ECLI:NL:TADRSHE:2026:10 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-046/DB/LI/D

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:10
Datum uitspraak: 26-01-2026
Datum publicatie: 26-01-2026
Zaaknummer(s): 25-046/DB/LI/D
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Wat in het algemeen niet betaamt
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Bezwaren van de deken
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. derden, subonderwerp: Rechters
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. zijn medeadvocaten, subonderwerp: Een ander advocaat persoonlijk attaqueren
  • Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: De advocaat privé
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Overige gronden
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Dekenbezwaar. Verweerder heeft het onderzoek van de deken gefrustreerd door geen opvolging te geven aan diens informatieverzoeken. De raad acht dit al hoogst kwalijk, maar de wijze waarop verweerder zich in het kader van het onderzoek heeft opgesteld tegenover de deken is meer dan onbehoorlijk. Verweerder heeft geen, of in elk geval onvoldoende respect getoond richting het ambt van de deken. De raad weegt ook mee dat verweerder met zijn wrakingsverzoeken in deze procedure heeft gepoogd een voortvarende behandeling van het dekenbezwaar onmogelijk te maken. Van een integer handelend advocaat wordt anders verwacht. Daar komt bij dat verweerder het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad door tegenover de meervoudige kamer van het gerechtshof ongeloofwaardig te verklaren, terwijl hij onder ede stond. Verweerder heeft geen inzicht getoond in zijn laakbaar handelen. Onvoorwaardelijke schorsing van 12 weken.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 26 januari 2026
in de zaak 25-046/DB/LI/D

naar aanleiding van het dekenbezwaar van:

de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg
deken

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 21 januari 2025 heeft de deken een dekenbezwaar ingediend over verweerder.

1.2    Op 3 maart 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 17 maart 2025, in de volgende samenstelling: mr. E. Loesberg, voorzitter, en mrs. M.J. Hoekstra en A.J.C. Perdaems, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier. Verweerder heeft bij aanvang van de zitting een wrakingsverzoek ingediend tegen primair mr. Loesberg en subsidiair tegen mrs. Loesberg, Hoekstra en Perdaems.

1.4    Bij beslissing van 22 april 2025 (ECLI:NL:TADRARL:2025:119) heeft de wrakingskamer van de raad van discipline Arnhem-Leeuwarden het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond verklaard.

1.5    De behandeling van de klacht zou worden voortgezet op 22 september 2025, in de volgende samenstelling: mr. E. Loesberg, voorzitter, en mrs. M.M.C. van de Ven en M. Callemeijn, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier. Verweerder heeft enkele uren voorafgaand aan de zitting een tweede wrakingsverzoek ingediend, tegen mrs. Van de Ven en Callemeijn.

1.6    Bij brief van 7 oktober 2025 heeft de voorzitter van de raad van discipline Arnhem-Leeuwarden op het tweede wrakingsverzoek aan belanghebbenden bericht:

“(…) Gelet op de onderbouwing van uw verzoek is de raad van oordeel dat uw verzoek feitelijk is gericht tegen de gehele Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch. Verder stelt de raad vast dat u in deze klachtzaak eerder een gelijkluidend wrakingsverzoek heeft ingediend. Dat verzoek is door de wrakingskamer in een beslissing van 22 april 2025 kennelijk ongegrond verklaard. Het opnieuw indienen van een wrakingsverzoek met (in de kern) dezelfde onderbouwing wordt als misbruik van recht aangemerkt. De hierboven genoemde situaties zijn dan ook op uw verzoek van toepassing. Dat betekent dat uw verzoek niet in behandeling wordt genomen. Er zal daarom geen wrakingskamer worden samengesteld en op uw verzoek wordt geen beslissing genomen.
Gelet op het oneigenlijk gebruik van de mogelijkheid tot wraking zal ook een volgend verzoek om wraking in deze klachtzaak niet in behandeling worden genomen.”

1.7    De behandeling van de klacht is voortgezet op de zitting van 8 december 2025, in de volgende samenstelling: mr. E. Loesberg, voorzitter, en mrs. M.J. Hoekstra en M.M.C. van de Ven, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier. De deken, bijgestaan door zijn stafjurist, en verweerder waren op deze zitting aanwezig.

2    FEITEN

2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2    Verweerder is advocaat te Maastricht. Daarnaast is hij aandeelhouder van de besloten vennootschap [RB] B.V. 

2.3    De besloten vennootschap [MR] B.V. houdt zich bezig met beheer van onroerend goed en verhuurbemiddeling in Maastricht. Verweerder is van 20 april 2016 tot en met 17 juni 2016 en daarna vanaf 17 maart 2022 tot heden (indirect via [RB]) enig aandeelhouder (geweest) van [MR]. Daarnaast is verweerder (indirect via [RB]) van 1 oktober 2021 tot en met 1 januari 2025 alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder geweest van [MR]. Een zoon van verweerder is in de periode van 18 april 2016 tot en met 1 juni 2019 alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder en van 17 juni 2016 tot en met 25 mei 2021 enig aandeelhouder geweest van [MR].

Onderzoek door de deken

2.4    Op 1 mei 2024 is de deken benaderd door het dagblad De Limburger voor een interview, waarin onder meer vragen zijn gesteld over verweerder.

2.5    Op 25 mei 2024 heeft De Limburger een artikel gepubliceerd met de titel “Woedeaanvallen en illegale kosten bij de huurbaas die ook advocaat is”. Daarna volgt:

“Huurprijzen tot tweeduizend euro per maand. Onterechte bemiddelingskosten, gebreken en waarborgsommen die niet volledig worden terugbetaald. Vooral buitenlandse studenten zijn de dupe van de oververhitte Maastrichtse woningmarkt. In actie komen is lastig. Zeker als de verhuurder een bekende advocaat is, die regelmatig uit zijn slof schiet. 

(…) Nikita loopt naar de voordeur om te kijken of de bel misschien stuk is. Zo ver komt ze echter niet, want de sleutel pas niet. Het slot blijkt vervangen. Nikita zit opgesloten en raakt in paniek. De voordeur is de enige weg naar buiten. (…) De politie breekt vanwege de brandveiligheid de deur open en drukt Nikita het kapotte slot in handen. De jonge studente blijft verbijsterd achter. Die verbijstering wordt nog groter als de slotenmaker een paar uur later voor de deur staat met het oude slot. (…) Nikita heeft wel een vermoeden wat er is gebeurd, vertelt ze een paar dagen later aan de politie. Ze wijst het verhuurbedrijf aan als de waarschijnlijke kwade genius achter haar opsluiting. De slotenmaker vertelde haar dat hij van de advocaat van de huiseigenaar het slot moest vervangen, zo valt te lezen in de aangifte die ze doet van wederrechtelijke vrijheidsberoving.
 

Een forse aantijging. En opmerkelijk als je bedenkt wie de man achter Nikita’s verhuurbedrijf is: [verweerder]. Bekend en door sommigen gevreesd advocaat in Limburg. [Verweerder] haalde recent nog landelijk het nieuws toen hij zelf aangifte deed tegen de president van de rechtbank Limburg. Die zou hem onder druk hebben gezet zijn werk als advocaat op te geven. (…)
 

Naast advocaat is [verweerder] ook eigenaar van verhuurbemiddelingsbedrijf [MR]. Via die onderneming beheert hij kamers, studio’s en woningen in gebouwen die voor een belangrijk deel eigendom zijn van hemzelf, zijn partner en hun zoons.
 

Exorbitante huurprijzen

De woonruimtes worden veelal verhuurd tegen prijzen waar niet alleen Nikita vraagtekens bij zet. Rondvraag onder huurders, allemaal buitenlandse studenten, levert huurbedragen op die oplopen tot zo’n tweeduizend euro per maand. (…)

De Huurcommissie deed de laatste vijf jaren alleen al in de stad Maastricht zeker 314 uitspraken. (…) Zeker vier Huurcommissie-geschillen hebben betrekking op [verweerder]s [MR]. In drie gevallen verliest het verhuurbedrijf de zaak. De vierde zaak is nooit beoordeeld, omdat de huurder al was verhuisd, blijkt uit documenten van de Huurcommissie.
 

En dan waren er nog zeker vier rechtszaken. Want voor geschillen over bijvoorbeeld bemiddelingskosten en niet terugbetaalde waarborgsommen, kun je niet bij de Huurcommissie terecht. Daarvoor moet je naar de rechter of, sinds kort, naar Meldpunt Maastricht.
 

Nikita is een van de weinige huurders die naar de rechter stapt. Ze eist haar te veel betaalde huur en de waarborgsom terug van de pandeigenaar: [verweerder]s partner. Beheerder [verweerder] treedt in die zaak zelf op als advocaat. Zonder succes, overigens. De studente wint de rechtszaak en krijgt ruim vijfduizend euro terug.
 

De drie andere rechtszaken gaan over bemiddelingskosten. Ook die leiden allemaal tot een onverbiddelijk oordeel van de rechter. Huurders krijgen respectievelijk 1300, 1150 en 847 euro terugbetaald. Immers: bemiddelingskosten zijn verboden als de bemiddelaar ook voor de pandeigenaar werkt. In een van deze zaken treedt [verweerder] zelf op als advocaat voor [MR]. 
 

Bemiddelingskosten
 

In een reactie zegt [verweerder] tegen De Limburger dat hij deze verboden kosten sinds de rechtszaken niet meer in rekening brengt. Dat is feitelijk onjuist. De Limburger heeft twee facturen uit 2023 in bezit, waaruit blijkt dat nog steeds 605 euro bemiddelingskosten wordt gevraagd. De huurders moeten dat bedrag eerst aan het bemiddelingsbureau betalen. Pas dan wordt het huurcontract opgesteld. Deze ‘bemiddelingskosten’ heten nu echter plotseling ‘reserveringskosten’ of ‘service fee’. 
 

Veel huurders slikken dit gewoon. (…)
 

Intimidatie

Wie wel in actie komt tegen [MR], kan te maken krijgen met de woede-uitbarstingen van eigenaar en advocaat [verweerder], zo blijkt uit gesprekken met verscheidene bronnen. Een huurder die de prijs na een procedure verlaagd kreeg van 500 euro naar 320 euro, had daarna ‘een heel onplezierig gesprek’ bij [verweerder] op kantoor, aldus de uitspraak van de Huurcommissie.
 

Ook advocaat [naam], die Nikita bijstond, heeft geen goede herinneringen aan zijn contacten met confrère annex verhuurbemiddelaar [verweerder] Volgens [de advocaat] waren er vanwege de woede-uitbarstingen van [verweerder] twee beveiligers bij de rechtszaak aanwezig.

De 23-jarige studente Lenka maakte al kennis met [verweerders] op gewonden karakter voordat ze haar huurcontract van 1800 euro per maand tekende. Ze vertelt bijna een jaar na dato nog altijd verbouwereerd hoe ze een telefonische tirade over zich heen kreeg toen ze bij [MR] aanklopte voor een studentenwoning. [Verweerder] foetert tijdens dat gesprek over internationale studenten die de stad verpesten.

Omdat het haar naar eigen zeggen ‘als buitenlandse student vast niet zal lukken om een woning te vinden zonder opgelicht te worden’ gaat Lenka toch met [verweerder] en zijn bedrijf in zee. Maar als ze er eenmaal woont en een goedkopere kamer vindt, wil ze voortijdig van haar jaarcontract af. Dan ontstaat een conflict.

[MR] rekent 605 euro voor het zoeken van een nieuwe huurder. Als ze betaalt, mag ze eerder betrekken. Lenka gaat daar, uit principe, niet op in. “Ik ga niet weer een vage fee betalen zonder dat daar een prestatie tegenover staat.” Ze biedt aan de kamer begin januari 2024 te verlaten, hoewel ze haar huur nog tot eind februari heeft betaald. Ze vraagt meermaals om bevestiging dat haar contract vroegtijdig kan worden beëindigd, maar krijgt geen antwoord. Als ze na haar kerstvakantie terugkeert in Maastricht, treft ze tot haar verbazing een leeggeruimde studio aan. Volgens [MR] had ze het pand moeten verlaten. Al haar spullen zijn overgebracht naar een opslag. Ze staat op straat.

Lenka gaat verhaal halen op het kantoor van [MR]. Daar treft ze [verweerder] die in ruil voor teruggave van haar spullen eist dat ze afziet van terugbetaling van de waarborgsom. Lenka weigert. De woedende, scheldende [verweerder] duwt de studente het gebouw uit, vertelt ze tegen De Limburger. Pas als Lenka zelf een advocaat in de arm neemt en met een rechtszaak dreigt, krijgt ze haar spullen en waarborgsom, plus tweehonderd euro, terug.

(…) De klacht over de hoge huurprijzen is echter unaniem, net als de angst – gebaseerd op verhalen van voorgangers – dat de waarborgsom niet wordt teruggestort. Sommige huurders zijn lovend over de snelheid waarmee gebreken worden verholpen, anderen klagen juist steen en been over diezelfde service.

Veronica bijvoorbeeld. (…) Veronica schakelt Huurteam Zuid-Limburg in. “Die man schrok van de staat van de woning en gaf aan dat ook de huur waarschijnlijk te hoog is.” Ze start een procedure maar ziet daar uiteindelijk van af, blijkt uit documenten. Ze wil gewoon weg uit de kamer en verhuist.

Ook de woning van de 20-jarige student Omar kampt met tal van gebreken. (…) “Het is je eigen schuld!!”, mailt een medewerker van de verhuurbemiddelaar. (…) In een schreeuw om hulp aan het Huurteam Zuid-Limburg schrijft Omar dat een medewerker van [MR] hem herhaaldelijk bedreigt, gekleineerd en beschuldigd heeft. Verdere stappen heeft hij nog niet gezet.

(…)

In een zelf opgesteld ‘uitzettingsbevel’ vraagt advocaat [verweerder] namens zijn vrouw – de pandeigenaar – aan Nikita om de studio te verlaten. De studente moet volgens diezelfde brief contact opnemen met [MR], [verweerders] eigen bedrijf dus.

(…)

Woedende man

Pas nadat De Limburger Nikita vraagt om op Google een foto op te zoeken van [verweerder], de advocaat die haar uitzettingsbevel stuurde en de opdracht tot het vervangen van haar voordeurslot zou hebben gegeven, zegt ze met verbaasde stem: “Dat is de woedende man op het kantoor van [MR]. Zeker weten” 
 

(…)”
 

2.6    De deken is naar aanleiding van het artikel in De Limburger een onderzoek gestart naar verweerder. In dat verband heeft hij De Limburger en verweerder vragen gesteld.

