ECLI:NL:TADRSHE:2026:14 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-657/DB/LI
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:14 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-01-2026 |
| Datum publicatie: | 27-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-657/DB/LI |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in een fiscale procedure. Niet kan worden vastgesteld dat verweerder traag heeft gecommuniceerd, klaagster onheus heeft bejegend of telkens heeft geklaagd over de hoogte van zijn vergoeding op basis van een toevoeging. De raad stelt vast dat verweerder na ieder gesprek een uitvoerig gespreksverslag heeft toegezonden met een strategie, zodat hij heeft gehandeld zoals van hem kon worden verwacht. Wel heeft verweerder miskend dat de bezwaarprocedures tegen de aanslagen inkomstenbelasting 2018 en 2019 buiten de (toegevoegde) opdracht vielen, aangezien deze relevant waren voor de aanslag over 2020 vanwege de samenhang. Ook is verweerder tekortgeschoten in zijn zorgplicht door niet alle documenten bij klaagster op te vragen. Kernwaarde deskundigheid. Berisping. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 26 januari 2025
in de zaak 25-657/DB/LI
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 17 juni 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 26 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K24-119 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 december 2025. Klaagster was hierbij aanwezig. Verweerder was daarbij, zoals door hem in de loop van de ochtend van 8 december 2025 voorafgaand aan de zitting op 8 december 2025 in de namiddag telefonisch is medegedeeld, niet aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1-1 tot en met 8. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken van klaagster van 25 november 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster heeft zich op 18 juli 2023 tot verweerder gewend voor bijstand in een bezwaarprocedure tegen de belastingaanslag ‘Inkomstenbelasting / Premie Volksverzekeringen 2020’ (hierna: IB 2020). Het bezwaarschrift is eerder op 21 december 2022 ingediend namens klaagster door de Belastingrechtswinkel Rotterdam.
2.3 Op 21 juli 2023 hebben klaagster en verweerder een intakegesprek gevoerd. Tijdens het intakegesprek is gebleken dat klaagster in aanmerking kwam voor een toevoeging. Verweerder heeft vervolgens contact gezocht met de Raad voor Rechtsbijstand of, in afwijking van het uitgangspunt dat voor fiscale zaken in bezwaar geen toevoeging wordt verleend, vanwege bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid toch een toevoeging kon worden verleend. Deze is vervolgens verleend.
2.4 Op 30 augustus 2023 heeft de Belastingdienst aan verweerder geschreven:
“Op 7 augustus 2023 heb ik u per e-mail toegezegd dat ik u een vooraankondiging zou
schrijven naar aanleiding van het bezwaar van uw cliënte tegen de definitieve aanslag
inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2020. In deze vooraankondiging zou
ik u mijn standpunt en de onderbouwing daarvan kenbaar maken zodat u hierop kunt reageren.
Echter, met dagtekening 1 september 2023 is er een definitieve aanslag inkomstenbelasting
en premie volksverzekeringen 2019 vastgesteld. In deze definitieve aanslag is aan
uw cliënte een persoonsgebonden aftrek toegekend van € 13.364. Dit resulteert in een
restant persoonsgebonden aftrek van € 8.785. Er staat een bezwaartermijn open van
zes weken tegen deze aanslag en dus ook tegen de bijbehorende beschikking waarop het
restant persoonsgebonden aftrek staat aangegeven.
Uw cliënte heeft, in haar bezwaarschrift aangaande belastingjaar 2020, eveneens bezwaar
aangetekend tegen de afwijzing van de persoonsgebonden aftrek. In haar aangifte voor
belastingjaar 2020 voerde zij namelijk een bedrag op van € 17.800 aan restant persoonsgebonden
aftrek, wat in zijn geheel is afgewezen. Aangezien het nu toegekende restant persoonsgebonden
aftrek van € 8.785 lager ligt dan de door uw cliënte verzochte € 17.800, wil ik graag
van u weten of er bezwaar wordt gemaakt tegen het bedrag van € 8.785 aan restant persoonsgebonden
aftrek dat is toegekend voor belastingjaar 2019. Indien dit namelijk het geval is
dan kan de bezwaarprocedure voor 2020 pas worden voortgezet op het moment dat er een
beslissing op bezwaar is genomen aangaande belastingjaar 2019. Als u aangeeft dat
er geen bezwaar zal worden gemaakt dan kan ik de bezwaarprocedure voor 2020 voortzetten
en stuur ik u een vooraankondiging.”
