ECLI:NL:TADRSHE:2026:12 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-675/DB/LI
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSHE:2026:12 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-01-2026 |
| Datum publicatie: | 27-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-675/DB/LI |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat. Verweerder is binnen de aan hem toekomende vrijheid als dominus litis gebleven. Niet gebleken dat hij onvoldoende bekend was met het dossier. Niet kan worden vastgesteld dat verweerder klager bewust fout heeft geïnformeerd over de bevoegdheid van de kantonrechter. Verweerder kan niet worden verweten dat een derde partij niet is gedagvaard, omdat klager hem daarover nooit heeft geïnformeerd. Verweerder mocht bij klager aandringen om een reactie, gelet op een beperkt houdbaar voorstel dat hij had ontvangen van de wederpartij. Verweerder heeft zijn werkzaamheden ook mogen neerleggen. Klacht in zoverre ongegrond. Geen belang bij de klacht over de declaraties, omdat hij binnen het budget van de rechtsbijstandsverzekeraar is gebleven en zodoende alleen de verzekeraar daarbij belang heeft. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 26 januari 2026
in de zaak 25-675/DB/LI
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 18 november 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 3 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-006 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 december 2025. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1-1 tot en met 9. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken van klager van 7 oktober 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager heeft zich tot zijn rechtsbijstandsverzekeraar ARAG gewend, omdat hij meent schade te hebben geleden door verbouwingswerkzaamheden aan de woning van zijn buren.
2.3 Op 11 november 2022 heeft ARAG de zaak van klager uitbesteed aan verweerder. Daarin is opgenomen “Omdat verzekerde btw-plichtig is, komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking. De btw op uw facturen zal verzekerde rechtstreeks aan u dienen te voldoen.”
2.4 Op 14 november 2022 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Inmiddels heb ik uw bestand en dat van de ARAG ontvangen. Wat het tijdpad betreft
geldt het navolgende: 1) Ik ga het dossier nu qua chronologie ordenen, wat de nodige
tijd kost omdat alles door elkaar ligt, 2) Daarna ga ik het geordende dossier bestuderen,
wat ook weer de nodige tijd in beslag zal nemen, 3) Vervolgens ga ik u uitnodigen
voor een onderhoud hier ten kantore om het dossier door te nemen aan de hand van vragen
mijnerzijds die na bestudering van het dossier zijn gerezen. Ik houd u op de hoogte
en zodra 1) en 2) achter de rug zijn, nodig ik u uit.”
2.5 Op 24 november 2022 heeft een eerste bespreking plaatsgevonden.
2.6 Op 12 december 2022 heeft verweerder een eerste conceptdagvaarding aan klager toegezonden. Ook heeft verweerder € 186,81 en € 204,75 aan btw in rekening gebracht bij klager, onder verwijzing naar de uitbestedingsbrief van 11 november 2022.
2.7 Op 27 december 2022 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Naar aanleiding van ons onderhoud d.d. 19 december jl. heb ik de stukken die u noemde
doorgenomen maar daar kon ik toch niet veel bruikbaars uithalen.”
Daarbij heeft verweerder een concept sommatiebrief aan de verzekeraar van de buren en een conceptdagvaarding bijgevoegd.
2.8 Diezelfde dag heeft klager gereageerd:
“Ik stond net op het punt om het document door te mailen toen ik uw E-mail ontving.
Omdat er verleden keer niet genoeg tijd was om alles door te spreken heb ik daarom
de zaken op een rijtje gezet In het document [naam] dat ik via We Transfer naar u
heb verzonden. Ik zag dat u toch het rapport van [bouwkundig adviesbureau] als productie
wilt opvoeren. In het document geef ik nogmaals aan waarom ik daar een probleem mee
heb. Zou u zo vriendelijk willen zijn om dit nog door te nemen ? Een aantal van de
producties kon ik op die datums niet terug vinden.”
2.9 Op 28 december 2022 heeft verweerder een aangepaste conceptdagvaarding aan klager toegezonden.
2.10 Op 12 januari 2023 heeft klager aanpassingen op de conceptdagvaarding aan verweerder toegezonden en vragen gesteld over de producties.
2.11 Op 23 januari 2023 heeft klager diverse producties en aanpassingen op de conceptdagvaarding aan verweerder toegezonden.
2.12 Op 25 januari 2023 heeft klager aanpassingen op de conceptdagvaarding aan verweerder toegezonden.
2.13 Op 9 februari 2023 hebben klager en verweerder een bespreking gehouden over de dagvaarding.
2.14 Op 28 maart 2023 heeft klager aan verweerder geschreven:
“Ik begon nogal ongerust te worden aangezien ik niets meer van u gehoord heb sinds de bespreking begin Februari in Maastricht na aanleiding van het door mij aangepaste concept van de dagvaarding die ik op uw voorstel aanpaste na een indringend telefoongesprek met u eind December waarin ik mijn punten van discussie aangaf op de dagvaarding die ik respectievelijk ontving begin en eind December en de enorme impact op mijn leven aangaf door de juridische procedure. Kunt u mij op de hoogte stellen van de gang der zaken?”