2.7    Op 27 mei 2024 heeft verweerder aan de deken geschreven:

“Met verbazing heb ik Uw commentaar gelezen in de laatste kolom van de Limburger van 25 mei jl. pag. LS 5 alwaar U ,nota bene glashelder!, desgevraagd antwoord: “Dat mag niet”

Het riooljournalistieke duo Bots en Cobben schijnen U ,althans volgens de tekst van het artikel te hebben medegedeeld dat Nikita van verhuurbemiddelaar [verweerder] een mail kreeg die is verstuurd via het mailadres van advokaat [verweerder].

Een ieder en zeker de Deken van onze Orde dient in zijn contacten met de pers de grootste zorgvuldigheid te betrachten ,zeker als het over een advokaat gaat ,lid van zijn Orde.

Ik heb in dit verband een aantal vragen :

1.    Hebt U geverifieerd of die stellingen van de riooljournalisten juist was ?

2.    Zo ja ,op welke wijze? Zo neen ,waarom niet?

Voordat U mij beschuldigt geldt in het algemeen dat U hoor – en wederhoor dient toe te passen , zeker als het gaat om uitlatingen in de pers met een groot bereik en beschadigende werking van mij als advokaat. Ook dient U zich bewust te zijn van het feit dat Uw antwoorden als Deken in de pers ,als dat antwoord wordt verwoord als “glashelder : dat mag niet” ,de betrokken publicatie nota bene jegens mij als lid van Uw Orde, legitimeert op een zodanige wijze dat ik als betrokken advokaat daardoor ben beschadigd en het riooljournalistieke artikel een voor mij als advokaat negatieve lading meegeeft.

Tegen die achtergrond ben ik toch echt benieuwd naar Uw antwoord op bovenvermelde twee vragen.

Ik neem aan dat U bekend bent met het feit dat journalisten in het algemeen en riooljournalisten in het bijzonder het met de waarheid niet zo nauw nemen.

Ik kijk uit naar een spoedig antwoord Uwerzijds,”

2.8    Op 28 mei 2024 om 10:17 uur heeft de deken De Limburger verzocht om informatie en documenten te verstrekken.

2.9    Op 28 mei 2024 om 10:18 uur heeft de deken aan verweerder geschreven:

“U zult ongetwijfeld ook het artikel in De Limburger van afgelopen zaterdag hebben gelezen dat gewijd is aan uw optreden als advocaat en als bestuurder van [MR]. Dit artikel vormt de aanleiding voor mij om nader onderzoek te verrichten. In dit kader zou ik graag alle documenten van u en/of [MR] willen ontvangen die betrekking hebben op de volgende in het artikel geadresseerde zaken:
 

1.    “zeker vier Huurcommissie-geschillen”;
 

2.    “vier rechtszaken (een van “Nikita” en drie andere rechtszaken die gaan over bemiddelingskosten)”;

3.    Twee facturen uit 2023 die betrekking hebben op de bemiddelingskosten.
 

Voor uw informatie bericht ik u, vermoedelijk ten overvloede, nog als volgt.
Op grond van art. 5:16 Awb ben ik bevoegd inlichtingen te vorderen en op grond van art. 5:17 Awb ben ik bevoegd inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden en daarvan kopieën te (laten) maken. U en [MR] zijn op grond van art. 5:20, eerste lid, Awb verplicht aan een toezichthouder zoals ondergetekende binnen de door mij gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die ik redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van mijn bevoegdheden.

 

Graag ontvang ik binnen drie weken na heden de gevraagde bescheiden ter inzage.”

2.10    Op 28 mei 2024 om 15:08 uur heeft De Limburger aan de deken geschreven:

“Hierbij kom ik zoals beloofd terug op ons telefoongesprek vanmiddag.
Allereerst: we zullen een dezer dagen in een artikel aandacht besteden aan het feit dat u dit onderzoek bent gestart. Het is een nieuwsfeit dat voorkomt uit ons eigen onderzoek en dat voor een groot aantal lezers nieuwswaarde heeft.

 

Verder in reactie op uw verzoek om informatie:
 

Als journalisten moeten we onze bronnen beschermen, en moeten we onze onpartijdigheid/onafhankelijkheid borgen. Dat betekent dat we geen documenten zullen verstrekken en ook niet als ‘bemiddelaar’ tussen u en onze bronnen zullen optreden. Dat gezegd hebbende, zijn er wel enkele zaken waar we u op kunnen wijzen omdat er sprake is van openbare informatie:
 

Uitspraken van de huurcommissie zijn (deels) openbaar. Op die informatie hebben we ons dan ook gebaseerd in het artikel. Dat is gedaan door zaken te leggen naast de eigendommen van [verweerder] en zijn familie, en de adressen die publiekelijk worden/werden aangeboden op de website van [MR]. Hoewel de uitspraken anoniem zijn gemaakt, bevatten ze namelijk wel de adressen van de panden. Aangezien het om openbaar beschikbare informatie gaat, suggereer ik u te kijken naar de uitspraken met de zaaknummers 255862, 57800, 55965 en 38598.
 

De rechtszaken die we in ons artikel benoemen, zijn gevonden op rechtspraak.nl of zijn daar na vragen van ons door de rechtbank geplaatst.
 

De naam van ‘Nikita’ en de documenten waar we in ons artikel naar verwijzen, kunnen we i.v.m. bronbescherming niet verstrekken. Wel kunt u in ons artikel van zaterdag lezen die de advocaat van ‘Nikita’ was. Mogelijk kunt u via hem meer info krijgen. Wij hebben nog regelmatig contact met de bronnen en zullen hen ook wijzen op het artikel dat we een dezer dagen publiceren, waarin duidelijk wordt dat u documenten zoekt.”
 

2.11    Op 29 mei 2024 heeft De Limburger een artikel gepubliceerd met de titel “Onderzoek orde naar advocaat”. In dat artikel staat het volgende:

“De deken van de Orde van Advocaten in Limburg start een onderzoek naar advocaat [verweerder]. Aanleiding is een publicatie in ‘De Limburger’ over studenten die de dupe zijn van [verweerders] bedrijf [MR].

Het onderzoek van de deken Eugène Rosier moet uitwijzen of [verweerder] in zijn nevenfunctie de gedragsregels van de advocatuur heeft overtreden.
 

Via het bedrijf [MR] beheert [verweerder] woonruimtes, veelal gevestigd in panden van zijn familieleden. De huurders zijn vooral buitenlandse studenten. Het bedrijf verloor meerdere zaken bij de Huurcommissie over onder meer te hoge huren. Ook werd het meermaals door de rechter op de vingers getikt voor het berekenen van verboden bemiddelingskosten. Toch ging [MR] daarmee door.
 

Volgens de gedragsregels mag een advocaat ook in een nevenfunctie het vertrouwen in de advocatuur niet schaden. Verder moet een advocaat onafhankelijk zijn. [Verweerder] trad de voorbije jaren meermaals op voor zijn eigen huurbemiddelingsbedrijf of familie. Een situatie die niet verboden is, maar waar deken Rosier wel ‘hoogst ongelukkig’ van wordt, stelde die eerder tegenover De Limburger. “Als er een financieel belang bij komt kijken voor jezelf, je bedrijf of je familieleden dan komt je onafhankelijkheid onder druk te staan.”

Daar komt bij dat er geen misverstand mag bestaan over de hoedanigheid waarin een advocaat optreedt. Dat is lastig met de verschillende petten die [verweerder] draagt. Zo kreeg een studente een uitzettingsbevel van advocaat [verweerder], waarin ze het verzoek kreeg contact op te nemen met het bemiddelingsbedrijf: [verweerders] eigen bedrijf. Het pand waarin de studente woonde, was van [verweerders] vrouw.

Deken Rosier verzamelt momenteel documenten als startpunt voor zijn onderzoek naar [verweerder] Hij wil niet verder ingaan op het onderzoek. [Verweerder] weigert De Limburger te woord te staan.”

2.12    Op 29 mei 2024 heeft de deken aan verweerder geschreven:

“Hierbij reageer ik op uw mail van dinsdag 28 mei jl.
 

Zoals u heeft kunnen lezen in het artikel van De Limburger heb ik uitsluitend algemene informatie verstrekt over de advocatuur en het tuchtrecht. De door mij verstrekte algemene informatie is in het artikel bevestigd door een autoriteit op het gebied van het advocatentuchtrecht, mr. Sanders. Ik heb mij in het interview bewust onthouden van het geven van oordelen.
 

Mij is in het interview één concrete situatie voorgehouden, ik citeer: “En dat Nikita van verhuurbemiddelaar [verweerder] een mail kreeg die is verstuurd via het mailadres van advocaat [verweerder]? Rosier reageert glashelder: “Dat mag niet.”” Onder de gegeven omstandigheden is dit een juist antwoord. Een mailadres van een advocatenkantoor behoort alleen te worden gebruikt voor zaken die een advocaat behandelt. Er mag immers geen enkel misverstand bestaan over in welke hoedanigheid er wordt opgetreden. Kloppen de voorgehouden omstandigheden in de vraagstelling niet dan heeft mijn antwoord natuurlijk geen enkele waarde.
 

Wat hier ook van zij, de beschuldigingen aan uw adres als advocaat zijn zeer serieus te nemen nu dit niet alleen uw reputatie maar ook de reputatie van de gehele beroepsgroep aantast. Dat is ook de reden dat ik een onderzoek ben gestart. In dat kader verwijs ik naar mijn mail van 28 mei jl. waarin ik om documentatie heb verzocht. Ik wil zelf kunnen bepalen of hetgeen De Limburger heeft geschreven onjuist of juist is. In dit onderzoek zal ook het hiervoor aangehaalde issue aan de orde komen. 

Graag zie ik de gevraagde documentatie tijdig tegemoet.”

2.13    Daarop heeft verweerder diezelfde dag gereageerd:

“Dank voor Uw reactie.

Echter U beantwoord mijn vragen niet.

Het probleem is nu juist dat U ,ZONDER HOOR EN WEDERHOOR toe te passen de voor een of meerdere journalisten aan U voorgehouden feiten ,VOORAF had dienen
 

te verifiëren , door mij te horen over de gepresenteerde feiten.
 

Door Uw mening te geven mij niet te horen ,hebt U een antwoord gegeven dat niet alleen onder de gegeven omstandigheden voor mij beschadigend werkt ,
maar ook onjuist is.

 

Een Deken van onze Orde ,ook mijn Deken, dient zich voor het geven van commentaar
aan een krant te vergewissen bij de betrokken advokaat of de gepresenteerde feiten juist zijn, dan wel onvolledig.

 

U hebt dat nagelaten en dat acht ik onjuist
 

Ik beraad mij nog op verdere stappen in dit verband.
 

Overigens hoeft U zich om mijn reputatie echt geen zorgen te maken .
 

Iedereen die mij kent weet wie ik ben en wat ik in 45 jaar advocatuur voor velen heb betekend.
 

Uw voorganger noemde mij recentelijk in de krant nog : “ een gerespecteerd advokaat,met een zeer lange staat van dienst “
 

Dat had toch voor U ook meer dan een reden moeten zijn de uiterste zorgvuldigheid te betrachten in Uw uitlatingen in de krant.
 

Ik heb veel ,om niet te zeggen,zeer veel bijgedragen aan de reputatie van de advokatuur
en daar doet Uw – kort door de bocht – standpunt,niet aan af.

 

Op Uw verzoek kom ik nog terug. ,”

2.14    Op 2 juni 2024 heeft verweerder aan de deken geschreven:

“Kunt U mededelen welke stukken onder de punten 1,2 en 3 door U worden bedoeld ?

Overigens kom ik nog bij afzonderlijke mail terug op de wijze waarop U meent dit onderzoek tegen mij te hebben moeten opstarten.

Kunt U mij tevens meedelen hoe het mogelijk is dat pakweg drie uur nadat U mij had medegedeeld dat U dit onderzoek ,noch daargelaten hetgeen ik daarvan vindt,

de riooljournalisten van de Limburger mij belden met vragen over dit onderzoek .

Hebt U dat aan de Limburger medegedeeld ?

Gelet op verdere te nemen rechtsmaatregelen,welke spoedeisend zijn,verzoek ik U mij OMGAAND te willen berichten.”

2.15    Op 3 juni 2024 heeft verweerder aan de deken geschreven:

“Kunt U mij bevestigen dat U alle informatie welke U van mij hebt ontvangen vertrouwelijk zult behandelen?
 

Gaarne vernemend ,”

2.16    Daarop heeft de deken diezelfde dag gereageerd:

“Bij deze reageer ik op uw mail van 2 juni jl. en van heden.

1.    Verzoek om informatie

Ik ontvang graag alle processtukken die ten grondslag hebben gelegen aan de procedures waarin in punt 1 en 2 wordt gerefereerd. Tevens ontvang ik graag de twee facturen uit 2023 die zouden zien op bemiddelingskosten.

2.    Overige vragen

De aan u gestelde vragen heb ik ook aan De Limburger gesteld. De Limburger heeft daaraan conclusies verbonden. Voor de goede orde: Ik ben niet bezig met een onderzoek “tegen” u maar ik ben bezig met een onderzoek naar feiten en omstandigheden die gesteld zijn in het betreffende artikel in De Limburger dat u, maar ook de gehele beroepsgroep raakt.

3.    Rechtsmaatregelen
 

Aan het slot van uw mail dreigt u met rechtsmaatregelen. Wat mij betreft past dit niet in onze confraternele verhoudingen die wij toch dienen na te streven. Ik verwijs naar gedragsregel 24.

4.    Geheimhouding
 

Het spreekt voor zich dat de door u verstrekte informatie uitsluitend in het kader van het onderzoek zal worden gebruikt. Het onderzoek en de resultaten daarvan worden uitsluitend met u en eventueel de tuchtrechter gedeeld.”

2.17    Verweerder heeft daarop gereageerd:

“Ad 1: Ik wil Uw vraag graag beantwoorden als ik weet welke producties het betreft.
 

Dat geldt ook voor de twee facturen.
 

Voor de helderheid : U moet als Deken toch begrijpen dat ik niet helderziend ben !
 

Ad 2 : Ik hoop dat als U ziet dat de gepresenteerde zgn feiten van de Limburger in ieder geval jegens mij niet kloppen daartegen aktie gaat ondernemen om de beroepsgroep
 

tegen riooljournalistiek te beschermen!
 

Daar ben ik erg benieuwd naar ! 
 