2.5 Op 8 september 2023 hebben klaagster en verweerder een gesprek gevoerd. Verweerder heeft daarvan een gespreksverslag gemaakt:
“(…) Nu in het bezwaarschrift aangaande belastingjaar 2020 bezwaar is aangetekend
tegen de afwijzing van de persoonsgebonden aftrek. Geldt dat de definitieve aanslag
2019 dus invloed heeft op deze bezwaarprocedure. Aangezien het nu toegekende restant
persoonsgebonden aftrek van € 8.785 lager ligt dan de door [klaagster] verzochte €
17.800 over 2019, gaat [klaagster] bezwaar maken tegen de definitieve aanslag 2019.
Nu ik daar niet voor wordt toegevoegd en [klaagster] dat ook niet wenst, zal zij zelf
komende week dus zelf bezwaar maken en mij van dat bezwaarschrift een kopie ingescand
toesturen.
Vervolgens wachten we dan de definitieve aanslag 2018 eerst af en verzoeken we de
beslistermijn in de bezwaarschriftprocedures aangaande de definitieve aanslagen 2019
en 2020 nog even aan te houden totdat de definitieve aanslag 2018 is opgelegd.
Op basis van de inhoud van die nog te ontvangen definitieve aanslag 2018 bepalen we
vervolgens onze verdere strategie in de bezwaarschriftprocedure tegen de definitieve
aanslag 2020. [Klaagster] zal dan zelf desgewenst het bezwaar tegen de definitieve
aanslag 2019 voortzetten. (…)”
2.6 Op 11 september 2023 heeft klaagster (zelfstandig) bezwaar gemaakt tegen de IB 2019.
2.7 Op 20 september 2023 heeft de Belastingdienst de behandeling van het bezwaarschrift aangehouden totdat op het bezwaar tegen de IB 2019 is beslist.
2.8 Op 26 september 2023 heeft verweerder verzocht om een indicatie wanneer een definitieve aanslag IB 2018 zou volgen en hoe lang de beslissing op bezwaar tegen de IB 2020 daardoor zou moeten worden aangehouden.
2.9 Op 9 oktober 2023 en 17 oktober 2023 heeft verweerder klaagster desgevraagd kenbaar gemaakt nog niets te hebben vernomen van de Belastingdienst. Daarbij heeft verweerder op 17 oktober 2023 aan klaagster geschreven:
“(…) Als gezegd verricht ik alleen werkzaamheden in bezwaar IB 2020. Dat betekent dat ik deze e-mail nog eenmaal coulancehalve zond aan de Belastingdienst. Mocht daarop reactie uitblijven dan wel een reactie komen waarmee je naar jouw idee niet verder kunt, dan wil ik je adviseren zelf te bezien welke rechtsmiddelen je dan zou kunnen aanwenden. Ik kan je daarbij immers enkel na acceptatie van een nieuwe opdracht verder helpen. (…)”
2.10 Daarop heeft klaagster gereageerd:
“(…) Ik ben mij ervan bewust dat je alleen actie kunt ondernemen op basis van het
bezwaar van 2020 en daarom heb ik geprobeerd over de aangifte 2018 zelf op te volgen.
Het is inderdaad een lastige situatie dat er een verband is tussen de voorgaande jaren(2018
en 2019) en het bezwaar van 2020 en je ondanks de aansluiting met het bezwaar van
2020 geen vergoeding kunt krijgen over de voorgaande jaren.
Zoals eerder vermeld, als je tijdens jouw communicatie met de Belastingdienst het
gevoel heeft dat er sprake is van complexiteit met betrekking tot de aangiften 2018
en 2019, zou ik het op prijs stellen om van je te horen, zodat we kunnen bespreken
hoe we verder moeten gaan.”