2.15 Diezelfde dag heeft verweerder gereageerd:
“Ik ben bezig met het zo mogelijk verwerken van uw op- en aanmerkingen in de concept-dagvaarding en dat heeft tot gevolg gehad dat ik de dagvaarding moest omgooien en dat heeft nogal wat voeten in de aarde; ik kan daar niet in een stuk aan werken maar af en toe moet ik het even wegleggen om het te laten bezinken waarna ik het weer oppak. Daar is tijd mee gemoeid. Zodra ik een nieuw concept klaar heb hoort u van mij.”
2.16 Op 30 maart 2023 heeft klager aan verweerder geschreven:
“Bedankt voor uw reactie. Volgende week Dinsdag is het precies drie jaar geleden dat een groot stuk uit mijn pand werd gesloopt. Drie jaar van grote stress, frustratie, overlast en tegenwerking, wat ik u al in een bewogen telefoongesprek eind December vertelde en aangaf dat ik eigenlijk zo’n beetje alle hoop op u had gevestigd. Ook is er nogal wat tijd gaan zitten in al het onderzoek wat ik moest doen om alle feiten boven tafel te krijgen en de rapporten waarin die verwerkt werden op te stellen. Zoals ik u al vertelde maak ik liever de riolering schoon als dat ik mij met dat soort werk moet bezig houden. De zaak is niet zo ingewikkeld als u meent, alleen moeten alle puzzelstukjes wel op de goede plaats zitten. Om het u wat makkelijker te maken heb ik aan de hand van de besprekingen de discussiepunten samengevat in een synopsis van het dossier dat ik als bijlage toevoeg . Ik hoop dat ik u daar behulpzaam mee kan zijn..”
2.17 Op 1 mei 2023 heeft klager ARAG benaderd over de zaak.
2.18 Op 2 mei 2023 heeft ARAG aan klager geschreven:
“Wat vervelend om te vernemen om dat u niet tevreden bent met de externe advocaat die heeft gekozen en dat er geen schot in uw zaak zit. Ik zal contact met [verweerder] opnemen om een poging te doen te bemiddelen. Daarnaast zal ik uw dossier aan de zijlijn blijven volgen en er bovenop zitten dat het voortvarend wordt opgepakt.”
2.19 En aan verweerder, met klager in de cc:
“Verzekerde uitte haar zorgen bij ARAG over de voortgang van haar dossier. In hoofdlijnen speelt er onbegrip waarom e.e.a. in haar ogen lang duurt/ veel tijd kost. Zij is van mening dat er niet voortvarend genoeg met het dossier wordt omgegaan. Zou u telefonisch contact met mevrouw willen opnemen om haar zorgen te bespreken? Ik zie dat er door uw kantoor al voor ca.€ 10.000,- is gedeclareerd, de dagvaarding is nog niet gereed/aangebracht. Daarmee lijkt dit een zeer kostbaar dossier te worden. Ik verneem graag, nadat u mevrouw heeft gesproken, hoe dit dossier zal worden voortgezet en welke tijdsinschatting u daarbij verwacht.”
En aan klager:
“De ontwikkelingen volgen zich nu snel op in uw dossier. Uw advocaat belde al gelijk en hij zal uiterlijk volgende week de concept dagvaarding gereed hebben. Het staat uzelf uiteraard vrij om [verweerder] alsnog even telefonisch te contacten. Ik wil u wel adviseren om het juridische advies van [verweerder] op te volgen. Hij is immers de juridisch specialist op dit vlak.”
2.20 Op 18 mei 2023 hebben klager en verweerder een bespreking gehouden over de dagvaarding. Diezelfde dag heeft klager aan ARG geschreven:
“Er gloort weer licht aan het einde van de tunnel. Gisteren had ik het gesprek met
mijnheer X in Maastricht waar ik verschrikkelijk tegen opzag. Op de standaard vraag
hoe het ging heb naar waarheid geantwoord dat ik eigenlijk compleet gestoord van de
hele procedure begon te worden. Dat bleek wederzijds te zijn. Daarop heb ik gevraagd
of ik tien minuten mijn verhaal mocht houden. Dat was geen probleem (…) De tien minuten
zijn uitgelopen tot een zeer constructief gesprek van anderhalf uur en hebben we hartelijk
afscheid kunnen nemen.”
2.21 Op 6 juni 2023 hebben klager en verweerder een bespreking gehouden. Op 13 juni 2023 heeft verweerder een aangepast concept toegezonden en een dankbericht voor een doos sigaren die hij van klager heeft gekregen. Klager is vervolgens, onder protest omdat diverse volgens hem ter zake doende producties ontbraken, akkoord gegaan met de dagvaarding. De dagvaarding is vervolgens uitgebracht.
2.22 Op 28 september 2023 heeft klager diverse documenten aan verweerder toegezonden. Diezelfde dag heeft verweerder om verduidelijking gevraagd.
