in dit verband toereikend gemotiveerd toegelicht dat hem uit de overdrachtsakte was gebleken dat klager niet had meegetekend, maar dat dit ook niet was vereist omdat de onderneming niet aan klager is overgedragen. Dat  klager niet heeft meegetekend bij de bedrijfsoverdracht in de verdelingskwestie heeft volgens  verweerder geen juridisch relevante betekenis hetgeen verweerder naar het oordeel van de raad, voldoende heeft onderbouwd.. Dat verweerder de benodigde kennis van het erfrecht mist en klager had moeten verwijzen naar een advocaat met de juiste kennis is de raad op basis van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht evenmin gebleken. De klacht is, voor zover ontvankelijk, in alle onderdelen ongegrond. 

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 23 februari 2026

in de zaak 25-752/DB/ZWB  

naar aanleiding van de klacht van:


klager

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
 

1.1    Op 25 juli 2025 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: “de deken”).

1.2    Op 3 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-075 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 12 januari 2026. Verschenen zijn klager en verweerder.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de volgende nagekomen stukken:
-    de brief met bijlagen van klager van 17 december 2025.  

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Verweerder is beëdigd op 13 augustus 2002, staat in het rechtsgebiedenregister van de Nederlandse Orde van Advocaten geregistreerd op het rechtsgebied erfrecht en is lid van de Nederlandse Vereniging van Erfrecht Advocaten.

2.3    Tussen klager en zijn broers en zussen is sprake (geweest) van een geschil over de wijze van de afwikkeling van de verdeling van de nalatenschap van hun overleden moeder. Klager heeft zich op 8 december 2015 tot verweerder gewend met het verzoek hem bij te staan in deze erfrechtkwestie. Verweerder heeft de opdracht bij brief van 8 december 2015 aan klager bevestigd. 

2.4    Verweerder heeft klager vervolgens bijgestaan in een tweetal gerechtelijke procedures. De eerste procedure had betrekking op een verzoek tot het benoemen van een vereffenaar. Verweerder heeft in deze procedure namens klager succesvol verweer gevoerd, zodat het verzoek is afgewezen. De tweede procedure had betrekking op de verdeling van de nalatenschap. In deze procedure heeft verweerder namens klager de door klager gewenste verdeling gevorderd. In beide procedures heeft verweerder concepten ter goedkeuring aan klager voorgelegd en heeft verweerder de aanpak van de zaak met klager afgestemd.

2.5    Bij vonnis van 5 juli 2023 heeft de rechtbank – samengevat - de verdeling gelast op de wijze zoals bepaald in het vonnis en partijen veroordeeld om hun medewerking te verlenen aan de verkoop en overdracht van het perceel landbouwgrond.

2.6    Verweerder heeft het vonnis bij e-mail van 6 juli 2023 toegestuurd aan klager. In de periode daarna hebben klager en verweerder het vonnis en de kans van slagen in hoger beroep enkele malen besproken. Bij e-mailberichten van 24 augustus en 27 en 29 september 2023 heeft verweerder klager negatief geadviseerd ten aanzien van de kans van slagen in hoger beroep. Verweerder heeft in afwachting van de door klager te nemen beslissing over het al dan niet instellen van hoger beroep alvast de appeldagvaarding gereed gemaakt. Bij brief van 3 oktober 2023 heeft verweerder aan klager bevestigd dat hij verweerder telefonisch te kennen had gegeven geen hoger beroep te willen instellen.

2.7    Klagers wederpartij heeft evenmin hoger beroep ingesteld, met als gevolg dat de nalatenschap overeenkomstig het vonnis moest worden afgewikkeld. Klager heeft zijn onvrede over het vonnis aan verweerder geuit. Verweerder heeft klager over de afwikkeling van de nalatenschap geadviseerd in het kader waarvan klager en verweerder hebben gecorrespondeerd en telefonisch overleg hebben gevoerd. Klager heeft bij verweerder aangegeven dat hij niet in staat was om helder te denken en beslissingen te nemen. Vervolgens lukte het verweerder niet meer om contact te krijgen met klager. Op 21 maart 2024 heeft klager aan verweerder medegedeeld dat hij niet langer door verweerder wilde worden bijgestaan, hetgeen verweerder diezelfde dag schriftelijk aan klager heeft bevestigd. 

2.8    Op 25 juli 2025 heeft klager tegen verweerder een klacht ingediend bij de deken.


3    KLACHT

3.1      De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:

1.    Verweerder mist de benodigde kennis van het erfrecht;
2.    Verweerder heeft klager niet op de juiste wijze bijgestaan;
3.    Verweerder had klager moeten verwijzen naar een advocaat met de juiste kennis.