2.11 Op 31 oktober 2023 heeft de Belastingdienst gereageerd geen tijdsindicatie te kunnen geven voor de IB 2018.
2.12 De procedure heeft vervolgens inhoudelijk stilgelegen totdat de Belastingdienst bij brief van 22 maart 2024 heeft aangekondigd de bezwaarprocedure voort te zetten. Deze brief is op 26 februari 2024 aan klaagster doorgezonden. In de tussentijd hebben klaagster en verweerder periodiek e-mails uitgewisseld.
2.13 Op 29 maart 2024 heeft verweerder aan de Belastingdienst geschreven:
“Dank voor uw bericht. Ik zal dan reageren binnen 14 dagen na maandag 8 april a.s., dus uiterlijk op maandag 22 april a.s. Voor de goede orde bericht ik u dat ik bij besluit van de Raad voor Rechtsbijstand als advocaat ben toegevoegd aan cliënte teneinde rechtsbijstand te verlenen in de bezwaarschriftprocedure tegen de aanslag Inkomstenbelasting / Premie Volksverzekeringen 2020. Dat is aldus het belastingtijdvak waarop mijn werkzaamheden zien. Voor het overige heb ik geen betrokkenheid als advocaat noch als gemachtigde. Ik verzoek u ingevolge het bepaalde in artikel 2:1 Awb aldus om alle contacten en correspondentie aangaande de bezwaarprocedure voor tijdvak 2020 via mij te laten verlopen.”
2.14 Op 8 april 2024 hebben klaagster en verweerder een bespreking gehouden. Daarvan heeft verweerder een gespreksverslag gemaakt:
“(…) [Klaagster] geeft tijdens dat gesprek aan dat zij inmiddels wat betreft de andere
belastingtijdvakken die volgens haar kennelijk in onderzoek zijn, fiscale bijstand
heeft van de heer [H]. Kortom, de vragen die ze mij stelde over andere tijdvakken
dan het tijdvak 2020 – het tijdvak waarin ik ben toegevoegd en waarop mijn opdracht
ziet – kunnen volgens [klaagster] daarmee als voldoende beantwoord worden beschouwd.
Mijn hulp en eventuele aanvullende toevoeging als advocaat is daarvoor dan ook niet
nodig. Ik zal die vragen dan ook als niet gesteld beschouwen zo spraken wij af.
Er is ook een bezwaarschriftprocedure aanhangig tegen de definitieve aanslag 2019
waarin ik geen bijstand verleen omdat ik daarin niet ben toegevoegd als advocaat en
er evenmin opdracht toe is gegeven. (…)”
2.15 Op 15 april 2024 heeft klaagster aan verweerder geschreven:
“Ik schrijf u met betrekking tot de brief die u naar de inspecteur zou sturen, zoals
we eerder hebben besproken. Helaas heb ik tot op heden nog geen update ontvangen.
Zoals we eerder hebben besproken, waardeer ik uw rol als mijn betrouwbare advocaat
enorm. Het is geruststellend om te zien dat u proactief te werk gaat in deze kwestie,
wat mijn vertrouwen in het succes van onze zaak alleen maar versterkt.
Ik begrijp dat u het druk heeft en dat er wellicht onvoorziene omstandigheden zijn
die tot vertraging hebben geleid. Desalniettemin ben ik enigszins bezorgd over de
voortgang van deze kwestie. Het is voor mij van groot belang dat deze brief zo spoedig
mogelijk wordt verstuurd, en ik zou het zeer op prijs stellen als u mij een update
kunt geven over de status ervan. (…)”
2.16 Op 22 april 2024 heeft verweerder een conceptreactie opgesteld en voorgelegd aan klaagster. Diezelfde dag heeft hij de Belastingdienst om uitstel van een week verzocht, wat is gehonoreerd. Ook heeft verweerder aan klaagster geschreven:
“In navolging op ons telefonisch overleg van vanochtend nogmaals mijn excuses voor het uitblijven van een reactie op jouw e-mails. Ik gaf dat ook al aan in ons telefoongesprek. Desalniettemin benadruk ik hierbij wel nog eens dat je erop moet rekenen dat ik veelal wel een reactietermijn van 14 dagen nodig heb. Tijdens onze laatste bespreking op 8 april jl. voorzag ik nog dat ik sneller kon reageren echter door plotselinge onvoorziene drukte in mijn praktijk is dat uiteindelijk niet gelukt. Als gezegd had ik je daarvan wel even op de hoogte moeten stellen omdat jij immers die verwachting wel had. Kortom, daarvoor mijn excuses.
