ECLI:NL:TADRSHE:2026:20 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-431/DB/LI

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:20
Datum uitspraak: 26-01-2026
Datum publicatie: 28-01-2026
Zaaknummer(s): 25-431/DB/LI
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. De klagers, twee advocaten, klagen over de advocaat van een voormalig cliënt van hun kantoor. De raad oordeelt dat de klacht ongegrond is en dat de raad zich niet aan de indruk kan onttrekken dat klagers lichtvaardig tot het indienen van een klacht zijn overgegaan. Het in een spoedeisende kwestie als de onderhavige verzenden van een e-mail, waarin een onjuiste term wordt gebruikt en een korte reactietermijn wordt gegeven, vormt naar het oordeel van de raad in de gegeven omstandigheden namelijk onvoldoende aanleiding voor het maken van een tuchtrechtelijk verwijt aan verweerster. Klagers worden namelijk als juridisch professionals geacht de inhoud van de gewraakte e-mail op de juiste waarde te kunnen schatten. Anders dan klagers hebben gesteld is naar het oordeel van de raad uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht bovendien geenszins gebleken dat verweersters cliënt door de inhoud van verweersters e-mail ertoe is aangezet om tegen klagers te blijven ageren, noch dat door toedoen van verweerster de belangen van klagers anderszins onnodig of op een ontoelaatbare manier zijn geschaad. Klagers hebben betoogd dat zij veel belang hechten aan de door advocaten onderling te betrachten welwillendheid en dat zij verweerster verwijten in strijd met de te betrachten welwillendheid te hebben gehandeld. Dat betoog laat zich maar moeilijk rijmen met het feit dat klagers direct na ontvangst van het gewraakte e-mailbericht de indiening van een tuchtklacht hebben aangekondigd, de uitnodiging van de deken voor een bemiddelingsgesprek zonder gerechtvaardigde reden hebben afgeslagen en om onverwijlde doorzending van de klacht aan de raad hebben verzocht, zonder dat daaraan de gebruikelijke tweede schriftelijke ronde was voorafgegaan. De raad kan zich dan ook niet aan de indruk onttrekken dat klagers in de onderhavige kwestie lichtvaardig tot indiening van een tuchtklacht zijn overgegaan.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 26 januari 2026

in de zaak 25-431/DB/LI

naar aanleiding van de klacht van:



klagers

over:

verweerster

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 7 mei 2025 hebben klagers tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: “de deken”).

1.2    Op 27 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-048 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 15 december 2025. Verschenen zijn klagers en verweerster, bijgestaan door mr. L.M. van den Dungen, advocaat.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de volgende nagekomen stukken:
-    de e-mail met bijlagen van klagers van 8 juli 2025.  


2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Het advocatenkantoor van klagers heeft de heer L, hierna: “L”, bijgestaan. Tussen klagers en L is een geschil ontstaan.  In dat geschil heeft verweerster L bijgestaan. 

2.3    Op zondag 4 mei 2025 heeft verweerster klagers als volgt aangeschreven:

“Mijn cliënt, [de heer L], heeft mij verzocht om hem bij te staan in verband met uw pogingen tot incasso van dwangsommen, zoals vermeld in een proces-verbaal van 27 februari 2025. U bent tot incasso overgegaan zonder voorafgaande betekening van het vonnis, hetgeen in strijd is met artikel 611a lid 3 Rv. Daarnaast kan dit als misbruik van recht worden aangemerkt (art. 3:13 BW).
Cliënt heeft u reeds gewezen op de onrechtmatigheid hiervan, doch u heeft uw incassomaatregelen niet gestaakt. Ik acht dit, mede gezien uw hoedanigheid als advocaten, ernstig en zorgelijk. 
Namens cliënt bereid ik een kort geding voor. Ik verzoek u vriendelijk uiterlijk maandag 12.00 uur uw verhinderdata voor de komende vier weken te verstrekken. 
Tevens stel ik u hierbij aansprakelijk voor alle schade die mijn cliënt reeds heeft geleden, en mogelijk nog zal lijden, als gevolg van uw beider handelwijze. 
Voorafgaand aan het kort geding ontvangt u een conceptdagvaarding ter kennisname.
 Ik behoud mij alle rechten en weren voor.”