3. De in mijn mail genoemde rechtsmaatregelen hebben natuurlijk betrekking op de Limburger als ik al mocht besluiten die rechtsmaatregelen te treffen. 
 

4. Ik heb in mijn – lange – inmiddels gelukkig reeds 46 jarige carrière -genoeg meegemaakt ,ook met de Orde ,dat ik zeer voorzichtig ben geworden . Uw handelen jegens mij tot nu toe schept weinig vertrouwen ,maar helaas het is niet anders.
 

Ik dank U voor de geheimhoudingstoezegging.
 

Tot slot nog dit : als U de Limburger hebt aangeschreven was toch duidelijk dat Uw
 

Onderzoek dan in de Limburger zou belanden !
 

Ik kom op dat onderzoek nog terug als U mij de feiten duidelijk hebt gemaakt.”

2.18    De deken heeft daarop diezelfde dag gereageerd:

“Om u op weg te helpen met het zoeken naar de zaken waarvan ik alle onderliggende documentatie wens te ontvangen, bericht ik u als volgt:

1.    Huurcommissie-geschillen
Graag ontvang ik alle stukken met betrekking tot de zaken met zaaknummers 225862, 57800, 55965 en 38598.

 

2.    Rechtszaken
Graag ontvang ik alle stukken met betrekking tot de zaken met de volgende ECLI nummers: ECLI:NL:RBLIM:2021:4246; ECLI:NL:RBLIM:2021:321; ECLI:NL:RBLIM:2020:235

 

3.    Facturatie uit 2023
De Limburger maakt gewag van twee facturen uit 2023 die betrekking zouden hebben op bemiddelingskosten maar een andere omschrijving hebben. Indien u niet weet welke facturen hier worden bedoeld, dan verneem ik graag welke bedragen en op welke wijze en onder welke titel deze in rekening worden gebracht bij een nieuwe huurder.
Ik ben verheugd te lezen dat u de confraternele mores tegenover mij in acht zult nemen.”

 

2.19    Op 18 juni 2024 heeft verweerder aan de deken geschreven:

“ Ik kom thans toe aan mijn reactie nav Uw mail van 3 juni jl.

Ik ben het niet met U eens dat zich hebt onthouden van oordelen.In de derde alinea van Uw mail geeft U zelf aan dat dat niet het geval is geweest.

Bovendien hebt U geen hoor- en wederhoor toegepast en mij niet in bescherming genomen maar, kennelijk gedreven door een zekere vorm van ijdelheid en kennelijke persgeilheid , zelfs gemeend studenten te moeten oproepen vooral te klagen.

Helaas voor U :er is niets te klagen !

Ernstiger is dat U ZONDER ADEQUAAT ONDERZOEK meent dat mijn reputatie en die van de gehele beroepsgroep zou zijn aangetast.
 

Ik deel dat, nergens op gebaseerde standpunten in het geheel niet. Sterker nog ik ben van oordeel dat Uw optreden in deze niet alleen mij ,maar ook de beroepsgroep grote reputatie schade heeft toegebracht en zelfs als onrechtmatig handelen jegens mij moet worden gekenschetst.

Immers U hebt op geen enkele wijze ,ook maar bij benadering, de stellingen van de riooljournalisten Cobben en Bots onderzocht, maar U hebt zich als een blind paard laten meeslepen in een totaal ongefundeerde pershype.

Het had op Uw weg gelegen VOORAF te bepalen of, hetgeen de riooljournalisten meenden te moeten schrijven, van deugdelijk commentaar zou moeten worden voorzien. Hetgeen in dat artikel is vermeld, voor zover zulks kan worden gecontroleerd, slaat nergens op.

Eerst wil ik het navolgende aan de orde stellen.
 

U meende mij te moeten “helpen” toen U totaal ongefundeerd een onderzoek meende te moeten starten dat aan de krant meende te moeten melden (!), door de vindplaatsen van een aantal zaken te melden.
 

Gelet daarop lijkt het nuttig dat ik U als Deken ook “help”.

Ik verwijs naar de uitspraak van het Hof van Discipline :

ECLI :NLLTAHVD:2021:46 en naar ECLI:NL:TADRARL:2020:184 RvD.

Het Hof voornoemd heeft duidelijk de kaders uiteengezet waaraan U dient te voldoen nl U dient als Deken eerst een signaal te verifiëren en vast te stellen waar dit signaal vandaag komt! ( dus niet van ene “Nikita”)
 

Ik geloof werkelijk niet dat zelfs een advokaat zich zou moeten verweren tegen anonieme
Nikita’s ! Een al zeker niet tegenover zijn Deken !

 

Het Hof heeft bepaald dat U eerst zorgvuldig een dossier dient te vormen, voordat U mij met een onderzoek confronteert.
 

Mijn vraag is: hebt U dat dossier? Zo ja dan wil ik dat inzien, waarbij ik reeds nu een beroep doe op de Wet WOO.
 

Voordat U de krant, op de wijze waarop U dat hebt gemeend te moeten doen, van commentaar voorzag, op mogelijke verwijten aan mijn adres, had U conform de eisen van het Hof ,eerst dienen na te gaan waar en van wie het signaal precies afkomstig was en wat dat precies inhield en zulks moeten vastleggen in Uw eigen dossier.
 

Is dat gebeurd en waar blijkt dat uit ?
 

U bent kennelijk nav een telefoongesprek met een journalist rauwelijks commentaar gaan geven ,nog voordat U mij daarover hebt geïnformeerd ,laat staan dat U hoor – en wederhoor hebt toegepast, want U hebt mij in het geheel niet gesproken.
 

Ik heb reeds eerder verzocht mij te laten weten wie een verwijt in tuchtrechtelijke zin tegen mij heeft geuit.
 

Ik geloof toch werkelijk niet dat ik mij zou moeten verweren tegen een gefingeerde “Nikita” !
 

U had dat als confrère en zeker als Deken, moeten begrijpen en daarnaar moeten handelen, hetgeen U niet hebt gedaan.
 

Inmiddels zijn er twee riooljournalistieke artikelen verschenen en ik weet nog steeds niet door wie ,welk verwijt vanuit welke hoek, nu precies aan mij wordt gemaakt.
 

U hebt ieder deugdelijk onderzoek nagelaten, maar meent wel in de krant te moeten melden dat U “ heel erg ongelukkig wordt van …..”
 

een dergelijk commentaar kan toch niet worden begrepen als ook een maar enigszins welwillende opstelling jegens mij, maar dat is, in mijn visie, medewerking te verlenen aan beschadigende riooljournalistiek.
 

U hebt, door te handelen gelijk U hebt gedaan, niet integer en welwillend jegens mij gehandeld.
 

U had deugdelijk en zorgvuldig moeten verifiëren door wie precies, welke, verwijten aan mij worden gemaakt,
zodat deugdelijk verweer mogelijk is, hetgeen nu niet mogelijk is.

 

De door U gevolgde werkwijze kan de toets aan de maatstaf van art 45a AW niet doorstaan.
 

U bent zich bovendien in het geheel niet bewust geweest van de impact van Uw handelswijze jegens mij en U had zich dienen te onthouden van de lichtvaardige en onnodige overhaaste wijze waarop U bent omgegaan met een anoniem vermeend signaal cq verwijt.
 

Uw optreden jegens mij is disproportioneel omdat door mij niet te achterhalen is wat nu de precieze aanleiding is om over te gaan tot een onderzoek.

In Uw mails aan mij is zulks onvoldoende geconcretiseerd en niet gemotiveerd, alsmede niet in de tijd vastgelegd.

U hebt met een schot hagel geprobeerd informatie te vergaren in strijd met de eisen die door het Hof van Discipline aan Uw onderzoek worden gesteld.

Het kan toch niet zo zijn dat mij op grond van een vaag riooljournalistiek artikel, met gefingeerde namen, een verwijt wordt gemaakt dat bovendien niet onderbouwd is, waarbij ik niet eens word gehoord en mij kan verweren.

Ik vraag me af waarom de kernwaarde integriteit in de gedragsregels is opgenomen als U als Deken op deze wijze opereert.

Tot slot verzoek ik U dan ook eerst te voldoen aan de eisen door het Hof gesteld en mij zulks te berichten. Ik doe niet mee aan de door U in strijd met de regels geïnitieerde “fishing expedition “ op basis van gefingeerde namen en anonieme beschuldigingen.

Ik ga ervan uit dat U mij de nodige duidelijkheid zult verschaffen en dat de aanvankelijk door U gestelde termijn wordt verlengd in ieder geval tot vier weken, nadat de noodzakelijke duidelijkheid door U zal zijn verstrekt.

Deugdelijk onderzoek zou wat mij betreft moeten beginnen bij het controleren of ik in de periode waarin de door U aangegeven uitspraken van de huurcommissie cq de Rechtbank Limburg betrekking hebben, ik bij die vennootschap een functie zou hebben vervuld. Om U behulpzaam te zijn, zend ik U als bijlage het uittreksel uit het Handelsregister van [MR] B.V. met daarbij de historie van deze vennootschap.
 

Mijn vennootschap [RB] B.V. is enig aandeelhouder geworden van [MR] B.V. op 17 maart 2022. Voordien is [RB] B.V. en ik zelf ook niet enig aandeelhouder ben geweest van [MR] B.V.
[RB] B.V. is als bestuurder in functie getreden op 1 oktober 2021.

 

Ik ben nagegaan in welke periode de door U genoemde zaken speelden. Dat levert op;
 

1.    Zaaknummer 8827167CV EXPL 20-5127 is uitgesproken op 19 Mei 2021
 

2. Zaaknummer 8708838CV EXPL 20-3932 is uitgesproken op 13 Januari 2021
 

3. Zaaknummer 7809165CV EXPL 19-3989 is uitgesproken op 15 Januari 2020


Al deze zaken stammen uit een periode waarbinnen ik geen enkele functie binnen [MR] B.V. vervulde.
 

Uitsluitend in zaaknummer 2 ben ik opgetreden als gemachtigde van [MR] B.V. en dat is op geen enkele wijze verwijtbaar, laat staan, tuchtrechtelijk verwijtbaar, aangezien het mij vrijstaat als gemachtigde voor bedrijven op te treden, hetgeen ik in dit geval heb gedaan.
 

Waar het betreft de huurcommissie uitspraken, deel ik U het volgende mede:
 

1.    Zaaknummer 255862 handelt over de periode 1 januari 2019 tot en met 30 juni 2019, in welke periode ik noch [RB] B.V. in functie waren bij [MR] B.V. Overigens is mij totaal onduidelijk over wie die uitspraak gaat daar het niet in de afspraak zelf is vast te stellen en deze mij ook niet bekend is op basis van de door mij opgevraagde uitspraak van de voorzitter huurcommissie.
 

2.    Zaaknummer 57800 is een uitspraak d.d. 27 september 2019. De zaak is mij volledig onbekend en is naar de uitspraak blijkt bovendien niet inhoudelijk beoordeeld.
Misschien kunt U mij aangeven wat ik met deze kwestie te maken heb gehad en wat ik dan wel verkeerd zou hebben gedaan?

 

3.    Zaaknummer 55965, dit betreft een uitspraak op basis van een zitting 24 oktober 2019. De uitspraak zegt mij niets en de kwestie is mij onbekend op basis van de uitspraak in deze zaak.
 

4.    Zaaknummer 38598: uit de uitspraak blijkt dat deze zaak is behandeld op 29 april 2019 en ook op die datum is uitgesproken.
 

Die uitspraak zegt mij niets en de kwestie is mij onbekend op basis van de uitspraak in deze zaak.

Gelet op Uw nadere mail van 3 juni 2024, de punten 1 en 2 heb ik met al deze zaken niets te maken gehad, waartoe ik verwijs naar het uittreksel van de Kamer van koophandel van [MR] B.V.
 

Uitsluitend ben ik eenmaal opgetreden als gemachtigde in zaak 2 bij de Rechtbank Limburg, maar dit is een zaak 2019 waarvan ik geen documenten kan achterhalen zonder de namen van de procespartijen de kennen.
 

Als u deze aanlevert zal ik alsnog kunnen overgaan of en in hoeverre ik over die documenten beschik.
 

 Ik zal deze alsdan aanleveren.
 

Tot slot hecht ik eraan op t e merken dat U uiterst eenvoudig, namelijk door consultatie van het Handelsregister van [MR] B.V. had kunnen en moeten constateren dat ik met hetgeen in het riooljournalistieke artikel wordt gesteld, niets te maken heb gehad.
 

Gelet daarop had U mij als lid van de Orde Limburg tegen deze riooljournalisten in bescherming moeten nemen en al zeker geen totaal ongefundeerde en de facto onrechtmatig onderzoek, waarvan U bovendien de Limburger nog op de hoogte stelde, moeten opstarten, waarbij ik, voor de eisen waaraan Uw onderzoek zou moeten hebben voldoen, naar de inhoud van dit mailbericht verwijst.
 

Gelet op het bovenstaande ben ik van oordeel dat U gehouden bent op zo kortst mogelijke termijn, doch in ieder geval binnen 2 weken na heden, namens U als Deken een perscommuniqué aan de Limburger te verstrekken, met een afschrift aan mij, waarin U op heldere en duidelijke wijze uiteenzet dat mij niets te verwijten valt in welk opzicht dan ook dan U Uw commentaar in dat artikel betreurt als zijnde onjuist.
 

Het spreekt voor zich dat ik U als Deken van de Orde van Advocaten Limburg aansprakelijk houdt voor de reeds geleden en nog te lijden schade, welke door Uw handelen is ontstaan.
 

Punt 3 als genoemd in uw mail van 3 juni 2024 is onmogelijk te beantwoorden aangezien het geheel onduidelijk is, welke facturen het betreft.
 

Geen zinnig denkend mens is in staat punt 3 te beantwoorden omdat in het geheel niet duidelijk is waarover punt 3 gaat, laat staan wat ik daar als advocaat mee te maken zou hebben.
 

Ik verwijs in dit verband naar de in de aanhef van deze mail genoemde uitspraak van het Hof van Discipline in de zaak van Mr [D].”
 

2.20    Op 20 juni 2024 heeft verweerder, vanaf het e-mailadres van [MR], aan de deken geschreven:

“ U hebt via de mailbox van mijn advokatenkantoor documenten opgevraagd op basis van onduidelijke informatie.
 

Ik ben als directeur van [MR] B.V. bereid U documenten te verschaffen, als ik daarover beschik ,maar op basis van Uw vraagstelling is dat helaas niet mogelijk.
 