Zojuist had ik telefonisch overleg met de heer V van de Belastingdienst. Hij kon instemmen met een verlenging van de reactietermijn met een week. (…)”
2.17 Op 23 april 2024 heeft klaagster gereageerd:
“Bedankt voor de snelle reactie. Gezien het verloop van onze samenwerking hoop ik
dat u er rekening mee kunt houden dat mijn zaak al vertraging heeft opgelopen en dat
de tegenpartij (de Belastingdienst) niet gunstig staat tegenover mijn zaak. Als gevolg
hiervan hoop ik dat u minder dan de geschatte antwoordtijd voor mijn zaak kunt overwegen.
14 dagen is behoorlijk lang en zal mijn zaak nog verder vertragen. Deze zaak heeft
een enorme impact op mijn belastingaangifte zaken in al de jaren dat ik in Nederland
woon en uw actieve betrokkenheid bij mijn zaak met betrekking tot de zaak van 2020
is essentieel. Ik hoop dat we met elkaar kunnen afspreken dat u uiterlijk binnen 5
werkdagen op mijn e-mails reageert en mocht u hierbij hindernissen tegenkomen, dan
kunt u mij op de hoogte houden. (…)”
2.18 Diezelfde dag hebben klaagster en verweerder gecorrespondeerd over aanvullende stukken en de conceptbrief. Klaagster heeft vervolgens akkoord gegeven op het verzenden van de brief.
2.19 Op 26 april 2024 heeft klaagster aan verweerder geschreven:
“In ons telefoongesprek van maandag heeft u aangegeven dat u mijn brief uiterlijk
vrijdag naar de belastingdienst zou sturen. Desondanks heb ik geen enkel bericht van
u ontvangen waaruit blijkt dat mijn brief is ingediend. Ik voel me genoodzaakt deze
kwestie opnieuw aan te kaarten: het voortdurend uitstellen van mijn zaak tot het allerlaatste
moment vóór de deadline heeft de voortgang van mijn zaak zeer bemoeilijkt. Ik moet
benadrukken dat dit niet in lijn is met de gerechtvaardigde verwachtingen die ik heb
van u als mijn betrouwbare advocaat, en dit kan ik niet accepteren.
Zoals eerder afgesproken, verzoek ik u dringend uw toezeggingen na te komen en mijn
zaak niet onnodig uit te stellen, noch mijn e-mails onbeantwoord te laten. Mocht er
sprake zijn van enige belemmering die een inhoudelijke impact heeft op uw reactie
op de zaak, dan hoor ik dat graag van u. Echter, op dit moment verwacht ik dat mijn
zaak vandaag zal worden ingediend, zoals we maandag telefonisch zijn overeengekomen,
en niet volgende week zal worden uitgesteld.
Ik ben me zeer bewust van de urgentie en het belang van deze zaak, en ik vertrouw
erop dat u dat ook bent. Het is van essentieel belang dat we ons uiterste best doen
om ervoor te zorgen dat mijn belangen adequaat worden behartigd en dat mijn zaak op
tijd wordt afgehandeld.”
De brief is diezelfde dag aan de Belastingdienst verzonden.
2.20 Op 1 mei 2024 heeft de Belastingdienst een voorgenomen beslissing op bezwaar gestuurd, inhoudende een gedeeltelijke gegrondverklaring.