2.23 Op 30 november 2023 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Van de rechtbank vernam ik dat R voor antwoord staan op 3 januari a.s. Ik verwacht overigens dat de kantonrechter ons verwijst naar de rechtbank (dat is gewoon een interne verwijzing) omdat in de dagvaarding ook een vordering van onbepaalde waarde staat die bij de rechtbank thuishoort.”
2.24 Op 16 februari 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Om u op de hoogte te houden: er is al een groot deel van de vergoeding aan deze zaak opgegaan, rond de € 30.000,- reden waarom rond de € 10.000,- resteert. Maakt u zich geen zorgen, mijn kosten zal ik daaronder zien te houden. Graag geen over en mail verkeer hierover starten, probeer de kosten nu te minimaliseren.”
2.25 Op 7 maart 2024 hebben klager en verweerder de van de wederpartij ontvangen conclusie van antwoord besproken. Uit deze conclusie van antwoord bleek dat er nog een derde partij in het pand van de buren woonachtig is, maar die is niet gedagvaard.
2.26 Op 13 maart 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Hoe denkt u over een regeling? Wij vorderen, los van de kwestie van de nokgevel, boeiboorden en dakpannen, in totaal €16.701,18-. Zo wij ons gelijk in de procedure zouden krijgen, dan zal een rechter dat bedrag hoogstwaarschijnlijk flink matigen, en het zou mij niet verbazen als hij dan € 10.000, of nog minder toekent. Hoe kijkt u er tegen aan deze zak te regelen voor € 10.000,-? Ik zeg niet dat dit mogelijk is, maar ik ga mijn best doen. Hiermee voorkomt u ook dat de zaak nog lang voortsleept, de dekking van ARAG is op en u zelf zou moeten gaan betalen wat, naar ik van u begreep, geen optie is. Graag enkel antwoorden: € 10.000, ok of niet ok.”
2.27 Op 14 maart 2024 heeft klager daarop gereageerd:
“Hoewel u in een eerdere E- mail aangaf dat ik mij geen zorgen moest maken en u de kosten ging beperken begin ik mij steeds ongemakkelijker te voelen. Na afloop van de bespreking op 7 Maart gaf u te kennen dat de limiet van de kosten op € 10.000 na bereikt waren en dat u dat dan op nuI basis de procedure zou moeten voortzetten. Hoewel ik u verteld had dat ik mede de door de Coronacrisis met het bedrijf gestopt was en nu van een AOW uitkering moet rond komen vroeg u mij of ik dan wel de vervolgkosten kon betalen. U vertelde mij ook dat het bedrag al tot € 30.000 was opgelopen, wat zo’n beetje neerkomt op drie jaar AOW. In de E-mail van gisteren vroeg u mij of ik akkoord kon gaan met uw voorstel om de te vorderen som op de tegenpartij te verlagen tot € 10.000 om zo kosten te besparen en de rechter een soort voorstel te doen om voor € 10.000 te schikken. lk denk dat de tegenpartij hier nooit mee akkoord gaat en ik begrijp ook niet goed dat het voorstel dan voor of na een positieve uitslag voor mij gedaan gaat worden en als de rechter besluit om bij een gunstige uitslag het te vorderen bedrag verlaagd tot €10.000 heb ik mij daar toch bij neer te leggen. Verder zijn alle argumenten en producties in de dagvaarding gebaseerd op die 16.701 en een totaal minder bedrag zou de hele procedure totaal ongeloofwaardig maken. Ik zou mij wel nog kunnen voorstellen dat tijdens de zitting een compromis van € 10.000 voorgesteld wordt en die zou ik dan met de nodige voorwaarden wel kunnen accepteren om van de stress af te zijn. Ik moet namelijk al vier jaar met grote overlast leven, het pand is minder waard geworden en de verkoop door de procedure onmogelijk (…) Rest mij de laatste indringende vraag te stellen of u stopt met mij bij te staan als de limiet bereikt is?”
2.28 Daarop heeft verweerder gereageerd:
“Mijn vraag aan u is niet beantwoord; wilt u dat alsnog doen?”
2.29 Daarop heeft klager gereageerd:
“Ik kan de consequenties niet inschatten van een ja of nee antwoord, Ik wil eerst helder hebben waar ik aan toe ben.”
2.30 Op 22 maart 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Ik denk dat als we de zaak voor € 10.000,- zouden kunnen regelen u een héél mooie deal zou hebben, maar of mij dit zou lukken weet ik niet maar zou er wel mijn stinkende best voordoen. Akkoord?”