U dient daarbij tevens te begrijpen dat ik in de periode waarover U stukken vraagt funktie bij deze vennootschap heb vervuld en de door U genoemd info verwijst naar kwesties van jaren geleden.
 

Ik vertrouw U voldoende te hebben geinformeerd.”

2.21    Op 24 juni 2024 heeft de deken aan verweerder geschreven:

“Naar aanleiding van uw mail van 18 juni jl. en de mail namens [MR] B.V. (hierna te noemen: MR) van 20 juni jl., vraag ik uw aandacht voor het volgende.
 

De vragen die ik gesteld heb in de voorgaande mails zijn gesteld aan u en MR. Ik verwijs ter zake naar mijn eerste mail aan u van 28 mei jl.
 

Ik ga er van uit dat u mij mede namens MR antwoordt geeft op de gestelde vragen en verzoeken om informatie. Dat u of [RB] geen of slechts een beperkt financieel belang in MR heeft gehad, ontslaat MR als derde niet van haar verplichtingen de gestelde vragen te beantwoorden en informatie te verstrekken. Voor de volledigheid verwijs ik naar art. 5:20, lid 1, van de Awb.
 

Hierna zal ik de gestelde vragen met u doorlopen. De door u verstrekte antwoorden komen mij bij een eerste beoordeling niet volledig voor. Vandaar dat ik hierna de vragen nogmaals maar dan gedetailleerder zal stellen.
 

1. De huurcommissie
 

a. Zaaknummer: 255862, [adres]: ik neem dat in de deze zaak MR (ook) betrokken is geweest. Ik verzoek u alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter beschikking te stellen. Mocht MR niet betrokken zijn bij deze zaak, verzoek ik mij dit mede namens MR expliciet schriftelijk te verklaren.
 

b. Zaaknummer 57800, [adres]: ik neem dat in de deze zaak MR (ook) betrokken is geweest. Ik verzoek u alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter beschikking te stellen. Mocht MR niet betrokken zijn bij deze zaak, verzoek ik mij dit mede namens MR expliciet schriftelijk te verklaren.
 

c. Zaaknummer 55965, [adres]: ik neem dat in de deze zaak MR (ook) betrokken is geweest. Ik verzoek u alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter beschikking te stellen. Mocht MR niet betrokken zijn bij deze zaak, verzoek ik mij dit mede namens MR expliciet schriftelijk te verklaren.
 

d. Zaaknummer 38598, [adres]: ik neem dat in de deze zaak MR (ook) betrokken is geweest. Ik verzoek u alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter beschikking te stellen. Mocht MR niet betrokken zijn bij deze zaak, verzoek ik mij dit mede namens MR expliciet schriftelijk te verklaren.
 

Alle locaties zijn in Maastricht gelegen.
 

2. De rechtbankzaken
 

a. ECLI:NL:RBLIM:2021:4246, vonnis d.d. 19-05-2021: MR is als gedaagde bij deze zaak betrokken geweest. Ik verzoek u alle op deze zaak betrekking hebbende stukken ter beschikking te stellen.
 

b. ECLI:NL:RBLIM:2021:321, vonnis d.d. 13-01-2021: MR is als gedaagde bij deze zaak betrokken geweest. Ik verzoek u alle op deze zaak betrekking hebbende stukken ter beschikking te stellen.
 

c. ECLI:NL:RBLIM:2020:235, vonnis d.d. 15-01-2020: MR is als gedaagde bij deze zaak betrokken geweest. Ik verzoek u alle op deze zaak betrekking hebbende stukken ter beschikking te stellen.
 

3. Bemiddelingsvergoeding bij aangaan van huurovereenkomst
 

U geeft aan dat u niet weet waarop deze aanvraag betrekking heeft. Ik heb bij mail van 3 juni jl. de vraag nauwkeuriger geformuleerd. Nogmaals: heeft MR in 2023 bij het aangaan van een huurovereenkomst kosten (andere dan huurtermijnen en borg) in rekening gebracht? Zo ja, dan ontvang ik graag afschriften van de facturen. Op welke grond zijn deze kosten in rekening gebracht?
 

De overige door u geadresseerde punten laat ik vooreerst onbesproken. Het behoeft geen toelichting dat ik een andere mening daarover heb dan die u heeft. Ons beider belang moet erop gericht zijn dat mijn onderzoek zo spoedig mogelijk wordt afgerond zodat ik een oordeel kan vellen over de aantijgingen aan uw adres in het betreffende artikel in De Limburger. Ik vertrouw er dan ook op dat u voortvarend meewerkt aan dit onderzoek.
Ik verzoek u binnen een termijn van drie weken na heden de gevraagde informatie te verstrekken.”

 

2.22    Op 10 juli 2024 heeft de deken aan verweerder geschreven:

“Bij e-mail van 18 juni jl. heeft u een zogenaamd Woo-verzoek gedaan. Voor zover relevant voor dit verzoek schrijft u:
 

“Ik geloof werkelijk niet dat zelfs een advokaat zich zou moeten verweren tegen anonieme Nikita’s ! Een al zeker niet tegenover zijn Deken ! 
 

Het Hof heeft bepaald dat U eerst zorgvuldig een dossier dient te vormen, voordat U mij met een onderzoek confronteert. 
 

Mijn vraag is: hebt U dat dossier? Zo ja dan wil ik dat inzien, waarbij ik reeds nu een beroep doe op de Wet WOO.”
 

Op 18 juni jl. had ik geen dossier ter beschikking. De aanleiding om u om nadere informatie en bescheiden te verzoeken is uitsluitend gelegen in de artikelen in het u bekende dagblad De Limburger d.d. 25 mei jl. en 29 mei jl. Aangezien deze krantenartikelen al reeds openbaar bekend zijn en bij u bekend zijn, worden deze artikelen niet opnieuw openbaar gemaakt of aan u toegezonden.
Daarmee wijs ik uw verzoek af.”

 

2.23    Op 12 juli 2024 heeft verweerder aan de deken geschreven:

“Ik stel vast dat U Uw onderzoek hebt opgestart op 28 mei jl, althans toen hebt U mij dat bericht per mail. Uit het WOO besluit van U Awb 24-008 blijkt dat u toen GEEN DOSSIER ter beschikking had. Ik verwijs verder met nadruk naar mijn mail van 18 juni 2024 te 15.23 uur, waarvan ik de inhoud als hier herhaald en ingelast beschouw.
 

Natuurlijk hebt U bevoegdheden op grond van art. 5:16 Awb, echter die bevoegdheden zijn door het Hof van Discipline begrens, waartoe ik verwijs naar ECLI:NL:TAHVD:2021:46 (HvD) en ECLI: NL: TADRARL:2020:184 RvD.
 

Nu blijkt dat U op het moment van het opstarten van dit onderzoek over geen dossier beschikte, waardoor U hebt gehandeld in strijd met voornoemde uitspraken en jegens mij onrechtmatig hebt gehandeld en nog handelt omdat U kennelijk in strijd met genoemde heldere uitspraken doorgaat met Uw – onrechtmatig – onderzoek.
 

Daardoor handelt U willens en wetens in strijd met Uw verplichtingen op basis van de beide genoemde uitspraken en bent daardoor schadeplichtig. Ik kom daar later nog op terug.
 

Ik zal bezwaar maken tegen Uw beslissing op basis van de Wet WOO omdat die beslissing in strijd is met de waarheid en tevens daardoor klachtwaardig, maar dat terzijde. Immers in Uw mail van 3 juni 2024 om 16.39.33 noemt U stukken en zaaknummers waarvan ik aanneem, dat die gegevens, aan U door derden zijn verstrekt, waardoor nu vast staat dat U wel over info cq stukken beschikte op 3 juni 2024 of eerder maar niet tijdens de start van het onderzoek op 28 mei 2024, terwijl U in het WOO besluit stelt op 18 juni over geen dossier te beschikken.
 

Ik ben van mening dat ik, gelet op het feit dat U in strijd handelt met de beide genoemde uitspraken en Uw onderzoek jegens mij onrechtmatig is, ik niet gehouden ben daaraan verdere medewerking te verlenen.
 

Ik beschouw dit als een principiële zaak en zal tegen deze door U gehanteerde methode tot in de hoogste instanties verweer voeren al is het maar om andere advokaten in de toekomst tegen dit soort optreden te beschermen.
 

Achteraf zou ik niet eens inhoudelijk zijn ingegaan op Uw verzoek zoals ik, te goeder trouw, heb gedaan in mijn mail 18 juni 2024 om 15.23 uur, als ik geweten had dat U over geen dossier beschikte en in het geheel hebt nagelaten te voldoen aan hetgeen het Hof van Discipline in dit verband voorschrijft.
 

Ik stel verder vast dat U niet hebt voldaan aan de in mijn mail van 18 juni opgenomen sommatie. Dat houdt in dat U wederom willens en wetens onrechtmatig en schadeplichtig handelt jegens mij. Ik behoud mij op dit punt alle rechten voor.
 

Overigens deel ik U, wellicht ten overvloede mede, dat een Uwer voorgangers, Deken Prickartz, in een zaak jegens collega Mr [D] te [plaats], op het moment dat hij constateerde dat hij het onderzoek jegens mr [D] niet kon onderbouwen, dat onderzoek meteen gestaakt heeft en zijn excuses aanbood voor het feit dat hij een onderzoek had opgestart.
 

U had eerst dienen te verifiëren of het signaal, ic de beide artikelen in de Limburger, daadwerkelijk afkomstig is van diegene die melding zou hebben gedaan van de zaken waarvan de beide riooljournalisten mij betichten, tevens zijdelings door U als Deken ondersteunt ! Dat daarbij door U hoor en wederhoor had moeten worden toegepast begrijpt zelfs een eerstejaars rechtenstudent !
 

Binnen 5 minuten had U het handelsregister bij de Kamer van Koophandel kunnen consulteren waarbij U met een enkele oogopslag had kunnen constateren dat ik in de door de riooljournalisten genoemde zaken met [MR] B.V. niets van doen had, ik was geen eigenaar en geen directeur in die periode.
 

Uw onderzoek is tegen deze achtergrond disproportioneel en aldus in strijd met artikel 5:13 Awb, tevens in strijd met diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder beginsel van zorgvuldige voorbereiding van besluiten (o.a. 3:2 Awb) en het materiële zorgvuldigheidsbeginsel. Van U als Deken mag ik een reproduceerbare afweging verwachten en daarvan kan, bij het geheel ontbreken van een dossier, geen sprake zijn.
 

Ik verwijs naar r.o. 5.18 van het HvD
 

Ik ga thans niet verder in op Uw gedragsrechtelijke verplichtingen want daarop kom ik nog later terug.
 

Ik vertrouw U hiermede voldoende te hebben geïnformeerd.
 

2.24    Diezelfde dag heeft verweerder namens [MR] aan de deken geschreven:

“U hebt de vennootschap verzocht stukken aan te leveren mbt een periode waarbij ik geen funktie bij [MR] B.V. vervulde. 

Daardoor kan ik aan Uw verzoek niet voldoen.
 

De door U genoemde kwesties zijn mij niet bekend behalve dat ik U al eerder berichtte dat ik namens de vennootschap jaren geleden als gemachtigde ben opgetreden in een
 

voor mij niet kenbare zaak aangezien geen partijen in die zaak zijn aangegeven.
 

Ik vertrouw U voldoende te hebben geïnformeerd.”
 

Ervaringen van huurders van [MR]
 

De heer G

2.25    Op 12 oktober 2018 heeft de Housing Helpdesk aan de heer G geschreven:

“(…) I have heard from [collega] that you were threatened en have gave you some advice regarding that, also there are a few steps that we can under take since he is going out of the bound of his privileges as a lawyer. (…)”

2.26    Daarop heeft de heer G daarop geantwoord:

“Sorry for replying so late to you and [naam], some other stuff happened after the meeting with [verweerder] which I will tell you about.
 

Following [medewerker van Housing Helpdesk]’s suggestion during our phone call earlier today I will write you what happened today at the offices of [MR] as best as I can:
 

(…) This morning, on Friday 12 October 2018, I arrived at the [MR] offices at around 10.45 am. An old man invited me upstairs and asked me if I wanted coffee or tea, to which I declined. He did not introduce himself. Once we were in an office he told me to sit down opposite of him. He then referred to a letter from Housing Helpdesk that was before him on the desk and I asked if I had initiated the rent reduction mentioned in the letter. I said yes. He then started berating me and threatened me if I go through with the rent reduction procedure. I told him that I would want to wait and see what result the rental commission comes up with, but he cut me off and threatened me that [MR] would not accept this. During the whole following seven to ten minutes his voice was very loud and intimidating. At one point he also got up from his chair. Specifically he called me a “dishonest cheater” and said if I continue the rent reduction procedure I would be their “enemy”. He also threatened that the landlord he purports to represent, i.e. his son [naam], would not accept the procedure to reduce the rent and that they would fight the rent reduction. He also threatened to throw me out of my room and that my remaining stay in Maastricht would be very “uncomfortable” (verbatim quote of what he actually said) for me. He even mentioned that he would go after me and people close to me, including the former tenant of my room, [naam] (he followed through on this threat, see below).
 

(…) He gave me an ultimatum of one week wo withdraw the request to reduce the rent.
 

(…) When I extended my hand to shake his hand he ignored it. When I asked for his name he said it did not matter. I then left his office. 
 

Okay, I think this covers all the relevant stuff of what happened. I am generally not a person that is easily intimidated or scared, but the way he screamed at me was very uncomfortable and threatening. (…) I have informed all house members that we should not accept invitations to go see [MR] and that we can call the police when they come to our property and do not leave after having been asked twice.
 

Later this evening, meaning Friday evening 12 October 2018, [de voorgaande huurder] contacted me. (…) As you can see, [verweerder] made good on his threat to go after [de voorgaande huurder]. (…)”

2.27    Op 16 oktober 2018 heeft de Housing Helpdesk aan verweerder (in persoon) geschreven:

“Geachte [verweerder].
 

Op vrijdag 12 oktober jongstlede kwam ons ter orde dat u de heer [G] voor een gesprek had uitgenodigd bij u op kantoor. Hierbij is ons medegedeeld dat u zich onbehoorlijk heeft gedragen ten opzichte van dhr. [G] en heeft gedreigd met het overgaan tot het onaangenaam maken van het verblijf van dhr. [G] in Maastricht. Dhr. [G] laat zich niet bedreigen of intimideren op enige wijze en zal de procedure ter toetsing van de aanvangshuurprijs voortzetten.
 