2.21 Op 15 mei 2024 en 22 mei 2024 hebben klaagster en verweerder gesprekken gevoerd. Daarin zijn de resterende, niet gegrond verklaarde bezwaargronden besproken. Uit het gespreksverslag van de bespreking van 15 mei 2024 volgt:
“(…) Verder hebben we besproken dat [klaagster] dit onderdeel aangaande de specifieke
zorgkosten ivm genees- en heelkundige hulp, om haar moverende redenen niet verder
wenst te onderbouwen. [Klaagster] is van mening dat zij alle relevante gegevens heeft
overgelegd. Zij wenst daar aan de Belastingdienst geen nadere toelichting op te geven.
Dit vanwege het feit dat ook sprake is van leningen van derden en de in dat kader
aan [klaagster] gedane contante uitbetalingen van die leningen. Dit zou dan mogelijk
tot nadere vragen kunnen leiden welk risico en welk potentieel financieel nadeel niet
opweegt tegen de mogelijke financiële resultaten te behalen met onderhavige bezwaarschriftprocedure.
(…)
2.22 Op 23 mei 2024 heeft verweerder aan klaagster geschreven:
“(…) Uit de door jou en door de Inspecteur overgelegde (proces)stukken is mij gebleken
dat niet alle bankafschriften over het 2020 aan de Inspecteur zijn overgelegd. Evenmin
is aan de Inspecteur bekend gemaakt de aanvangs- en eindsaldi. Bovendien beschikt
de Inspecteur niet over (informatie omtrent de totale hoogte van) de af- en bijschrijvingen
over die periode aangaande die lopende rekening. Jij bevestigde deze situatie gisteren
ook aan mij.
(…) Deze ontvangsten bedroegen in totaal meer dan € 12.000,-. Ik heb daarop aangegeven
dat in deze situatie een potentieel fiscaal risico voor je schuilt. Immers zou de
Inspecteur bij wetenschap van die ontvangsten zich op het standpunt kunnen stellen
dat dit fiscaal belastbaar inkomen (bijvoorbeeld resultaat uit overige werkzaamheden
oftewel ROW) is. Het is (dan) dus aan jou om aannemelijk te maken dat deze ontvangsten
uit een andere bron verkregen zijn, bijvoorbeeld ten titel van een lening of een schenking.
Echter, gaf je mij te kennen dit onvoldoende aannemelijk te kunnen maken. Althans
bleek mij naar enig doorvragen dat er geen bewijs voorhanden is ter onderbouwing van
die andere titels.
Vorenstaande is van belang gelet op wat de Inspecteur schrijft in de vooraankondiging
van 1 mei jl. Immers wijkt hij (onder meer) van de bezwaren af vanwege het feit dat
onduidelijk is met welke gelden de medische kosten zijn voldaan. Door nu de bankafschriften
over te leggen en daarmee te laten zien dat deze kosten wel degelijk door jou zijn
gemaakt en dus op jou hebben gedrukt, geef je aldus prijs dat je ook meer ontvangsten
hebt gehad dan tot nu toe bekend. Een deel van die ontvangsten is (goed) verklaarbaar
en te onderbouwen. Voornoemd deel ad ruim € 12.000,- is dat echter niet. In potentie
dus een nieuw fiscaal probleem dat kan leiden tot aanvullende belastingheffing (eventueel
in de zin van een navordering) en zo mogelijk zelfs tot het opleggen van een (vergrijp)boete.
Kortom, ik heb je geadviseerd om indien je in dat kader geen risico wenst te lopen,
jouw bezwaargronden dienaangaande niet nader aan te vullen noch deze verder te onderbouwen
met bijvoorbeeld bankafschriften.
Je gaf mij ook te kennen geen verdere risico's te willen lopen. (…) Kortom, je kwam
zo tot de conclusie dat wij niet naar de hoorzitting van a.s. maandag gaan maar dat
wij verzoeken uitspraak te doen op bezwaar conform de vooraankondiging.
(…)
Indien je reeds nu al kunt bevestigen dat je niet meer wenst dat de hoorzitting plaatsvindt
en je daarmee dus verzoekt te beslissen conform de vooraankondiging verneem ik dat
graag voor 18:00u van je. Ik zal dat dan vandaag nog aan de bezwaarbehandelaar laten
weten. Indien je diens e-mail wenst af te wachten verzoek ik je jouw standpunt uiterlijk
morgenochtend voor 11:00 uur kenbaar te maken.”