2.31 Op 25 maart 2024 heeft klager aan verweerder geschreven:
“(…) Ik begrijp ook totaal niet hoe u de zaak wilt "regelen" en wat dat met een positieve uitspraak van de rechter heeft te maken. Moet dan een nieuwe dagvaarding opgesteld worden? Vervalt de oude dagvaarding dan ? Wat gebeurt er met het onrechtmatige verkrijgen van het rapport van Jabjo en dat als productie opvoeren? Wat gebeurt er met de gekopieerde producties in de CvA uit het document Arag/[wederpartij]? (…) en als de rechter dan beslist dat het uit te keren bedrag maar € 10.000,- bedraagt dan heb ik mij daar toch maar bij neer te leggen of u zou hoger beroep moeten aantekenen en dan zou uw honorarium wel eens tot een paar ton kunnen oplopen als ik zie dat alleen voor de dagvaarding al € 30.000,- werd gerekend. Ook is mij niet duidelijk met wie u dat allemaal wilt gaan "regelen". Met de rechter? Met [wederpartij]? Met Aegon? Voor of na de uitspraak? Hoe bespaart u op die manier op de kosten? Wat is de volgende stap na de CvA? Wordt [wederpartij] die eerst vanwege tegenstrijdig belang van advocaat moest wisselen nu door een Aegon ingehuurd advocatenkantoor bij gestaan? Zou dat dan betekenen dat tegen Aegon geprocedeerd moet worden? U gaf aan dat de limiet van € 40.000,- op € 10,000 na bereikt is, wat betekend dat uw kosten nu al hoger zijn als het te vorderen bedrag. Hoe komt u aan die wetenschap ? Heeft u daarvoor contact gehad met Arag? Ik sta pas aan het begin van de procedure, hoe kan die voor € 10.000,- gevoerd worden ? (…) [Medewerker] van Arag gaf begin verleden jaar al aan dat zij de kosten buitensporig hoog vond, heeft zij die limiet gesteld ? U gaf aan dat u de "'verkeerde" had gedagvaard, moet dan een nieuwe dagvaarding opgesteld worden? Heeft u het hele verhaal betreffende [wederpartij 3] dan niet gelezen in het document Arag/[wederpartij] of geluisterd naar mijn verhaal? Waarom weigert u de bouwtechnische, kadastrale en historische gegevens als productie op te voeren en worden mijn argumenten dat [wederpartij] het eigendomsrecht van die muur zou gaan aanvechten, en die gegevens daarom van cruciaal belang waren, genegeerd? Wat gebeurt er als die limiet bereikt is? Als ik het een beetje samenvat gaat u "'iets” regelen" voor een "' héél mooie deal" van 10.000,- waar u voor de binnen de limiet van € 10.000,- uw "stinkende best" voor gaat doen en wordt de procedure dan alleen nog maar gevoerd voor het herstel van de opgevel van [wederpartij] zodat de hele dagvaarding vervalt of aangepast moet worden en moet ik de kosten van de renovatie aan mijn kant voor eigen rekening nemen. Op wat voor manier is dat kostenbesparend ? Hoe gaat dat in zijn werk ? Op wie wordt die € 10.000,- verhaald ? Waarom krijg ik, behalve herhaalde oproepen om akkoord te gaan, geen antwoorden op mijn indringende E-mails van 13 en 14 maart?”
2.32 Verweerder heeft daarop gereageerd:
“Ik heb niet gezegd dat ik de "verkeerde" heb gedagvaard, maar wel dat u mij na vele concepten waarin broer en zus [wederpartij] werden gedagvaard nooit hebt gezegd dat niet zij maar ene [wederpartij 3] de schuldige zou zijn.”
2.33 Op 12 april 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“In opgemelde kwestie gelieve u de rolbeslissing van de kantonrechter aan te treffen, waaruit blijkt dat hij wil weten of wij van mening zijn dat deze vordering tot zijn bevoegdheid of die van de rechtbank behoort. Wij moeten ons daarover uitlaten bij akte van 24 april a.s. Ik zal aan de kantonrechter aangeven dat, hoewel de vorderingen onder punt 2 en 4 van onbepaalde waarde zijn, de totale vordering nooit hoger dan € 25.000,- zal zijn weshalve de kantonrechter wel degelijk bevoegd is.”
En:
“Ik ben inmiddels wat jurisprudentie gaan nakijken en in een recente uitspraak van
de rechtbank Limburg heeft de kantonrechter geoordeeld dat hij niet bevoegd is in
geval het gaat om dat vorderingen om iets te doen of na te laten die niet op geld
waardeerbaar zijn. In onze zaak zijn de vorderingen om te doen wel op geld waardeerbaar.
Dus is de kantonrechter wel bevoegd om daarvan kennis te nemen en niet verplicht door
te verwijzen naar de rechtbank. Mocht uit verder onderzoek blijken dat de kantonrechter
ten aanzien van de vorderingen onder 2 en 4 toch onbevoegd zou zijn en dat doorverwijzen
toch aan de orde zou zijn, dan kunnen wij onze vordering wat betreft hetgeen onder
2 en 4 staat simpelweg verminderen, waardoor wij de kantonrechter toch bevoegd maken
èn pogen het geschil alsnog buitengerechtelijk tegen finale kwijting over en weer
te regelen nu het geheel dan volledig op geld waardeerbaar is. Wat vindt u hiervan?
Graag alleen reageren met: mee eens, omdat ..... of niet mee eens omdat.. ...”