Als u zichzelf toegang verschaft tot het gehuurde zonder toestemming van de huurder, zoals u heeft aangegeven aan de huurder, dan pleegt u huisvredebreuk en zal de huurder zich genoodzaakt voelen om contact op te nemen met de politie om u te laten verwijderen van de locatie en zich het recht voorbehouden om de sloten te vervangen indien hij dit noodzakelijk vindt voor zijn eigen veiligheid.
 

In het geval u zich niet gedraagt zoals voorgeschreven zien wij ons genoodzaakt om mogelijke (rechts)maatregelen te treffen.
 

We verwachten van u dat u zich kunt gedragen als een behoorlijk huurder en dit soort praktijken kunt staken. Sinds wij als gemachtigde van de huurder optreden dient elke vorm van communicatie ook via ons te geschieden, een volgende keer zal dhr. [G] niet meer komen opdagen bij een afspraak die u enkel en alleen aan hem richt.”

2.28    Op 1 november 2018 heeft de heer G aan een politieagent geschreven:

“Thank you for meeting with me and [naam] today, I appreciate your help. Below I am forwarding you the email I wrote to the Housing Helpdesk after the meeting with [verweerder] on Friday, 12 October 2018. Attached you find the email correspondence between [MR] and me in which they invited me to the meeting, as well as the email that [MR] sent to the previous tenant [de voorgaande huurder]. I will forward [de voorgaande huurders] response to [MR] to you in a separate email.
 

In addition, I have attached the result of the preliminary self check of the rent reduction conducted by the Housing Helpdesk in my room on 11 September 2018, according to which I am paying € 179,57 too much per month.”

Mevrouw N

2.29    Op 10 juli 2024 heeft mevrouw N tegenover de deken schriftelijk verklaard:

“Microsoft Teams interview on the 4th of July 2024 at 9:00 with ms. [N], as known as ‘Nikita’ in the article from ‘De Limburger’ on the 25th of May 2024.

On behalf of the ‘Orde van Advocaten arrondissement Limburg’:

Eugène Rosier (dean)

[naam stafjurist] (staff lawyer)

Ms. [N] states that two cases have been pending against [verweerder]’s company, [MR]. The first was a case concerning the basic rent, which was far too high. The second was a case about the service costs, which were also too high. Both cases have been dealt with and have now been resolved, as the court has ruled on them. Ms. [N] eventually recovered money: over € 5.000,-. However, It took 2-2.5 years for these cases to be settled because [verweerder] delayed the process. For example, he said several times that he had contracted the Coronavirus, which prevented the hearing from taking place. The exact amount of times is unknown.

Ms. [N] scheduled an appointment with ‘Huurcommissie’ staff in the past to measure the living area. However, an unknown person (presumably arranged by [verweerder]) posed as Ms. [N] and called the court to cancel this appointment. Ms. {N][ further indicates that she called the police and later filed a report when she found out that she could no longer open the door to her own room because the key did not fit the lock. Ms. [N] went to her neighbor and she asked him for help. The neighbor informed her that the homeowner’s attorney had called him saying that the lock in the front door had been replaced and that one had to wait until 6 p.m. for it to be repaired. For this reason, she was concerned for her own safety. The locksmith, named [J], who had replace the lock without Ms. [N]’s knowledge, had indicated that he had done so after being instructed to do so by the homeowner’s attorney. The reason for this peculiar action is presumably that a new appointment had been made with the ‘Huurcommissie’ staff to discuss this matter.”

2.30    Mevrouw N heeft bij de politie aangifte gedaan van het incident. Daarin heeft zij vergelijkbaar met het bovenstaande verklaard, evenals:

“(…) Ik had die betreffende dag, maandag, de 24e juni een afspraak met medewerkers van de rechtbank voor het opmeten van de woonoppervlakte. De huisbaas was hiervan door mij op de hoogte gebracht, dit ben ik verplicht zodat zij of een vertegenwoordiger van haar hierbij aanwezig kan zijn. Mijn advocaat heeft niet mijn huiseigenaar, maar haar advocaat in kennis gesteld van het feit dat die dag, maandag de 24e tussen 12.00 en 17.00 uur mensen van de rechtbank zouden komen kijken. Ik heb persoonlijk die afspraak niet gemaakt.
 

Ik ken haar persoonlijk niet, ik heb haar nog nooit gezien. Ik huur de woning namelijk van [MR] BV. Dit bemiddelingsbureau regelt namelijk alles. Het nummer van de advocaat van de huisbaas is [voornaam verweerder] [telefoonnummer], meer gegevens heb ik niet.
 

Ik weet slechts haar naam, zijnde [SL]. (….)
 

Rond 18.15 kwam een man van een onderhoudsfirma, ik weet de naam nu niet maar heb wel zijn telefoonnummer, zijnde [telefoonnummer] genaamd [J]. Hij plaatste het oude slot terug in de voordeur en nam het andere slot weer mee. Deze [J] werkt voor [MR] BV. Ik heb nog kort met deze [J] gesproken. Hij deelde mij mede dat hij de opdracht van de advocaat had gekregen om het slot te vervangen. (…)”
 

2.31    Bij vonnis van 28 oktober 2020 heeft de kantonrechter de verhuurder van de woning, mevrouw SL, veroordeeld tot terugbetaling van te veel betaalde huur aan mevrouw N. Verweerder heeft als advocaat opgetreden voor SL. 

De heer AKH
2.32    Op 17 juni 2024 heeft de heer AKH een schriftelijke verklaring opgesteld:

“I have had one physical contact with [verweerder]. Through the company [MR] I rent an apartment at the address xxxxxxx. At the room I rented, the wifi reception was very poor. I complained several times by email to [MR] about the poor wifi signal. I either received no response or a response that my complaints were nonsense. Previous tenants would never have complained, according to [MR].
 

On September 26, 2023 at about 4 p.m. I went to the office of [MR] to complain again about the poor wifi reception. I was then spoken to by [verweerder]. He behaved inappropriately towards me. He reacted very stubborn, started shouting and came across as aggressive to me. He denied that the installation of the wifi would not be faulty. Eventually the hardware was adjusted. The wifi signal is still not optimal.”

E-mailverkeer namens [MR]

2.33    Op 30 januari 2024 heeft de advocaat van een (voormalig) huurster [MR] aangeschreven:

“Tot mij heeft gewend mevrouw [V], met het verzoek haar belangen te behartigen.

(…) Cliënte heeft de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 februari 2024. Zij heeft de huur vooruit betaald tot 1 februari 2024.

Zoals cliënte mij heeft aangegeven heeft zij ondanks herhaald verzoek geen definitieve bevestiging ontvangen van de ontvangst van de opzegging, althans is niet door u bevestigd wanneer het appartement door haar leeg zou moeten worden opgeleverd, hoewel zij gezien haar huuropzegging en huurbetaling gerechtigd is tot het gebruik van het gehuurde tot en met 31 januari 2024. Tot haar grote verbazing heeft u cliënte plots medegedeeld dat haar inboedel uit het appartement zou zijn weggehaald toen cliënte in het buitenland verbleef (!). Terwijl de huur nog liep, en zonder dat cliënte daarvoor toestemming heeft gegeven en/of daarbij aanwezig was, hebt u het gehuurde binnengetreden en heeft u haar spullen verwijderd. Die zouden nu elders zijn opgeslagen. Het moge duidelijk zijn dat een dergelijke handelswijze geenszins geoorloofd is en onprofessioneel.
 

Namens cliënte stel ik [MR] B.V. hierbij aansprakelijk voor het op onrechtmatige wijze betreden van het gehuurde en het weghalen (en elders opslaan en vasthouden) van haar bezittingen. Alle schade die cliënte dientengevolge lijdt, zal op u worden verhaald.
 

Cliënte overweegt voorts aangifte te doen van huisvredebreuk en van diefstal.

Vanochtend is cliënte bij u op kantoor geweest, waarbij de situatie uit de hand liep, en zij zelfs door een medewerker letterlijk de deur uit werd geduwd. Cliënte heeft daarna de politie gebeld, die nog is langs geweest. Nu heeft u cliënte vanmiddag om 17.00 uur op uw kantoor uitgenodigd, waarbij zij gedwongen een vaststellingsovereenkomst zou moeten ondertekenen, waarin zij erkent ook nog voor de maand februari huur verschuldigd te zijn, die verrekend zou moeten worden met de waarborgsom. Dit zou u als voorwaarde hebben gesteld, anders zou cliënte haar spullen niet van u terugkrijgen. (…)”

2.34    Diezelfde dag heeft [MR] gereageerd, met als afsluiting:

“We ontvingen Uw mail van zojuist.

Kennelijk heeft mevrouw [V] U onjuist voorgelicht, maar dat verbaast ons niet m.b.t. deze mevrouw!
(…) de opzegtermijn is ingegaan op 1 december 2023 en eindigt aldus op 28 februari 2024, zodat op die datum de huurovereenkomst eindigt.

 

Mevrouw zal dus huur moeten betalen tot en met 28 februari 2024.
 

Mevrouw heeft er zelf voor gekozen om op 3 januari te verstrekken en de sleutels in te leveren conform de afspraken met ons (zie mailwisseling).
Die afspraak is zij ook niet nagekomen, net zo goed als zij nooit afspraken is nagekomen en zelfs de huur over het tweede kwartaal 2023/2024 te laat heeft betaald!

 

Mevrouw heeft zich vervolgens heden gemeld voor het eerst in persoon hedenochtend op ons kantoor.
 

(…) Mevrouw is niet vertrokken op 3 januari 2024 en heeft ook niets laten horen, waarna onze poetsploegen het appartement hebben gereinigd, omdat mevrouw de studio ongepoetst had achtergelaten en niet had opgeleverd conform de schriftelijke toezegging per 3 januari dat zij de studio schoon zou opleveren!
 

Mevrouw heeft aangegeven het gehuurde per 3 januari te ontruimen en heeft zich niet aan de afspraak gehouden, maar is vertrokken en er was geen contact met haar mogelijk.
 

De poetsploeg heeft haar spullen keurig netjes in dozen verpakt en opgeslagen.
 

We hebben vanochtend mevrouw verzocht de vaststellingsovereenkomst te tekenen en de sleutels te retourneren.
 

Dat heeft zij met een hoop misbaar en een brutale mond geweigerd.
 

Er is aldus samenvattend door ons precies gehandeld conform de afspraak met mevrouw namelijk ontruiming per 3 januari 2024.
 

Het is mevrouw welke ondanks schriftelijke toezegging niet aan de afspraak heeft gehouden.
 

Op basis van de gemaakte afspraken woonde mevrouw niet meer in het gehuurde en heeft de poetsploeg het appartement gepoetst en daarom de spullen ingepakt. 
 

Daaraan is niets onrechtmatig laat staan dat er sprake zou zijn van huisvredebreuk en/of diefstal.
 

Daarnaast delen wij U nog mede dat mevrouw een rijke fantasie heeft en niet de deur is uitgeduwd, zij is op verzoek zelf vertrokken. (…)
 

Namens [MR]
 

mr. [verweerder] - Advocaat”

2.35    Op 31 januari 2024 heeft de huurster aan haar advocaat bericht:

“I spotted several untrue statements in that email that I will point out.
 

(…) They are also blatantly lying about me not leaving on January 3rd and ‘not saying anything’. I sent three separate e-mails between Dec. 19th and Januari 6th, asking for the situation to be clarified and asking for their response. They ignored my communications.
 

As for the comments about my ‘rich imagination’ I recorded [verweerder] yelling at me and additionally calling me a ‘shit idiot’ and a ‘dirty person’ when I did not insult hem once and merely asked for my belongings to be returned in exchange for the keys. I have proof of this and can ensure you that he is lying. As for the pushing, he did push me after which I proceeded to leave on my own accord, be he did indeed push me without ‘asking me to leave many times and me refusing’ (which is what he told the police). During the interaction, [verweerder] raised his voice at me several times, interrupted me consistently, threatened to have me blacklisted from the city, and threatened that I will not see my stuff for “2 years”. I have all of this recorded. (…)”
 

2.36    Op 31 januari 2024 is opnieuw een bericht verstuurd door [MR]:
 

“Er is een storende fout geslopen in onze mail van gisteren van 17.09 uur.
 

Onder punt 3 tweede regel is abusievelijk vermeld dat mevrouw [V] heeft bevestigd dat zij het appartement schoon zou achterlaten op 24 november 2023. Uit de bijlage is echter al duidelijk dat die datum moet zijn 3 januari 2024.

Met vriendelijke groet,

Namens [MR] B.V. 

Mr. [verweerder] - Advocaat”
 

2.37    De advocaat van de huurster heeft daarop gereageerd:

“Allereerst merk ik op dat u ingevolge de gedragsregels voor advocaten gehouden bent ervoor te zorgen dat geen misverstand kan bestaan over de hoedanigheid waarin u in de gegeven situatie optreedt. U ondertekent uw e-mails ‘namens [MR]’ maar vermeldt vervolgens wel dat u advocaat bent. Hoe moet ik dat zien? U bent kennelijk (ook) verhuurder, nu u getrapt bestuurder bent van [MR] B.V., zo bleek mij uit het handelsregister. (…) 
 

(…) opgemerkt zij dat cliënte uw stellingen nadrukkelijk betwist. Wat daar ook van zij, ook als de huur wél al eerder dan 1 februari 2024 zou zijn geëindigd, of er een afspraak tussen partijen zou zijn gemaakt over het eerdere vertrek van cliënte (volgens u per 3 januari 2024) (quod non!), dan nog mocht [MR] B.V. niet zonder verkregen rechterlijk vonnis tot ontruiming overgaan. Die ontruiming is onrechtmatig en [MR] B.V. heeft zich schuldig gemaakt aan eigenrichting.
 

Van huisvredebreuk is ook sprake, nu de huurovereenkomst naar uw stelling pas zou eindigen op 28 februari 2024, zodat cliënte nog altijd in het gehuurde zou wonen. [MR] B.V. mocht het gehuurde niet betreden zonder toestemming van cliënte.
 

Los van de discussie of cliënte wel/niet nog huur verschuldigd is voor de maand februari 2024, en de vraag wanneer de huurovereenkomst eindigt, houdt [MR] B.V. thans op onrechtmatige wijze haar inboedel vast, terwijl zij meermaals heeft verzocht om die terug te krijgen. Hierbij verzoek en voor zover nodig sommeer ik [MR] B.V. uiterlijk vandaag vóór 14.00 uur per e-mail te bevestigen dat cliënte haar inboedel (althans de sleutel tot de opslagruimte waar haar inboedel staat?) per direct terug zal krijgen, en dat zij vandaag nog (vóór 17.00 uur) die inboedel (of sleutel van de opslagruimte) bij [MR] B.V. op kantoor kan komen ophalen. Bij gebreke daarvan zal ik namens cliënte een kort geding entameren teneinde haar inboedel terug te krijgen en haar schade vergoed te zien, en acht ik mij vrij [MR] B.V. zonder nadere aankondiging te dagvaarden. 
 