2.23 Op 24 mei 2024 heeft verweerder aan klaagster geschreven:
“(…) Ter discussie staat als gezegd de vraag of die kosten in 2020 op jou drukten. Dat kun je aantonen door volledige inzage in jouw financiële positie te geven, dus door alle bankafschriften over te leggen. Echter, onze analyse van die bankafschriften blijkt dat er voor meer dan € 12.000,- ontvangsten zijn, bestaande uit meer dan 95 overboekingen aan jou van steeds relatief kleine bedragen afkomstige van een behoorlijk aantal verschillende natuurlijke personen. Uit jouw beantwoording van mijn vragen dienaangaande is mij gebleken dat je de herkomst van die bedragen althans de titel die aan die overboekingen ten grondslag ligt, niet kunt onderbouwen. Derhalve is mijn conclusie daarmee dat je hier een (nieuw) potentieel aanzienlijk fiscaal risico loopt. Je gaf aan dat risico niet te willen lopen. Daarom is mijn advies ook geen verdere financiële verantwoording meer af te leggen door inzage te geven in jouw financiën. Ik verwijs naar mijn eerdere e-mails hierover. (…)”
En:
“Vanochtend hebben wij alles bij elkaar bijna een uur met elkaar gebeld. Daarnaast
hadden wij nog uitgebreid contact via e-mail en Whatsapp. Tevens heb ik nog tweemaal
telefonisch overleg gehad met jouw belastingadviseur de heer H.G. Zoals besproken
en zoals ik begreep ook door H aan jou bevestigd, is in casu een te groot fiscaal
risico aanwezig in het volledig openheid geven van jouw financiële situatie in 2020.
Immers, de bewijslast dienaangaande rust op jou en uit de door jou verstrekte informatie
daarover slaag je daar slechts ten dele in. In ieder geval is het risico te groot
dat de door jou via de bank ontvangen bedragen over het jaar 2020 alsnog in de heffing
worden betrokken met alle gevolgen van dien.
Ik lichtte je daarbij ook nog voor over het leerstuk van de onjuiste aangifte, de
navordering en de praktijk van de verzuim- en vergrijpboetes. De risico's die in dat
kader voor je bestaan acht ik te groot om te adviseren verdere financiële openheid
te geven. Ik adviseer je dan ook om in te stemmen met de vooraankondiging en ik verwijs
daarvoor wel naar al mijn eerdere correspondentie van met name vandaag en gisteren
en hetgeen ik je verteld heb. Ook H gaf mij te kennen te vinden dat je dergelijke
risico's niet moet willen lopen. Daarbij realiseer ik mij als gezegd dat dat betekent
dat je nu dus niet alle standpunten van de Inspecteur kunt weerleggen. Dat is zuur
en begrijpelijkerwijs frustrerend, doch helaas een gevolg van de bewijslast(verdeling)
in fiscale aangelegenheden. Zeker in de sfeer van de Inkomstenbelasting.
Je hebt zojuist dan ook telefonisch en via Whatsapp aan mij laten weten dat je alsnog
berust in deze situatie omdat je zelf ook geen verder risico wil lopen. Om die reden
heb ik in samenspraak met jou bijgaande e-mail aan de Belastingdienst in concept opgesteld.
De inhoud is zoals we zojuist besproken hebben en is ook in lijn met wat we afgelopen
woensdag bespraken. Graag verneem ik of je instemt daarmee, ik zal dan tot verzending
overgaan. De hoorzitting van a.s. maandag 27 mei heeft daarmee dan geen doorgang.
Er zal naar verwachting per omgaande een uitspraak op bezwaar volgen in lijn met de
vooraankondiging. Deze kunnen we dan inhoudelijk bespreken bij mij op kantoor. Ik
houd je natuurlijk op de hoogte.”