2.34 Op 15 april 2025 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Gelet op de rolbeslissing die ik u op 12 april jl. (11:37 uur) stuurde, mijn mail aan u van 12 april jl. (12:37 uur) en verder onderzoek mijnerzijds rest ons, gelet op alle feiten en omstandigheden, weinig anders dan de vorderingen onder 2 en 4 te verminderen . . /. Bijgaand gelieve u de akte aan te treffen die ik op 24 april a.s. zal nemen. Graag uiterlijk woensdag 17 april 2024 om 17:00 uur uw schriftelijk akkoord hierop.”
2.35 Op 18 april 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Ik kan de zaak regelen voor € 8.500,- tegen finale kwijting over en weer. Ik adviseer u met klem dit te aanvaarden, want dit is een mooie regeling. Als u het daarmee eens bent, dan gelieve u mij dit vandaag vóór 19.30 uur per mail te bevestigen middels uw akkoord; bij niet aanvaarding komt dit te vervallen. Dan gaat de procedure verder zonder de vorderingen onder 2 en 4 gelet op de akte vermindering van eis die ik u gisteren toezond en waarop ik geen reactie kreeg binnen de door mij gestelde termijn; behoudens uw per ommegaand andersluidend tegenbericht vertrouw ik u dan ook akkoord met deze akte. Bij niet akkoord zou de zaak in haar geheel naar de rechtbank worden doorverwezen wat niet alleen een veel hoger griffierecht maar bij verlies ook een veel hogere proceskostenveroordeling met zich meebrengt die niet meer uit het restant tegoed op uw rechtsbijstandverzekering kan worden voldaan waardoor uzelf een risico zou lopen dat ik uiteraard koste wat kost wil vermijden. Maar het hoeft dus allemaal niet zover te komen als u ermee akkoord ga dat ik de zaak voor€ 8.500,- regel, tegen finale kwijting over en weer. Ik hoor dan ook graag voor 19.30 uur van u; na 19.30 uur kan dit voorstel niet meer worden aanvaard, dus ik verzoek u vriendelijk doch dringend daar zéér goede nota van te nemen.”
En:
“Mijn secretaresse heeft u na de verzending van deze e-mail met ontvangst- en leesbevestiging nog gebeld en omdat u niet opnam een boodschap ingesproken op uw mail.”
En:
“Waarom reageert u niet meer op mijn mails en telefoontjes? Ik snap er niks van hoor.”
En:
“U hebt de termijn voor aanvaarding van de regeling zonder enige reactie laten verstrijken. Ik beraad mij er thans over mij te onttrekken als uw advocaat nu u bewust en stelselmatig nergens meer op reageert Morgen hoort u nader van mij. Ik zit nog op kantoor dus mocht u de regeling alsnog willen aanvaarden, dan kan dat tot 19.45 uur; daarna verlaat ik het kantoor. Wilt u ALSTUBLIEFT reageren?”
En:
“Het is nu 19.46 uur en ik heb andermaal geen enkele reactie van u ontvangen. Ik verlaat thans het kantoor. Het houdt op enig moment op.”
2.36 Op 19 april 2024 heeft klager aan verweerder geschreven:
“Ik vond uw mails pas vanmorgen. Ik weet dus nog steeds niet wat die regeling inhoudt en wordt dus alweer voor het blok gezet. Ik heb ondanks mijn indringende mails nog steeds geen enkele reactie van u daarop ontvangen. Ik vindt de hele gang van zaken stijlloos. Bijgaand mijn commentaar..”
2.37 Op 19 april 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“In vervolge op mijn eerdere correspondentie bericht ik u als volgt. Zoals ik u aangaf
overwoog ik mij te onttrekken als uw advocaat. Ik heb inmiddels de beslissing genomen
om mij te gaan onttrekken als uw advocaat. Dit heeft, onder meer, te maken met het
feit dat ik geen enkele reactie heb ontvangen op mijn mails aan u tot hedenochtend,
maar ook dat is nog steeds geen inhoudelijke reactie. Zoals u weet is er een rolbeslissing
geweest waarin de rechtbank heeft verklaard dat het gevorderde onder 2 en 4 niet tot
zijn bevoegdheid hoort en heeft ons gevraagd hoe we hierover denken. (…) Ik schreef
u uiteindelijk dat als u niet zou reageren op mijn vraag of u ermee akkoord ging dat
ik een akte zou nemen waarin ik de eis voor wat betreft het gevorderde onder 2 en
4 zou verminderen, ik ervan uitging dat u daarmee akkoord was behoudens uw per ommegaande
andersluidende tegenbericht, hetgeen iets te kort door de bocht was. Maar ook daarop
kreeg ik geen enkele reactie.
Ook heb ik u een regelingsvoorstel toegezonden waar wij de zaak voor f 8.500,- tegen
finale kwijting over en weer konden regelen, maar ook daarop heb ik niets op vernomen,
zelfs niet nadat mijn secretaresse u had gebeld en op uw voicemail had ingesproken;
inmiddels is die mogelijkheid dan ook vervallen.
Ik heb in feite helemaal niets van u gehoord tot hedenochtend, maar ook daar zegt
u niets over hetgeen ik u schreef met betrekking tot de eisvermindering.