Voor het geval u als advocaat van [MR] B.V. zou optreden, verzoek ik u mij vandaag nog uw verhinderdata toe te sturen voor de komende 8 weken.”
 

2.38    Daarop heeft [MR] gereageerd:

“Hierbij deel ik U mede dat ik abusievelijk de verkeerde ondertekeningsmodus heb gebruikt in opgemelde mail.
 

Ik ben eerst op 3 januari 2024 als secretaresse nieuw begonnen en werk voor zowel [het advoctenkantoor van verweerder] als ook [MR] en heb mij vergist in de wijze van ondertekening.
 

Bijgaand stuur ik de juiste mail.
 

Voor de volledigheid deel ik U nog mede dat [verweerder] met het opstellen van de mail en ook met de ondertekening geen bemoeienis heeft gehad.
 

Met vriendelijke groet,
 

Namens [MR] B.V.
 

Backoffice”

Huurcommissie- en rechtbankprocedures tegen [MR]

2.39    Tegen [MR] zijn vier procedures gevoerd bij de Huurcommissie, die hebben geleid tot de volgende uitspraken:
-    Huurcommissie 5 december 2019, zaaknummer 55965 (mevrouw N). Daarbij is de huurprijs van € 900,- per maand bepaald op € 540,94. In de beslissing is onder meer overwogen:

“(…) Door de gemachtigde van huurder is een woningwaardering opgesteld. Op basis van deze woningwaardering van 109,5 punten is het verzoek bij de Huurcommissie ingediend.
 

Door de Huurcommissie is in eerste instantie een onderzoek in de woning gepland op 17 juni 2019. Huurder en verhuurder zijn hiervan op de hoogte gesteld. Dit onderzoek is afgezegd. Huurder heeft contact opgenomen met de Huurcommissie, er is vervolgens een nieuwe afspraak gemaakt voor 24 juni 2019. Op die dag is door verhuurder het slot vervangen van de woonruimte van huurder. Huurder was hierdoor ingesloten in haar woonruimte en kon rapporteur niet tot de woonruimte toelaten. Huurder is aan het eind van de dag bevrijd door de politie. Foto’s van deze situatie zijn aan het dossier toegevoegd. Ook het proces verbaal van aangifte door huurder zit bij de dossierstukken. (…)
 

De commissie gaat in deze omstandigheden uit van de woningwaardering van de woonruimte zoals die is opgesteld door de gemachtigde van huurder. Zij neemt daarbij in overweging dat uit de overgelegde stukken blijkt dat verhuurder een onderzoek in de woning door de Huurcommissie door eigen actief ingrijpen heeft verhinderd. (…)”
 

-    Huurcommissie 4 juli 2019, zaaknummer 38598 (de heer G). Daarbij is de huurprijs van € 500,- per maand bepaald op 179,57;
-    Zaaknummer 255862; 
-    Zaaknummer 57800.

2.40    Tegen [MR] zijn drie procedures bij de rechtbank Limburg gevoerd, die hebben geleid tot de volgende vonnissen:
-    Rb. Limburg 19 mei 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:4246; 
-    Rb. Limburg 13 januari 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:321. Verweerder heeft in deze procedure opgetreden als advocaat van [MR];
-    Rb. Limburg 15 januari 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:235.

2.41    [MR] is in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 13 januari 2021 bijgestaan door verweerder. In de andere twee procedures is het bedrijf bijgestaan door een advocaat waarvan verweerder de buitenpatroon is geweest.

(Kanton)procedure tegen de glazenzetter

2.42    Verweerder is door een glazenzetter gedagvaard, nadat een factuur voor het plaatsen van beglazing in panden aan het [adres] niet was betaald. Bij vonnis van 13 april 2022 (ECLI:NL:RBLIM:2022:2918) heeft de kantonrechter het volgende geoordeeld, waarbij verweerder is aangemerkt als ‘[gedaagde]’:

“(…) 3.1. In deze zaak is het bizar en onthutsend dat beide partijen over een eenduidige kwestie (hebben [eiser] en [gedaagde] ramen opgemeten in het SSK …) onder ede een zodanig diametraal verschillende verklaring afleggen dat de enige conclusie die getrokken kan worden, is dat één van die partijen bewust onder ede liegt.
 

(…) 3.3 [gedaagde] betwist deze hele lezing. Hij betwist niet alleen dat hij de onderhavige opdracht aan [eiser] heeft gegeven, hij verklaart dat hij buiten het plaatsen van een ruit in zijn woning lang geleden, nooit met [eiser] van doen heeft gehad in diens hoedanigheid van glaszetter. Op de vraag of hij betrokken is bij het [adres] en bij de ondernemingsactiviteiten van zijn zonen, die als eigenaar van dat klooster geregistreerd staan (bijlage 1,5), heeft hij ontkennend geantwoord.
 

3.4 De kantonrechter acht de betwisting van [gedaagde] ongeloofwaardig om de volgende redenen:
 

a. Partijen zijn het erover eens dat SSK staat voor de panden van de zonen [gedaagde] aan het [adres]. Als de raadsman van [eiser] [gedaagde] sommeert tot betaling (bijlage 1,3), antwoordt [gedaagde] (bijlage 1,4) via het mailadres [mail] @gmail.com. [gedaagde] ontkent dat hij dit mailadres gebruikt en verklaart dat hij het misschien een keer per ongeluk heeft gebruikt. De kantonrechter acht het onlogisch en ongeloofwaardig dat [gedaagde] over een kwestie die SSK betrof, per ongeluk gebruik zou maken van het mailadres van SSK, terwijl hij verklaart op geen enkele wijze bij SSK betrokken te zijn.
 

b. Als [eiser] aan zoon [zoon 1] per whatsapp vraagt wanneer zijn factuur voldaan wordt (die in deze procedure gevorderd wordt), antwoordt [zoon 1] : ‘Dat is ssk [eiser] en [gedaagde] is boos’. Deze opmerking suggereert dat [gedaagde] degene is die over ssk gaat. Dat [gedaagde] niet wil betalen, heeft volgens [eiser] als reden dat er een geschil loopt tussen Hotel [naam] en [eiser] . Deze stelling wordt ondersteund doordat [gedaagde] (die in die procedure als advocaat optreedt) een dagvaarding met alle bijlagen van Hotel [naam] aan [eiser] zonder toelichting integraal in het geding heeft gebracht.
 

c. Aan [gedaagde] is een mail voorgehouden (bijlage 6,8) die op 30 september 2019, 15.20 uur door [zoon 1] is doorgestuurd aan “ [gedaagde] <info@ [mail] .nl”. De mail heeft als onderwerp “Ramen” en bevat als bijlagen iets met de titel “Hotel[naam]”. Die mail wordt diezelfde dag 8 minuten later om 15.28 doorgestuurd aan [eiser] . De tekst luidt onder andere “Dag [eiser] , Zie hierbij de maten in de offerte van een van de staalboeren ... Graag je prijsindicatie natuurlijk als altijd zo scherp mogelijk!!! ... mr. [gedaagde] ” (onderstreping door de kantonrechter). Deze mail ondersteunt de lezing van [eiser] dat [gedaagde] vaker ramen bij hem bestelde en dat hij offreerde op basis van vierkante meters. Ook ondersteunt deze mail (net als de opmerking van [zoon 1] onder b) dat [gedaagde] de nodige zeggenschap had over onroerend goed waarvan zijn zonen (formeel?) eigenaar zijn.
 

De onder ede afgelegde verklaring van [gedaagde] op dit punt is dat hij zich die mails niet kan herinneren. Hij suggereert dat ze zonder zijn opdracht door medewerkers van zijn advocatenkantoor verzonden zijn. De kantonrechter acht dit ongeloofwaardig omdat het volstrekt onwerkelijk is om te veronderstellen dat ondersteunend personeel van een advocatenkantoor op naam van [gedaagde] mails gaat versturen zonder uitdrukkelijke opdracht daartoe.
 

d. De facturen van [eiser] aan [naam 1] – SSK werden steeds betaald vanaf een bankrekening ten name van ‘Hr [naam 2] , Hr [naam 3] ’, zijnde kennelijk 2 van de 3 zonen van [gedaagde] . Op de eenvoudige vraag (gesteld door de raadsman van [eiser] ) of hij gemachtigd was om gebruik te maken van die rekening, wenste [gedaagde] onder geen beding te antwoorden omdat de wederpartij daar niks mee te maken zou hebben. Ook op herhaaldelijk aandringen van de kantonrechter dat alleen maar ja of nee geantwoord hoefde te worden, bleef [gedaagde] volharden in zijn weigering om deze vraag te beantwoorden.
 

De enige redelijke verklaring voor de hardnekkige weigering van [gedaagde] om deze vraag te beantwoorden, is dat hij gemachtigd was om gebruik te maken van die rekening. Dát verklaren zou echter zijn hele betoog over het niks te maken hebben met [eiser] en de panden van SSK, onderuit halen. Anderzijds mag, als [gedaagde] niet tot die rekening gemachtigd was, verondersteld worden dat [gedaagde] dat met graagte zou hebben geantwoord, nu het zijn stellingen dat hij niks met de ondernemingen van zijn zoons van doen heeft, juist zou ondersteunen. Machtiging ontkennen terwijl die er wel was, zou ‘juridisch gevaarlijk’ zijn omdat het ontmaskerd zou kunnen worden als een ‘harde’ meineed.
 

3.5 Het voorgaande voert tot de conclusie dat de kantonrechter van oordeel is dat [eiser] geslaagd is in het hem opgedragen bewijs. Naast zijn eigen verklaring is het met name de inconsistente en ongeloofwaardige verklaring van [gedaagde] die aan dat bewijs bijdraagt. Het motief voor de onwil van [gedaagde] om de factuur van [eiser] te erkennen en te voldoen, lijkt diens boosheid over vermeend slecht werk door [eiser] aan Hotel [naam]. De vordering tot betaling van de hoofdsom is daarmee toewijsbaar. (…)”

2.43    Verweerder is in hoger beroep gegaan van dit vonnis. Op 8 oktober 2024 heeft het gerechtshof bij arrest (ECLI:NL:GHSHE:2024:3122) het volgende geoordeeld, waarbij verweerder is aangemerkt als ‘[appellant]’:

“9.2.2. [appellant] ontkent dat hij, met uitzondering van het plaatsen van één raam in zijn woning, met [geïntimeerde] zaken heeft gedaan en dat hij voor zover hij zich dat kan herinneren verder nooit glas bij [geïntimeerde] heeft besteld. Bij de raadsheer-commissaris verklaart [appellant] op de vraag of hij [geïntimeerde] in het kader van andere opdrachten heeft ontmoet of gezien: “Nee. Dat vind ik niet ter zake doen in het kader van de bewijsopdracht zoals die vandaag voorligt”. Het hof leidt daaruit af dat [appellant] geen volledige openheid van zaken wil geven over zijn contacten met [geïntimeerde] , terwijl dit wel van [appellant] mocht worden verwacht.
 

9.2.3. Op de vraag van de raadsheer-commissaris aan [appellant] of hij [geïntimeerde] telefonisch heeft gesproken, antwoordt hij “voor zover ik weet niet”. Op de vraag van de raadsheer-commissaris of [appellant] zich kan herinneren dat er op 22 oktober 2020 een telefoontje heeft plaatsgevonden met [geïntimeerde] , antwoordt [appellant] dat niet te weten. Terwijl, bij de kantonrechter verklaarde [appellant] dat het telefoongesprek wèl is gevoerd, maar dat dit ging over hotel [Z].
 

Uit de overgelegde telefoonspecificaties van 3 september 2020, 3 november 2020 en van 5 januari en 3 februari 2021 blijkt dat [geïntimeerde] vijftien keer contact heeft gehad met [telefoonnummer] . Op de telefoonspecificatie van 3 november 2020 staat dat [geïntimeerde] op 22 oktober 2020 om 12:43 uur en om 18:22 uur met voormeld telefoonnummer heeft gebeld. [appellant] betwist de overgelegde telefoonspecificaties niet. Op de vraag van de raadsheer-commissaris of het [telefoonnummer] het telefoonnummer van [appellant] is, antwoordt hij: “dat is mijn nummer, maar goed”. Daarmee staat vast dat het [telefoonnummer] het telefoonnummer van [appellant] is en dat [geïntimeerde] in de periode augustus 2020 tot en met januari 2021 vijftien keer - mèt inbegrip van de twee telefoongesprekken op 22 oktober 2020 - met [appellant] heeft gebeld. Dat maakt de verklaring van [appellant] dat hij niet weet of hij telefonisch met [geïntimeerde] heeft gesproken ongeloofwaardig. (…)”

3    KLACHT

3.1    Het dekenbezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken verwijt verweerder het volgende.

a)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 29 door geen medewerking te verlenen aan het onderzoek van de deken;

b)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 9 lid 1 door verwarring te zaaien omtrent zijn hoedanigheid, door in correspondentie namens [MR] herhaaldelijk zijn hoedanigheid van advocaat te gebruiken;

c)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met de kernwaarde onafhankelijkheid door rechtsbijstand te verlenen aan [MR], terwijl hij daarbij indirecte financiële belangen had;

d)    Verweerder handelt in strijd gehandeld met de kernwaarde integriteit en gedragsregel 9 lid 2 door zich stelselmatig en intimiderend te gedragen tegenover huurders via [MR], door het niet nauw te nemen met de regels voor het verhuren van woningen en door misbruik te maken van kwetsbare huurders.

e)    Verweerder heeft in strijd gehandeld met de kernwaarde integriteit en gedragsregel 9 lid 2 door onder ede een ongeloofwaardige verklaring af te leggen.

4    VERWEER 

4.1    Verweerder heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verweer gevoerd tegen het dekenbezwaar.

Procedureel

4.2    Volgens verweerder dient de deken niet-ontvankelijk te worden verklaard in het dekenbezwaar, omdat hij geen signaal had om een onderzoek te mogen starten en omdat het dekenbezwaar onvoldoende feitelijk is onderbouwd zodat niet duidelijk is wat verweerder wordt verweten.