2.4    Bij e-mail van 6 mei 2025 heeft de door klagers ingeschakelde deurwaarder verweerster als volgt bericht:

“U verwijst naar de dwangsomregeling, wellicht heeft u over het hoofd gezien dat er in deze zaak geen sprake is van een dwangsomveroordeling maar van boetes naar aanleiding van het niet-nakomen van wederzijdse afspraken welke zijn vastgelegd in een proces-verbaal. Uiteraard zijn we op de hoogte van de relevante wetgeving rondom dwangsommen maar voor het executeren van deze boetes zijn deze regels niet van toepassing. (…)”    

2.5    Op 7 mei 2025 hebben klagers tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.

3    KLACHT

3.1      De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerster het volgende:

In een e-mailbericht van 4 mei 2025 heeft verweerster zich op agressieve en onnodig grievende wijze uitgelaten over klagers, feitelijke en juridische standpunten ingenomen waarvan zij wist dan wel behoorde te weten dat deze onjuist waren en ook nog een termijn van nul dagen gegeven om te reageren.

4    VERWEER 

4.1    Verweerster heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING

5.1        Toetsingskader

Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.

5.2    Beoordeling

Verweerster heeft erkend dat zij in de gewraakte e-mail abusievelijk de term “dwangsommen” in plaats van “boetes” heeft gehanteerd, maar heeft benadrukt dat deze vergissing eenvoudig was recht te zetten. Voorts heeft verweerster erkend dat zij klagers een korte reactietermijn heeft gesteld. Verweerster heeft in dat verband gemotiveerd toegelicht dat de urgente situatie, waarin haar cliënt werd geconfronteerd met een dreigende executie met een financieel belang van meer dan € 100.000,00, het stellen van een korte reactietermijn rechtvaardigde. 

5.3    De raad overweegt als volgt. Het in een spoedeisende kwestie als de onderhavige verzenden van een e-mail, waarin een onjuiste term wordt gebruikt en een korte reactietermijn wordt gegeven, vormt naar het oordeel van de raad in de gegeven omstandigheden onvoldoende aanleiding voor het maken van een tuchtrechtelijk verwijt aan verweerster. Klagers worden namelijk als juridisch professionals geacht de inhoud van de gewraakte e-mail op de juiste waarde te kunnen schatten. Anders dan klagers hebben gesteld is naar het oordeel van de raad uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht bovendien geenszins gebleken dat verweersters cliënt door de inhoud van verweersters e-mail ertoe is aangezet om tegen klagers te blijven ageren, noch dat door toedoen van verweerster de belangen van klagers anderszins onnodig of op een ontoelaatbare manier zijn geschaad. 

5.4    Klagers hebben betoogd dat zij veel belang hechten aan de door advocaten onderling te betrachten welwillendheid en dat zij verweerster verwijten in strijd met de te betrachten welwillendheid te hebben gehandeld. Dat betoog laat zich maar moeilijk rijmen met het feit dat klagers direct na ontvangst van het gewraakte e-mailbericht de indiening van een tuchtklacht hebben aangekondigd, de uitnodiging van de deken voor een bemiddelingsgesprek zonder gerechtvaardigde reden hebben afgeslagen en om onverwijlde doorzending van de klacht aan de raad hebben verzocht, zonder dat daaraan de gebruikelijke tweede schriftelijke ronde was voorafgegaan. De raad kan zich dan ook niet aan de indruk onttrekken dat klagers in de onderhavige kwestie lichtvaardig tot indiening van een tuchtklacht zijn overgegaan. 

5.5    De raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat niet is gebleken dat verweerster de grenzen van de aan haar, in haar hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden.  De raad zal de klacht ongegrond verklaren.


BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter, mrs. M.J. Hoekstra, M.M.C. van de Ven, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 26 januari 2026.

Griffier    Voorzitter


Verzonden op: 26 januari 2026