Voortschrijdend inzicht heeft me ertoe gebracht u thans nogmaals te vragen of u
akkoord gaat met het feit dat ik onze vorderingen met het gestelde onder 2 en 4 verminder
zodat de zaak voor de rest bij de kantonrechter blijft (we zouden dan de nokgevelkwestie
wellicht op basis van een toevoeging bij de rechtbank kunnen aanbrengen).
Mocht ik niet maandag 22 april a.s. om 17:00 uur schriftelijk enige korte en heldere
instructie van u vernemen, dan zal ik mij te onttrekken aan de procedure als uw advocaat
omdat ik geen enkele instructie krijg en dus niet in staat wordt gesteld uw belangen
te behartigen.
Ik wijs u in dezen erop dat u er dan voor moet zorgen dat zich een advocaat namens
u stelt op woensdag 24 april a.s. en deze verzoekt om uitstel om alsnog te kunnen
reageren op de rolbeslissing. Ik adviseer u dat in overleg met ARAG ([naam medewerker])
te doen die ik in de c.c. zet.
Als u geen advocaat stelt dan wijs ik u erop dat u weliswaar uw eigen belangen zonder
bijstand van een advocaat kunt behartigen, maar vanuit de op mij van toepassing zijnde
Gedragsregels wijs ik u erop dat het over het algemeen verstandiger is zich door een
professionele jurist bij te laten staan.
Als u niets doet, dan zou tot gevolg kunnen hebben dat de rechter uiteindelijk oordeelt
dat de vordering verder als niet weersproken zou worden af gewezen waarbij u dan zult
worden veroordeeld in de proceskosten die overigens nog uit het budget van de ARAG
zouden kunnen worden betaald. Het spijt mij dat ik u niet anders kan berichten maar
u laat mij geen andere keuze.
Door totaal niet te reageren en uiteindelijk te reageren maar nog altijd geen inhoudelijke
reactie te geven op wat ik u schreef betekent zulks dat ik geen enkele instructie
van u krijg en dus niet in staat word gesteld uw belangen naar behoren te behartigen
hetgeen geen andere conclusie kan wettigen dat ik mij zal onttrekken aan de zaak ter
rolle van 24 april a.s., tenzij u mij alsnog inhoudelijk bericht en wel in die zin
dat u mij instrueert wat te doen, waarbij ik u ten overvloede nogmaals erop wijs dat
het het beste is dat wij de vordering onder 2 en 4 verminderen zulks om te voorkomen
dat de zaak wordt doorverwezen naar de rechtbank met alle kosten van dien (wat de
nokgevelkwestie betreft: zie hiervoor).
Ik behoud mij nadrukkelijk het recht voor dat als u mij instrueert iets le doen
waar ik, gelet op mijn advies in dezen, als advocaat niet achter sta, mij alsnog te
onttrekken. Dit schrijven geschiedt onder voorbehoud van al mijn rechten en weren.”
En:
“Aan mijn mail van zoeven wil ik nog toevoegen dat als de kantonrechter uiteindelijk besluit de zaak door te verwijzen naar de rechtbank u dan sowieso middels tussenkomst van een advocaat moet optreden en niet zelf in persoon; een mondelinge behandeling mag u dan wel zonder advocaat bijwonen, maar u mag niet proceshandelingen zonder een advocaat verrichten, wat inhoud dat u geen aktes, geen conclusies, geen bewijsstukken etc. mag indienen.”
2.38 Op 22 april 2024 heeft ARAG aan klager geschreven:
“Zojuist hebben wij zeer uitvoerig gesproken over de per e-mail van [verweerder] d.d.
19 april 2024 aan u verzonden brief en zijn korte aanvulling per e-mail van dezelfde
dag (zie beide in de bijlage). Ik wil in de eerste plaats nog eens benadrukken dat
ik u heb uitgelegd wat uw mogelijkheden zijn, zoals genoemd in de brief van [verweerder],
maar dat de uiteindelijke keuze uiteraard geheel aan u is. U snapte dat.
Ons gesprek eindigde er mee dat u aangaf [verweerder] vandaag voor 17:00 uur schriftelijk
te zullen laten weten dat u akkoord gaat met een te nemen akte tot vermindering van
uw eis (met de punten 2 en 4 uit de dagvaarding) zodat de kantonrechter bevoegd blijft
over uw resterende eisen te kunnen oordelen. Gelet op het bij ARAG nog resterende
budget € 7.255,29 (all-in), wordt verondersteld dat dit normaal gesproken voldoende
zal moeten zijn om tot een eindvonnis van de kantonrechter te kunnen komen.
Voor wat u voorts met de kwestie over de nokgevel (2) en eis tot afgifte onderzoekrapport
(4) wenst te doen gaf u aan u nog te willen beraden. U overweegt te onderzoeken of
u voor een toevoeging (door de overheid gefinancierde rechtshulp) in aanmerking komt.
Dat laat ARAG aan u. (…)”
2.39 Diezelfde dag heeft klager aan verweerder geschreven:
“Na een uitgebreid telefoongesprek met [ARAG] heb ik de beslissing moeten nemen dat de zaak bij de kantonrechter blijft en dat ik akkoord ga met de akte tot vermindering wat punt 2 en 4 betreft.”