4.3    Verweerder wijst erop dat de deken geen dossier had. Onder verwijzing naar ECLI:NL:TAHVD:2021:47 en ECLI:NL:TADRARL:2020:184 had de deken dus geen onderzoek mogen starten.

4.4    Daarnaast dient de deken exact aan te geven welke verwijten als opgenomen in het artikel van De Limburger het betreft. Tegen een dergelijke vage aanklacht is het voor verweerder onmogelijk om verweer te voeren gelet op het feit dat het betrokken riooljournalistiek artikel maar liefst vier pagina’s beslaat. Daarmee is het dekenbezwaar geformuleerd in strijd met iedere behoorlijke procesorde en de substantiëringsplicht van de deken, waarmee de deken in strijd met de kernwaarde integriteit, de betamelijkheidsnorm uit artikel 46 van de Advocatenwet en gedragsregel 24 (welwillendheid) heeft gehandeld. De klacht is dermate vaag en niet onderbouwd, dat geen sprake is of kan zijn van enig tuchtrechtelijk vergrijp. Ook heeft de deken niet voldaan aan het beginsel van hoor en wederhoor, de zorgvuldigheidsnormen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Inhoudelijk

4.5    Verweerder heeft zich in geen enkele hoedanigheid zodanig gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur zou zijn geschaad. Ook heeft hij niet in strijd met de norm uit artikel 46 van de Advocatenwet of de kernwaarden onafhankelijkheid en integriteit uit artikel 10a van de Advocatenwet gehandeld. 

4.6    Verweerder betwist dat hij een huisjesmelker is. [MR] houdt zich bezig met verhuurbemiddeling en is dus nooit als verhuurder opgetreden maar doet dit namens verhuurders. Verweerder heeft er bovendien op gewezen in de periode waarover meldingen zijn ontvangen over [MR] geen aandeelhouder of bestuurder te zijn geweest van [MR]. Dit kan hem dus ook niet worden aangerekend. Er zijn dus geen, laat staan voldoende, aanknopingspunten met de praktijkuitoefening van verweerder. Er dient dus een beperkte maatstaf te worden gehanteerd. Dat geldt voor zowel verweerders optreden als directeur-grootaandeelhouder van [MR] als bijvoorbeeld het afleggen van verklaringen in een civiele procedure waarin hij als gedaagde optrad. Verweerder heeft eenmalig opgetreden als advocaat voor een verhuurster en dat is noch verboden noch klachtwaardig. De overige aangevoerde zaken en personen zeggen verweerder niets. Hij herkent zich niet in het door deze personen en de deken geschetste beeld en ontkent de beschuldigingen aan zijn adres. De deken heeft ook op geen enkele wijze feitelijk onderbouwd op welke wijze en in welke zaken verweerder niet onafhankelijk zou hebben opgetreden. De zaken zijn bovendien tardief zodat deze niet aan het dekenbezwaar ten grondslag gelegd mogen worden, omdat sprake is van onbehoorlijke procesvoering c.q. misbruik van klachtrecht in een opgezette actie om verweerder te beschadigen. Verweerder heeft niets te maken gehad met meneer G en herinnert zich hem ook niet. De situatie met mevrouw V lag anders dan wordt gesuggereerd en bovendien is door de advocaat van [MR], niet zijnde verweerder, met haar een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin is finale kwijting verleend en mevrouw V kan haar klachten niet middels de deken indirect naar voren brengen. Overigens heeft verweerder haar niet geïntimideerd, maar heeft zij dat andersom gedaan op zijn kantoor en door te weigeren te vertrekken. De deken heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat verweerder als raadsman opdracht zou hebben gegeven het slot van de voordeur van mevrouw N te vervangen. Daarbij is verweerder niet betrokken geweest. De heer AKH is verweerder onbekend. Ook heeft verweerder vraagtekens bij de juistheid en herkomst van de verklaring van de heer AKH, die tegenover de deken zou zijn afgelegd.

4.7    Verweerder heeft altijd tegenover cliënten en of in zijn contacten met derden ervoor zorggedragen dat er geen misverstand kon en of kan bestaan over de hoedanigheid, waarin hij in een gegeven situatie, optreedt of heeft opgetreden. 

4.8    De in De Limburger opgevoerde ‘Nikita’ heeft nooit een e-mail ontvangen die is verstuurd vanaf het e-mailadres van verweerders kantoor. Uit de e-mailcorrespondentie blijkt dat door een administratieve fout op het secretariaat van verweerders kantoor een pas in dienst zijnde secretaresse abusievelijk het verkeerde e-mailadres heeft gebruikt en dit daarna meteen weer heeft rechtgezet in een e mail aan de advocaat van ‘Nikita’. De betrokken huurder heeft dus nooit een e-mail ontvangen van een onjuist e-mailadres van verweerders kantoor. Verweerder kan geen enkel tekort in het lopende onderzoek worden verweten, want de deken had op basis van de e-mailcorrespondentie het onderzoek kunnen afronden en moeten concluderen dat verweerder niets te verwijten viel, laat staat dat verweerder enige tuchtrechtelijke regel zou hebben overtreden. Dit onderdeel van het dekenbezwaar is in strijd met iedere welwillendheid die de deken jegens verweerder in acht dient te nemen. Uit de e-mailcorrespondentie blijkt duidelijk hoe het een en ander is gelopen. Dergelijke administratieve fouten komen op ieder secretariaat voor, zelfs op het secretariaat van de deken. Zo heeft het secretariaat van de deken per abuis de bezwaarclausule niet opgenomen in het besluit op verweerders Woo-verzoek en heeft het secretariaat van verweerder een e-mail niet ontvangen omdat de deken de e-mail naar een ander e-mailadres had verzonden. Zelfs de secretariaat van de raad maakt administratieve fouten. Zo is er in een brief aan verweerder onterecht het woord ‘uw bezwaar’ vermeld terwijl het gaat om een bezwaar van de deken (“U wordt in de gelegenheid gesteld om tot uiterlijk veertien dagen voor de zitting schriftelijk te reageren op uw bezwaar”), waardoor onduidelijkheid is ontstaan, is artikel 2.4.2 van het Procesreglement onduidelijk en bevonden tijdig opgestuurde belangrijke stukken van verweerder aan de raad van discipline Arnhem-Leeuwarden zich niet in het dossier. Verweerder gedraagt zich echter, in tegenstelling tot de deken die een administratieve fout als dekenbezwaar aanmerkt, wel normaal en heeft gewoon de griffier opgebeld voor opheldering. De deken vraagt zich af of de administratief foute e-mails van de Raad voor Rechtsbijstand Arnhem-Leeuwarden en het secretariaat van de deken dan niet klachtwaardig zijn. Het is verweerder duidelijk dat de deken spijkers op laag water zoekt teneinde verweerder in diskrediet te brengen door te stellen dat de inhoud van de herstelmail “ongeloofwaardig” zou zijn. Verweerder is van mening dat zijn secretaresse de fouten snel heeft opgemerkt en keurig heeft hersteld.

4.9    Ook de procedure bij de civiele rechter waarin verweerder in privé gedagvaard was, heeft geen aanknopingspunten met de praktijkuitoefening. Het was de kantonrechter en het gerechtshof, waarbij verweerder werd bijgestaan door een advocaat, duidelijk dat verweerder in privé als procespartij deelnam. Geen zinnig mens, zelfs niet de deken, kan volhouden dat dit niet duidelijk is geweest.

4.10    Het feit dat de kantonrechter op totaal andere gronden dan het gerechtshof spreekt van een ongeloofwaardige verklaring betekent niet dat verweerder onder de gegeven omstandigheden in strijd heeft gehandeld met de kernwaarde integriteit. Verweerder deelt dat standpunt van de kantonrechter in het geheel niet, zoals ook blijkt uit zijn memorie van grieven. De kantonrechter is kennelijk niet op de hoogte van de feitelijke gang van zaken op veel advocatenkantoren, waarbij een zelfstandige werkhouding wordt verwacht van secretaresses. Wat de kantonrechter heeft overwogen en de deken willens en wetens overneemt, slaat nergens op. De deken moet misschien op zijn advocatenkantoor aan de daar werkzame secretaresses vragen of zij altijd toestemming vragen voor alle e-mails die zij versturen. De deken is verdergegaan met het zonder enige aanleiding diffameren van verweerder door in dit onderdeel een gedeelte van de motivering van het vonnis te citeren, terwijl dat geen overtreding van gedragsregel 9 oplevert. Het gerechtshof heeft vervolgens op andere gronden een feitelijk oordeel gegeven met betrekking tot een totaal ander onderdeel van de gegeven bewijsopdracht. De deken heeft bewust weggelaten dat in hoger beroep niets is overgebleven van de motivering van de kantonrechter. Omdat het een oordeel van feitelijke aard is kan verweerder dit niet in cassatie laten toetsen, maar dat brengt nog niet mee dat verweerder in strijd heeft gehandeld met enige kernwaarde. Verweerder is van mening dat hij altijd juist heeft verklaard, ook al vinden de kantonrechter en het gerechtshof dat anders. Verweerder is met recht en reden van mening dat hij wel geloofwaardig heeft verklaard, onder verwijzing naar een cassatieadvies waaruit volgt ‘dat het hof (op onderdelen) zeer wel anders had kunnen beslissen is voor de cassatiemogelijkheden niet van belang’.

4.11    De deken wenst niet op een normale manier met verweerder om te gaan. Uit de e mailwisseling blijkt duidelijk dat verweerder weldegelijk heeft meegewerkt aan het verstrekken van informatie, voor zover dat op basis van de vraagstelling van de deken mogelijk was. De vraagstelling was en is onbegrijpelijk en verweerder heeft daar zo goed als redelijkerwijs mogelijk aan meegewerkt. Verweerder herhaalt op dit punt dat de deken door de wijze waarop hij het onderzoek heeft aangevangen, in strijd heeft gehandeld met de jurisprudentie van het hof van discipline. Het is juist de deken die zich zorgvuldig aan de regels dient te houden. De deken verzoekt stukken uit een periode dat verweerder geen bestuurder was van [MR] en verzoekt om een reactie op een anonieme klacht van zeven jaar oud van personen die verweerder niet kent. Daardoor kon verweerder niet voldoen aan zijn verplichtingen uit gedragsregel 37. Dat is hem door de deken schier onmogelijk gemaakt. De deken heeft door zijn handelswijze er zelf toe bijgedragen dat verweerder niet anders kon handelen dan hij heeft gedaan, want hij had slechts onjuiste c.q. gebrekkige informatie. Bovendien waren die feiten verjaard en niet te verifiëren, laat staan voldoende aannemelijk gemaakt. De deken had een nauwkeuriger dossier dienen te vormen en te administreren met data. Overigens heeft de deken niet aangegeven welke stukken hij in zijn bezit heeft en waarop hij zich gebaseerd heeft bij het formuleren van het dekenbezwaar. In dit verband is van belang dat de deken geen signaal had. De journalisten hebben namelijk slechts een aantal zaken genoemd, die niet door de deken zijn geverifieerd en niet zijn besproken met verweerder. Door deze wijze van optreden heeft de deken zelf meegewerkt aan de totstandkoming van een signaal, hoewel er ten aanzien van verweerder niets op te merken viel. De deken heeft de riooljournalistieke cowboyverhalen van De Limburger direct voor ‘waar’ aangenomen en heeft gretig zijn mening ten aanzien van die verhalen gegeven, kennelijk gedreven door egotripperij en persgeilheid. De deken had geen interview mogen geven, want het was duidelijk dat het interview niet over hemzelf zou gaan maar over onbewezen en onjuiste aantijgingen aan het adres van verweerder. Ook heeft de deken de e-mailcorrespondentie voorafgaand aan het interview niet verstrekt. Verweerder verzoekt de raad om de deken te verzoeken c.q. te verplichten die e-mailwisseling in het geding te brengen nu dat voor de waarheidsvinding van het grootste belang is. Het is verweerder ook gebleken dat de deken het artikel voorafgaand in concept heeft ingezien en de inhoud dus kende voorafgaand aan publicatie. Op basis daarvan was geen enkele andere conclusie mogelijk dan dat het riooljournalistiek artikel een verzameling was van wilde sensationele verhalen die nooit, ook niet door de deken, op waarheid zijn gecontroleerd. Bovendien waren het artikel en de mededelingen van de deken niet van algemene aard, maar zeer negatief over verweerder. Het had op de weg van de deken gelegen om verweerder als advocaat in zijn arrondissement en nota bene de langst beëdigde en nog werkzame advocaat, die recentelijk door de voorganger van de deken is gekwalificeerd als een “gerespecteerd advocaat, met een lange staat van dienst”, in bescherming te nemen en eerst het noodzakelijke onderzoek c.q. hoor en wederhoor toe te passen voordat hij zou akkoord zou zijn gegaan met de publicatie van het artikel. De deken heeft hiermee in strijd gehandeld met artikel 2:4, 3:2, 3:4 lid 1 en 3:47 van de Algemene wet bestuursrecht en het zorgvuldigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel, fair-playbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.

4.12    Ten aanzien van de schending van het vertrouwensbeginsel heeft verweerder toegelicht dat de deken op onverwachte, onberekenbare wijze de rechtspositie van verweerder heeft aangetast. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hem door de voorgaande deken is toegezegd dat er, na het oordeel van de kantonrechter daarover, geen onderzoek zou plaatsvinden naar de vermeende ongeloofwaardige verklaring. Verweerder heeft verzocht om, als de raad dit niet volgt, de voormalige deken en zijn eigen advocaat als getuigen op te roepen om dit te bevestigen.

4.13    Er zijn verweerder geen verdere zaken bij de Huurcommissie bekend. Dat zijn er bovendien maar vier, terwijl verweerder in de tijd dat hij directeur van [MR] is geweest aan honderden studenten woonruimte heeft verhuurd. Er is dus maar één conclusie mogelijk, namelijk dat hij een zeer correcte verhuurbemiddelaar is geweest. Over de zaken die door de journalisten zijn aangereikt heeft verweerder al een duidelijk en helder standpunt ingenomen. Verweerder heeft gedragsregel 29 in het geheel niet overtreden. Verweerder heeft geen medewerking geweigerd en zeker niet botweg. Verweerder heeft duidelijk aangegeven waarom, verder dan verweerder gedaan heeft, medewerking niet mogelijk was. Dit heeft hij ook namens [MR] gedaan.

5    BEOORDELING
 

Toetsingskader

5.1    Uit het dekenbezwaar volgen diverse verwijten die enerzijds raken aan verweerders hoedanigheid van advocaat en anderzijds aan zijn hoedanigheid als (bestuurder van een) verhuurbemiddelaar dan wel aan (ander) handelen in privé.

