ECLI:NL:TADRSHE:2026:13 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-650/DB/ZWB
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:13 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-01-2026 |
| Datum publicatie: | 27-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-650/DB/ZWB |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Wat nooit geoorloofd is |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Klachten over het onjuist of onvolledig informeren van de rechtbank ongegrond, omdat dit niet is voorzien van onderbouwing en ook door verweerder is betwist. Verweerder mocht onderhandelen met klagers advocaat; dat klagers advocaat (mogelijk) in strijd met gedragsregel 15 handelde is diens eigen verantwoordelijkheid, niet die van verweerder. Klacht ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 26 januari 2026
in de zaak 25-650/DB/LI
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 29 januari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 24 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-010 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 december 2025. Daarbij waren klager, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 20.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager heeft in 2017, via de besloten vennootschap P Bedrijfsadvies waarvan hij indirect bestuurder en enig aandeelhouder is, een bedrijfspand gehuurd voor € 8.500,- van De B en Van L, om daarin een zwemschool te exploiteren. Voor de verbouwing van het pand heeft hij een lening afgesloten met De B en Van L. Ter zekerheid heeft klagers vader recht van hypotheek gegeven op twee van zijn woningen, waarin hijzelf en klager wonen.
2.3 Nadat in 2022 een betalingsachterstand is ontstaan, is in 2023 gesproken over de verkoop van de twee woningen. Dit heeft niet geleid tot een oplossing. De B is uiteindelijk overgegaan tot openbare verkoop van de woning. Daartegen is een kort geding gestart aan de zijde van klager. Klager c.s. is hierin bijgestaan door mr. L. De wederpartij, De B c.s., is hierin bijgestaan door verweerder.
2.4 Verweerder heeft een ‘conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie in kort geding’ ingediend.
2.5 Op 27 mei 2024 is een vonnis gewezen, waarbij de vorderingen in conventie zijn afgewezen en de vorderingen in reconventie zijn toegewezen, waarbij klager en zijn twee besloten vennootschappen hoofdelijk zijn veroordeeld tot betaling van € 371.568,58 wegens achterstallige huur en dat het bedrijfspand ontruimd diende te worden.
2.6 Op 15 juli 2024 heeft klager, mede namens zijn vennootschappen, een vaststellingsovereenkomst gesloten met de wederpartij.
2.7 Op 27 juni 2024 heeft verweerder namens zijn cliënten een faillissementsrekest ingediend tegen P Bedrijfsadvies. Het faillissement is op 11 december 2024 uitgesproken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft in de kortgedingprocedure stellingen ingenomen waarvan hij wist dat deze feitelijk onjuist waren;
b) Verweerder heeft onderhandeld met advocaat mr. L, terwijl verweerder wist dat deze advocaat in strijd handelde met gedragsregel 15;
c) Verweerder heeft in de faillissementsprocedure van P Bedrijfsadvies B.V. stellingen ingenomen waarvan hij wist dat deze feitelijk onjuist waren en heeft belangrijke informatie verzwegen.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a)
5.2 Klager heeft in een document gemotiveerd toegelicht dat verweerder in de kortgedingprocedure:
- 26 keer de rechtbank niet naar waarheid heeft geïnformeerd;
- 5 keer de rechtbank niet volledig heeft geïnformeerd;
- 11 keer de rechtbank misleidend heeft geïnformeerd;
- 1 keer de rechtbank in strijd met de feitelijke situatie heeft geïnformeerd;
5.3 De raad kan, op basis van het dossier, niet vaststellen dat verweerder de rechtbank (bewust) onjuist heeft geïnformeerd. De klacht is op dit punt niet voorzien van onderbouwing en is ook door verweerder betwist. Voor zover verweerder standpunten heeft die afwijken van klager, geldt dat verweerder de belangen van de wederpartij behartigt en niet die van klager. De discussie daarover hoort in beginsel thuis binnen de betreffende kortgedingprocedure zelf. Het is niet aan de tuchtrechter om daarover (opnieuw) een oordeel te geven. Klachtonderdeel a) is ongegrond.
Klachtonderdeel b)
5.4 Gedragsregel 15 ziet op het voorkomen van tegenstrijdige belangenbehartiging. Iedere advocaat heeft een eigen verantwoordelijkheid om ervoor te waken dat deze geen tegenstrijdige belangen behartigt. Die verantwoordelijkheid ligt niet bij de advocaat van de wederpartij. Mocht al sprake zijn van tegenstrijdige belangenbehartiging, dan kan dit verweerder niet worden aangerekend. Klachtonderdeel b) is ongegrond.
Klachtonderdeel c)
5.5 Verweerder heeft, mede gelet op de dekenvisie uit het dossier, ter zitting het standpunt ingenomen dat een klacht voorbehouden dient te zijn aan de curator. Er is ook geen toestemming verleend door de curator. De raad volgt dit standpunt niet en acht niets in de weg staan aan het komen tot een inhoudelijk oordeel over dit klachtonderdeel. Het indienen van een tuchtklacht raakt immers niet aan enig vermogensrechtelijk aspect van de boedel, zodat een toestemming van de curator voor het indienen van de tuchtklacht niet vereist is.
5.6 Net als bij klachtonderdeel a), kan de raad op basis van het dossier niet vaststellen dat verweerder stellingen heeft ingenomen waarvan hij wist dat deze onjuist waren of dat hij belangrijke informatie heeft verzwegen. Klager heeft dat niet onderbouwd met stukken. Verweerder heeft dit klachtonderdeel ook betwist. De raad kan dan ook niet vaststellen dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klachtonderdeel c) is ongegrond.
Conclusie
5.7 De klacht is in het geheel ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. H.M.S. Cremers en U.T. Hoekstra,
leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 26 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 26 januari 2026