2.24 Verweerder heeft nadien aan de Belastingdienst kenbaar gemaakt dat de hoorzitting niet hoeft te worden gehouden en dat er een beslissing kan worden genomen.
2.25 Op 6 juni 2024 hebben klaagster en verweerder de beslissing op bezwaar besproken. Verweerder heeft daarover geschreven:
“(…) Gelet op mijn bevindingen in bezwaar is mijn conclusie dat daarmee onder de gegeven omstandigheden het best haalbare resultaat is behaald. Ik verwijs daarvoor ook wel naar mijn eerdere correspondentie. Dat geldt evenwel niet voor de afwijzing van het verzoek tot vergoeding van de door jou geleden immateriële schade en voor de stelling dat geen dwangsom zou zijn verbeurd omdat met de uitspraak van 27 mei 2024 alsnog tijdig zou zijn beslist op het bezwaarschrift. Ik vind beide besluiten onvoldoende deugdelijk en begrijpelijk gemotiveerd. (…) Voor het overige ga ik dan nu over tot financiële afwikkeling van jouw dossier en na eventuele overdracht ook tot sluiting en archivering. (…)”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft niet voortvarend en proactief gecommuniceerd met klaagster, waarbij hij vaak boos was, schreeuwde en klaagster niet liet uitpraten;
b) Verweerder heeft klaagster van onjuist advies en onvoldoende begeleiding voorzien, waardoor haar persoonsgebonden aftrekbare kosten niet zijn toegewezen;
c) Verweerder klaagt telkens over zijn de hoogte van zijn vergoeding, terwijl hij klaagster bijstaat op basis van een toevoeging;
d) Verweerder geeft de voorkeur aan de gemakkelijkste oplossingen, zonder rekening te houden met de voordelen voor klaagster;
e) Verweerder heeft geweigerd om gespreksverslagen en mogelijke scenario’s te sturen;
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a)
5.2 Verweerder wordt allereerst verweten niet voortvarend en proactief te hebben gecommuniceerd, maar ook door klaagster onheus te bejegenen.
5.3 Verweerder heeft inzichtelijk gemaakt dat hij veelvuldig met klaagster heeft gecommuniceerd. Verweerster heeft daarover ook zelf uitgesproken dat zij zijn proactieve houding waardeerde. Wel signaleert de raad dat verweerder eind april 2024 laat is geweest met het opstellen van een conceptreactie richting de Belastingdienst. Verweerder heeft daarvoor echter zijn excuses aangeboden aan klaagster en ook snel gehandeld door uitstel verleend te krijgen van de Belastingdienst. Hoewel verweerder dit had kunnen voorkomen, is de raad van oordeel dat verweerder voldoende blijk heeft gegeven van zijn fout. De raad acht dit dan ook onvoldoende om tot een gegrond tuchtrechtelijk verwijt te komen. Dat betekent dat het klachtonderdeel in zoverre ongegrond is.
5.4 Dat klaagster onheus zou zijn bejegend, is door verweerder betwist en ook niet onderbouwd met bewijs. De raad kan dan ook niet vaststellen of verweerder op die wijze heeft gehandeld, zodat de klacht (ook) op dit onderdeel ongegrond is.
5.5 Klachtonderdeel a) is ongegrond.
Klachtonderdeel b) en d)
5.6 Klachtonderdelen b) en d) zien op de inhoudelijke bijstand van verweerster
in de belastingprocedure. De raad is van oordeel dat verweerder hierin tekort is geschoten.
Dat wordt als volgt toegelicht.
- Uit de berichten van de Belastingdienst is al snel gebleken dat de uitkomst
van het bezwaar tegen de IB 2020 afhankelijk was van de IB 2018 en 2019. Verweerder
heeft dat zelf ook bevestigd aan klaagster. Daarbij heeft hij zich echter op het standpunt
gesteld dat bijstand bij de bezwaarprocedures tegen de IB 2018 en 2019 buiten de reikwijdte
van zijn opdracht en de verleende toevoeging vielen. De raad acht dit standpunt tekort
door de bocht. Aangezien de IB 2018 en 2019 van belang waren voor de uitkomst van
de bezwaarprocedure tegen de IB 2020, vielen deze werkzaamheden ook onder de reikwijdte
van de toevoeging en diende verweerder klaagster daarin ook bij te staan of voor ieder
van deze jaren een nieuwe toevoeging aanvragen waarbij dan samenhang zou zijn tussen
deze drie toevoegingen.