2.40 Diezelfde dag heeft verweerder de akte vermindering van eis uitgebracht.
2.41 Op 4 mei 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Kan ik op 7 mei as om 14.00 uur bij uw langskomen om de situering van het (voormalige) gat in de muur en de gevolgen daarvan met eigen ogen te aanschouwen?”
2.42 Op 5 mei 2024 heeft klager gereageerd:
“Ik heb nog steeds geen antwoord op mijn vragen gekregen.”
2.43 Diezelfde dag heeft verweerder gereageerd:
“Als ik daar ben kunt u mij uw vragen stellen; ik neem er de tijd voor. Is datum en tijdstip akkoord?”
2.44 Op 6 mei 2024 heeft klager aan verweerder geschreven:
“Twee weken geleden deelde u mij mee dat u zich onttrok van uw plicht als advocaat om mij nog langer bij _te staan aangezien ik niet naar uw zin reageerde op een volstrekt onduidelijk en steeds wisselend voorstel twee dagen voordat een beslissing genomen moest worden voor de rechtbank waarmee vier jaar van een immens door mij geïnvesteerd aantal uren naar de verdommenis ging en de procedure als verloren beschouwd kon worden door de incompetente aanpak van uw kant, over de stress en frustratie nog maar te zwijgen. Het lijkt mij niet verstandig dat wij elkaar nog persoonlijk tegenkomen aangezien ik mij niet zomaar op zo'n schandalige manier laat behandelen en intimideren. Het schrijven van [ARAG] dient blijkbaar om zich in te dekken en staat haaks op het telefonisch onderhoud van de Vrijdag daarvoor waarvan ik aangaf onder protest mee in te stemmen.”
2.45 Op 7 mei 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Reeds eerder was ik helaas genoodzaakt u aan te geven dat ik mij als uw advocaat
zou onttrekken als u mij niet heldere en korte instructie zou geven omdat ik zo niet
kon werken. Die instructie heeft u mij louter en alleen gegeven vanwege de tussenkomst
van de ARAG. Om "een nieuwe start" te maken stelde ik u op zaterdag 4 mei jl. voor
om op dinsdag 7 mei a.s. om 14:00 uur bij u langs te komen om de situering van het
(voormalige) gat in de muur en de gevolgen daarvan met eigen ogen te aanschouwen.
U schreef mij dat u nog steeds geen antwoord zou hebben gehad op uw vragen. Daar reageerde
ik op met de opmerking dat als ik bij u zou zijn u mij de vragen zou kunnen stellen
die bij u zouden leven; ik zou er de tijd voor nemen. Ik vroeg u of het tijdstip en
de datum akkoord waren.
Maandagochtend werd ik geconfronteerd met uw mail van 6 mei 2024 (05:56 uur) die
van een zodanige inhoud is en de mededeling bevat dat u mij niet meer persoonlijk
wenst tegen te komen dat ik besloten heb dat ik mij als advocaat aan de zaak zal moeten
onttrekken; daargelaten de inhoud, kan ik mijn werk niet verrichten als de cliënt
mij niet meer persoonlijk wenst te ontmoeten.
U zult dan ook, in overleg met de ARAG, op zoek dienen te gaan naar een nieuwe advocaat
die ik, zodra ik van de ARAG verneem wie dat is, het dossier, desgewenst, zal overdragen.
Overigens deel ik u mede dat de zaak op de rol van 22 mei a.s. staat voor uitspraak
naar aanleiding van onze reacties op de rolbeslissing.”
2.46 Op 10 mei 2024 heeft ARAG aan klager, met verweerder in de cc, geschreven dat hij bij wijze van uitzondering binnen de grenzen van de polis een overstap naar een andere advocaat mag maken vanwege de vertrouwensbreuk met verweerder.
2.47 Op 11 mei 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“Uit bijgaande rol beslissing blijkt dat de zaak, dankzij onze eisvermindering, nu bij de kantonrechter blijft en mijn opvolgend advocaat nu ter rolle van 22 mei 2024 uw en zijn verhinderdata moet doorgeven aan de kantonrechter omdat hij een mondelinge behandeling wil gelasten.”
2.48 Op 14 mei 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
“In vervolge op mijn mail aan u van 11 mei jl. waarin ik u aangaf dat ter rolle van 22 mei a.s. u uw verhinderdata moet opgeven ten behoeve van een mondelinge behandeling blijkt uit het rolbericht wat zojuist is binnengekomen dat u niet alleen verhinderdata moet opgeven maar ook eventuele getuigen; de verhinderdata betreffen dan de maanden juni t/m september 2024.”
2.49 Op 29 mei 2024 heeft klager op grond van de kantoorklachtregeling een klacht ingediend over verweerder. De klacht is door de klachtenfunctionaris behandeld.