4    VERWEER 

4.1    Verweerder heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.


5    BEOORDELING

5.1        Ontvankelijkheid

De raad overweegt als volgt. Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht op ziet. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.

5.2    Klager heeft zich op 25 juli 2025 met een klacht over verweerder tot de deken gewend. Dat klager niet in staat was om eerder te klagen dan hij heeft gedaan, is naar het oordeel van de raad niet gebleken. Dit betekent dat de klacht, voor zover deze ziet op het handelen of nalaten van verweerder van voor 25 juli 2022, met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk is.

5.3    Beoordeling

Toetsingskader

Voor zover de klacht ziet op handelen of nalaten van verweerder vanaf 25 juli 2022 kan klager wel in de klacht worden ontvangen. De klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. 

5.4    Beoordeling bijstand en optreden van verweerder

Klager verwijt verweerder dat hij klager niet op de juiste wijze heeft bijgestaan. Verweerder heeft dit verwijt gemotiveerd weersproken. De raad stelt op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht vast dat verweerder de strategie en de aanpak van de zaak met klager heeft afgestemd en conform die afgesproken aanpak heeft gehandeld. Als niet weersproken staat voorts vast dat verweerder de processtukken steeds tijdig in concept aan klager heeft voorgelegd en met klagers instemming heeft ingediend. Het moge zo zijn dat klager teleurgesteld is over het vonnis van de rechtbank, maar dat betekent niet automatisch dat verweerder klager niet op de juiste wijze heeft bijgestaan. Verweerder heeft de standpunten van klager over de afwikkeling van de nalatenschap kenbaar gemaakt aan de rechtbank en de rechtbank heeft vervolgens de verdeling vastgesteld. Het stond klager vrij om tegen dat vonnis in hoger beroep te gaan. Dat verweerder klager onder druk heeft gezet om niet in hoger beroep te gaan is de raad geenszins gebleken. Uit de overgelegde stukken blijkt juist dat klager en verweerder veelvuldig hebben overlegd over het al dan niet instellen van hoger beroep en dat verweerder de appeldagvaarding in afwachting van de door klager te nemen beslissing gereed heeft gemaakt. 

5.5    Klager heeft ter zitting van de raad naar voren gebracht dat het hem dwarszit dat er geen juridische consequenties zijn verbonden aan het feit hij niet heeft meegetekend bij de bedrijfsoverdracht die zijn ouders hebben uitgevoerd. Verweerder heeft aangegeven dat dit voor de beoordeling van de door hem namens klager gevoerde procedures niet relevant was. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder in dit verband toereikend toegelicht dat hem uit de overdrachtsakte was gebleken dat klager niet had meegetekend, maar dat dit ook niet was vereist omdat de onderneming niet aan klager is overgedragen. De raad volgt verweerder in zijn verweer dat het feit dat klager niet heeft meegetekend bij de bedrijfsoverdracht in de verdelingskwestie geen juridisch relevante betekenis had. 


5.6    Naar het oordeel van de raad getuigt de bijstand zoals geschetst, niet van een kwaliteit van dienstverlening die onder de maat blijft van wat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat mag worden verwacht. Dat verweerder de benodigde kennis van het erfrecht mist en klager had moeten verwijzen naar een advocaat met de juiste kennis is de raad op basis van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht evenmin gebleken. Verweerder heeft genoegzaam toegelicht dat hij over een ruime kennis en ervaring op het gebied van het erfrecht beschikt. Voor doorverwijzing naar een andere advocaat bestond geen aanleiding, ook niet gezien het door klager betoogde specifieke karakter van klagers zaak. Het stond klager op ieder moment gedurende en na afloop van de procedures vrij om zich tot een andere advocaat te wenden. Dat hij dit niet heeft gedaan kan verweerder niet tuchtrechtelijk worden verweten. De klacht, voor zover ontvankelijk, is derhalve in alle onderdelen ongegrond. 

BESLISSING

De raad van discipline:
-    verklaart de klacht, voor zover deze ziet op het handelen of nalaten van verweerder van voor 25 juli 2022, met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk;
-    verklaart de klacht, voor zover deze ziet op het handelen of nalaten van verweerder vanaf 25 juli 2022, ontvankelijk en in alle onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.M.H. Schoenmakers, voorzitter, mrs. H.C. Struijk, J.R.G. Smulders, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 23 februari 2026.

Griffier    Voorzitter


Verzonden op: 23 februari 2026