5.7 Verweerder heeft dit miskend. Daarmee heeft hij niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelen advocaat mag worden verwacht.
5.8 Het is de raad verder gebleken dat verweerder onvoldoende acht heeft geslagen op de leningsovereenkomst van klaagster, terwijl overlegging daarvan kon bijdragen aan het inzichtelijk maken van de herkomst van de gelden. Uit de gespreksverslagen van 15 mei 2024 en 22 mei 2024 volgt dat verweerder wel over het bestaan daarvan is geïnformeerd, maar hij deze niet heeft opgevraagd bij klaagster. De raad is van oordeel dat verweerder dit wel had moeten doen, om te beoordelen of dit document tóch voldoende aannemelijk kon maken dat het geld afkomstig was uit een lening. Verweerder heeft deze verantwoordelijkheid niet genomen, maar heeft volstaan met het opmerken dat klaagster meende dat dit niet zo was. Daarmee is hij tekort geschoten in zijn zorgplicht richting klaagster.
5.9 Wel juist acht de raad het advies van verweerder om, gelet op de bij hem bekende stukken, af te zien van de hoorzitting in verband met het risico dat een vergrijpboete zou worden opgelegd begrijpelijk, aangezien dit financieel nadeliger zou zijn voor klaagster. Dat heeft hij klaagster ook uitvoerig toegelicht, waarna zij daarmee heeft ingestemd. Verweerder heeft op dit punt gehandeld zoals van hem kon worden verwacht.
5.10 Gelet op wat is overwogen onder overwegingen 5.7 en 5.8, zijn klachtonderdelen b) en d) gegrond.
Klachtonderdeel c)
5.11 Het is de raad niet gebleken dat verweerder telkens heeft geklaagd over de hoogte van zijn vergoeding op basis van de toevoeging. Dat is door verweerder ook betwist en niet nader onderbouwd met stukken. Klachtonderdeel c) is daarom ongegrond. Wel is de raad van oordeel dat verweerder binnen de aan hem verstrekte toevoeging ook werk had moeten maken van de IB 2018 en 2019. Daarvoor wijst de raad naar overweging 5.7.
Klachtonderdeel e)
5.12 Uit het dossier volgt dat verweerder klaagster na ieder gesprek een uitvoerig gespreksverslag heeft toegezonden. Daarin heeft verweerder ook de in zijn ogen te hanteren strategie uiteen gezet. De raad is van oordeel dat verweerder hiermee heeft gehandeld zoals van hem kon worden verwacht. Klachtonderdeel e) is ongegrond.
Conclusie
5.13 De raad zal klachtonderdelen b) en d) gegrond verklaren. Klachtonderdelen a), c) en e) zijn ongegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft niet gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat betaamt, door zijn opdracht en de verleende toevoeging beperkt te achten tot strikt de bezwaarprocedure IB 2020 terwijl gedurende de procedure bleek dat ook de uitkomsten van de IB 2018 en 2019 daarmee onlosmakelijk verbonden waren. Ook heeft verweerder zich onvoldoende ingespannen om alle door klaagster aangedragen bewijzen op te vragen en te bestuderen, waardoor hij tekort is geschoten in zijn zorgplicht.. Daarmee heeft verweerder onvoldoende deskundig gehandeld en is hij tekort geschoten in de belangenbehartiging aan klaagster. Omdat dit raakt aan de kernwaarde deskundigheid, acht de raad de oplegging van een waarschuwing niet voldoende. De raad legt daarom een berisping op.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klaagster,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdelen b) en d) gegrond;
- verklaart klachtonderdelen a), c) en e) ongegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de
Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald
in overweging 7.4.
Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. H.M.S. Cremers en U.T. Hoekstra, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 26 januari 2026