2.50 Op 28 november 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2.51 In december 2024 heeft de klachtenfunctionaris de interne klacht afgewezen.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.
a) Verweerder was onvoldoende bekend met het dossier en heeft geweigerd om schadeposten en belangrijke informatie aan te voeren in de dagvaarding;
b) Verweerder heeft klager een half jaar aan het lijntje gehouden;
c) Verweerder heeft gesjoemeld met zijn declaraties en excessief gedeclareerd;
d) Verweerder heeft klager bewust fout geïnformeerd over de bevoegdheid van de rechtbank;
e) Verweerder heeft de verkeerde partij gedagvaard;
f) Verweerder heeft klager onder druk gezet om in te stemmen met een voorstel tot een minnelijke regeling en heeft, nadat hij weigerde klagers vragen te beantwoorden, zijn werkzaamheden neergelegd toen klager niet op de door verweerder gewenste wijze heeft gereageerd op het voorstel;
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a)
5.2 De raad kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verweerder onvoldoende
bekend was met het dossier. Uit de correspondentie volgt dat verweerder vele conceptdagvaardingen
aan klager heeft voorgelegd. Dat verweerder een andere waarde heeft toegedicht aan
diverse producties die hij van klager heeft ontvangen, is daartoe onvoldoende. Verder
heeft de advocaat als dominus litis vrijheid in de wijze waarop hij een zaak wil behandelen,
waaronder in het beoordelen welke producties dienstbaar zijn of afbreuk doen aan de
zaak. Dat geldt ook voor het weigeren om bepaalde schadeposten op te nemen, als verweerder
meent dat er onvoldoende kansen zijn om deze toegewezen te krijgen. Verweerder is
binnen die vrijheid gebleven. Hij heeft pas nadat klager daartoe akkoord heeft gegeven,
de dagvaarding laten uitbrengen. Dat klager het achteraf nog steeds niet eens is met
het weglaten van producties of de schadeposten, verandert niet dat hij daarmee wel
akkoord is gegaan in juni 2023. Klachtonderdeel a) is ongegrond.
Klachtonderdeel b)
5.3 Uit de toelichting op dit klachtonderdeel, begrijpt de raad dat klager hiermee bedoelt een half jaar aan het lijntje te zijn gehouden sinds het indienen van de interne klacht in mei 2024 tot aan december 2024. De klachtbehandeling werd niet door verweerder uitgevoerd, maar door de klachtenfunctionaris van het kantoor. Dit kan verweerder dan ook niet worden aangerekend. Klachtonderdeel b) is ongegrond.
Klachtonderdeel c)
5.4 De raad stelt vast dat klager via zijn rechtsbijstandsverzekeraar bij verweerder terecht is gekomen en dat verweerder binnen het toegekende budget is gebleven. Het is dan ook enkel de rechtsbijstandsverzekeraar die een eigen, rechtstreeks betrokken belang heeft bij een eventuele klacht over de hoogte van de declaraties. Klager is niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel.
Klachtonderdeel d)
5.5 Verder kan de raad op basis van het dossier niet vaststellen dat verweerder klager bewust fout heeft geïnformeerd over de bevoegdheid van de kantonrechter dan wel rechtbank. Verweerder heeft klager over de mogelijke verwijzing van de kantonrechter naar de rechtbank al op 30 november 2023 geïnformeerd. Vervolgens is dat daadwerkelijk aan de orde gekomen op het moment dat de kantonrechter partijen heeft verzocht om daarover een standpunt in te nemen. Klachtonderdeel d) is ongegrond.
Klachtonderdeel e)
5.6 De raad stelt vast dat na het indienen van de dagvaarding is gebleken dat er nog een derde partij was die gedagvaard kon worden, omdat deze ook woonachtig is in het pand van de buren en blijkbaar ‘de schuldige’ zou zijn volgens klager. Het kan verweerder niet worden verweten dat hij hiervan geen kennis had; verweerder is als advocaat afhankelijk van de informatie die hij van zijn cliënt krijgt. Klager heeft in geen van de vele conceptdagvaardingen waarin de andere twee personen als gedaagden waren aangemerkt melding gemaakt van het bestaan van deze derde persoon, zodat verweerder dit ook niet kon weten. Klachtonderdeel e) is ongegrond.
Klachtonderdeel f)
5.7 Verweerder heeft klager inderdaad onder druk gezet om op korte termijn te reageren op het voorstel dat van de wederpartij was ontvangen. Dat was echter in het belang van klager, omdat het voorstel maar beperkt geldig was en er dus snel moest worden geschakeld. Verweerder heeft vervolgens uitgelegd dat de onbereikbaarheid van klager voor hem reden was om de dienstverlening stop te zetten. Dat acht de raad evenmin verwijtbaar. Verweerder dient immers te werken op basis van vertrouwen met klager en als dat vertrouwen om hem moverende redenen is verdwenen, dan kan hij zich mede gelet op gedragsregel 14 onttrekken aan een zaak. Klachtonderdeel f) is ongegrond.
Conclusie
5.8 De klacht is in het geheel ongegrond, met uitzondering van klachtonderdeel c) waarin klager niet-ontvankelijk is.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel c) niet-ontvankelijk;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.
Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. H.M.S. Cremers en U.T. Hoekstra,
leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 26 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 26 januari 2026