Hoedanigheid van advocaat
 

5.2    Waar het dekenbezwaar ziet op verweerders optreden als advocaat, zal het volgende toetsingskader worden gehanteerd:
Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden, zoals onafhankelijkheid, (financiële) integriteit, partijdigheid en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. De deken vertegenwoordigt met het dekenbezwaar een algemener belang, waaronder het belang van bewaking en bevordering van de kwaliteit van de dienstverlening van de advocatuur. Voor de beoordeling van het dekenbezwaar wordt bij deze maatstaf aansluiting gezocht.

Overige hoedanigheden

5.3    Waar het dekenbezwaar ziet op verweerders handelen als verhuurbemiddelaar en in privé, zal het volgende toetsingskader worden gehanteerd:
Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook volledig gelden wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, terwijl er wel voldoende aanknopingspunten zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening van het beroep van advocaat. Zijn die aanknopingspunten er niet, of niet voldoende, dan beoordeelt de tuchtrechter slechts of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.

5.4    De raad zal hierna per klachtonderdeel aangeven welk toetsingskader van toepassing is.

Heeft de deken over kunnen gaan tot het instellen van een onderzoek naar verweerder?

5.5    Verweerder stelt zich op het standpunt dat de deken niet-ontvankelijk is in zijn dekenbezwaar, omdat de deken zonder signaal is overgegaan tot het doen van onderzoek naar verweerder en het indienen van een dekenbezwaar. Hij wijst in dat verband op de beslissing van het hof van discipline van 15 maart 2021 (ECLI:NL:TAHVD:2021:46, overweging 5.16 en verder) en de beslissing van de raad van discipline Arnhem-Leeuwarden van 14 september 2020 (ECLI:NL:TADRARL:2020:184).

5.6    De raad stelt vast dat de door verweerder aangehaalde beslissingen zien op de situatie waarin een deken een telefonisch signaal had ontvangen dat van de Raad van State zou zijn gekomen, maar dat hij niet had geverifieerd of dit signaal daadwerkelijk afkomstig was van de Raad van State. Daarbij kon de deken zich vervolgens ook niet herinneren waarop zijn besluit tot onderzoek was gebaseerd. Die deken was daarmee op lichtvaardige wijze omgegaan met een vermeend ‘signaal’. Het hof heeft op basis daarvan geoordeeld dat het optreden van de betreffende deken disproportioneel was.

5.7    Die situatie doet zich hier niet voor. De deken heeft concrete signalen ontvangen van journalisten van De Limburger over vermeende misstanden binnen de verhuurbemiddelingsactiviteiten van verweerder en zijn optreden als advocaat van [MR]. De deken heeft dat ook in heldere bewoordingen kenbaar gemaakt aan verweerder in zijn bericht van 28 mei 2024 om 10:18 uur (zie overweging 2.9). Het standpunt van verweerder dat er geen signaal was, volgt de raad dan ook niet. De deken heeft dit signaal vervolgens ook willen verifiëren door informatie op te vragen bij De Limburger en verweerder zelf, zoals hij in zijn bericht van 29 mei 2024 (zie overweging 2.12) in duidelijke bewoordingen heeft geschreven. Dat de deken op dat moment nog geen daadwerkelijk dossier zou hebben gevormd, acht de raad ook niet afdoen aan de mogelijkheid van de deken om onder die omstandigheden over te gaan tot het doen van onderzoek. Niet kan worden ingezien dat de deken disproportioneel heeft gehandeld bij het starten van zijn onderzoek, zodat er ook geen reden is om de deken niet-ontvankelijk te verklaren in het dekenbezwaar.

Is het dekenbezwaar te laat ingediend?

5.8    Verweerder heeft verder gesteld dat het gaat om kwesties die verjaard zijn. De raad vat dit op als een beroep op de vervaltermijn van artikel 46g, lid 1 onder a, van de Advocatenwet. Uit dit artikel volgt dat een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd. Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Dit geldt ook voor een dekenbezwaar, dat via artikel 46f van de Advocatenwet is ingediend.

5.9    De raad stelt vast dat de deken voor het eerst in mei 2024 kennis heeft gekregen van de feiten waarop het dekenbezwaar ziet. Het dekenbezwaar is ingediend op 21 januari 2025, dus ruim binnen de termijn van drie jaar. Dat het gaat om het vermeend handelen of nalaten van verweerder uit eerdere jaren, doet niet af aan de ontvankelijkheid van het dekenbezwaar. Voor zover verweerder bedoeld heeft dat hij geen documenten meer voorhanden zou hebben over die periode omdat de bewaringstermijn daarvoor zou zijn vervallen, is dat een verweer dat bij de inhoudelijke beoordeling besproken behoort te worden.

Geen medewerking verleend aan het onderzoek van de deken

Toepasselijk toetsingskader
 

5.10    Klachtonderdeel a) ziet op het niet verlenen van medewerking aan het onderzoek van de deken. Voor zover dit aan verweerder in zijn hoedanigheid van advocaat is verzocht, geldt het toetsingskader als bedoeld in overweging 5.2. Voor zover dit verweerder is verzocht als bestuurder en aandeelhouder van [MR], geldt het onder 5.3 genoemde toetsingskader. Daarbij ziet de raad voldoende aanknopingspunten met de praktijkuitoefening van verweerder, omdat dit onderzoek plaatsvindt binnen het tuchtrechtelijke onderzoek dat door de deken werd uitgevoerd. Zodoende geldt ook hierbij de volle toetsing en wordt aansluiting gezocht bij het toetsingskader zoals is weergegeven onder overweging 5.2.

5.11    Gedragsregel 29 luidt: “Bij een tuchtrechtelijk onderzoek, een verzoek om informatie van de deken dat met een mogelijk tuchtrechtelijk onderzoek verband houdt of een verzoek om medewerking op grond van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, is de betrokken advocaat verplicht alle gevraagde inlichtingen aanstonds aan de deken te verstrekken, zonder zich op zijn geheimhoudingsplicht te kunnen beroepen, behoudens in bijzondere gevallen.”

Beoordeling

5.12    Omdat de deken een onderzoek heeft mogen instellen naar verweerders handelen als advocaat en bestuurder van [MR], was verweerder via gedragsregel 29 (en hoofdstuk 5 van de Awb) gehouden om medewerking te verlenen aan dat onderzoek. De raad is van oordeel dat verweerder in die verplichting tekort is geschoten. Verweerder kan namelijk niet worden gevolgd in zijn stelling dat de informatie die de deken heeft opgevraagd zodanig onduidelijk was dat daaraan in het geheel geen opvolging kon worden gegeven. De deken heeft zijn verzoek gespecificeerd in zijn e mail van 28 mei 2024 en desgevraagd nader verduidelijkt op 3 juni 2024 en 24 juni 2024. Daarin heeft de deken concrete dossiers onder vermelding van zaaknummers, adressen en ECLI-nummers opgevraagd, evenals door De Limburger naar voren gebrachte facturen genoemd. Met betrekking tot die facturen heeft de deken bovendien aangegeven dat als verweerder niet weet welke facturen daarmee bedoeld worden, dat hij dan wenst te vernemen welke bedragen in de toekomst in rekening zullen worden gebracht. De raad is van oordeel dat de deken redelijkerwijs om deze informatie kon verzoeken, gelet op de door hem ontvangen signalen over het gedrag van verweerder.

5.13    Verweerder heeft daaraan geen opvolging gegeven, maar het gelaten bij zijn standpunt dat de deken geen onderzoek had mogen instellen, hoor en wederhoor had moeten laten plaatsvinden, dat hij niet meedoet aan de ‘fishing expedition’ van de deken en dat de deken schadeplichtig jegens hem zou handelen. Dat standpunt van verweerder is, onder verwijzing naar overwegingen 5.5 tot en met 5.7, onjuist. Verweerder had aan het onderzoek moeten meewerken. Verweerder heeft dan ook in strijd gehandeld met gedragsregel 29 door geen medewerking te verlenen aan het verzoek om informatie van de deken dat met een mogelijk tuchtrechtelijk onderzoek verband houdt of diens verzoek om medewerking op grond van artikel 5:20 van de Awb.

5.14    Klachtonderdeel a) is gegrond.

Is verweerder voldoende helder geweest over de hoedanigheid waarin hij handelde?

Toetsingskader
 

5.15    Klachtonderdeel b) ziet op de e-mailcorrespondentie die vanuit [MR] namens verweerder is verstuurd aan de advocaat van mevrouw N (zie overweging 2.33 en verder). Omdat in die e-mailcorrespondentie tweemaal de koppeling wordt gemaakt met verweerders hoedanigheid van advocaat, ziet de raad voldoende aanknopingspunten met zijn praktijkuitoefening om dit klachtonderdeel vol te toetsen, onder verwijzing naar het toetsingskader onder overweging 5.2. 

5.16    Daarbij betrekt de raad ook gedragsregel 9, die luidt:

1.    De advocaat dient tegenover zijn cliënt en in zijn contacten met derden ervoor zorg te dragen dat geen misverstand kan bestaan over de hoedanigheid waarin hij in een gegeven situatie optreedt.
2.    Ook wanneer hij niet in de hoedanigheid van advocaat optreedt dient hij zich zodanig te gedragen dat het vertrouwen in de advocatuur niet wordt geschaad.

Beoordeling
 

5.17    Verweerder wordt verweten ten minste tweemaal zijn hoedanigheid van advocaat te hebben gebruikt in correspondentie namens [MR]. Volgens de deken heeft verweerder daarmee verwarring gezaaid omtrent zijn hoedanigheid en heeft hij daarmee gedragsregel 9 geschonden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat dit per abuis is gebeurd door zijn nieuwe secretaresse en dat zij deze fout op behoorlijke wijze heeft rechtgezet. Ook acht hij de gemaakte fout van een te gering belang om daarvoor een dekenbezwaar te rechtvaardigen, aangezien fouten soms nu eenmaal worden gemaakt.

5.18    De raad stelt vast dat tweemaal door [MR] een bericht is verstuurd namens verweerder met vermelding van zijn beroep als advocaat, terwijl hij daarin niet handelde als advocaat. Daarmee is de onduidelijkheid ontstaan die nu juist volgens gedragsregel 9 dient te worden voorkomen. De raad is van oordeel dat dit verweerder ook kan worden aangerekend. Anders dan de deken aanvoert, wordt door de raad de verklaring van verweerder dat hij niet betrokken is geweest bij het versturen van de e mails niet ongeloofwaardig geacht. Dit laat echter onverlet dat verweerder wel verantwoordelijk blijft voor wat zijn medewerkers namens hem doen. Verweerder heeft kennelijk de keuze gemaakt om zijn medewerkers zowel werkzaamheden te laten verrichten voor zijn advocatenkantoor, als voor het verhuurbemiddelingsbedrijf. Daarbij zijn blijkbaar onvoldoende adequate voorzieningen getroffen om te waarborgen dat deze werkzaamheden van en namens verweerder strikt van elkaar zijn gescheiden. Zo heeft de secretaresse kennelijk de ondertekeningsmodus van het advocatenkantoor kunnen gebruiken vanaf het e-mailadres van [MR]. Bovendien kan dit leiden tot oneigenlijk gebruik, dan wel misbruik van de advocatentitel hetgeen door derden, zoals in dit geval huurders, mogelijk als intimiderend kan worden ervaren (vergelijk RvD Den Haag 11 augustus 2025, ECLI:NL:TADRSGR:2025:163 en RvD Amsterdam 6 januari 2025, ECLI:NL:TADRAMS:2025:4).

5.19    Verweerder heeft nog aangevoerd dat de berichten niet naar mevrouw V, maar naar haar advocaat zijn gestuurd. Dit doet er echter niet aan af dat verweerder onvoldoende heeft zorggedragen dat er geen misverstand kon bestaan over de hoedanigheid waarin hij optrad.

5.20    Klachtonderdeel b) is gegrond.

Het verlenen van rechtsbijstand aan [MR]

Toetsingskader
 

5.21    Klachtonderdeel c) ziet op de werkzaamheden die verweerder als advocaat heeft verricht voor [MR]. Dit zal de raad vol toetsen, onder verwijzing naar het toetsingskader uit overweging 5.2.

Beoordeling

5.22    De deken verwijt verweerder in strijd met de kernwaarde onafhankelijkheid te hebben gehandeld, door als advocaat op te treden voor [MR] terwijl hij daarbij indirecte financiële belangen had omdat [MR] hoofdzakelijk appartementen verhuurt die in eigendom zijn van zijn echtgenote (althans naar de raad begrijpt partner, aangezien verweerder ter zitting weersproken heeft getrouwd te zijn of te zijn geweest) en zijn zonen. De deken heeft daarbij gewezen op het standpunt van de (landelijke) Nederlandse Orde van Advocaten over rechtsbijstand aan familieleden. 

5.23    Zoals ook uit dat standpunt van de NOvA volgt, is er geen rechtsregel die bijstand aan familieleden verbiedt. De NOvA raadt dat echter af, omdat de kernwaarde onafhankelijkheid daardoor onder druk zou kunnen komen te staan. Het is aan de deken om omstandigheden aan te dragen die kunnen leiden tot het oordeel dat verweerder inderdaad onvoldoende onafhankelijk heeft gehandeld ten opzichte van de (indirecte) financiële belangen van zijn familie. De raad is van oordeel dat de deken daarin onvoldoende is geslaagd. Dat wordt als volgt toegelicht.

5.24    De raad stelt vast dat verweerder, voor zover dat is onderbouwd door de deken en anders dan door verweerder ter zitting is verklaard, éénmalig heeft opgetreden als advocaat van [MR]. Dit is gebeurd in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 13 januari 2021 (ECLI:NL:RBLIM:2021:321). De deken heeft niet aangetoond dat het verhuurde appartement dat in die procedure centraal stond, in eigendom was van verweerders familie. Zo is bijvoorbeeld geen uittreksel van het Kadaster overgelegd waaruit dit blijkt. Het klachtonderdeel is in zoverre onvoldoende onderbouwd. De deken heeft geen verdere omstandigheden aan dit klachtonderdeel ten grondslag gelegd, zodat de raad klachtonderdeel c) ongegrond zal verklaren.

Verhuurbemiddelingsactiviteiten van verweerder

Toetsingskader

5.25    Klachtonderdeel d) ziet op de handelingen van verweerder namens/als bestuurder en aandeelhouder van [MR]. Daarbij zijn geen aanknopingspunten met de praktijkvoering van verweerder. De raad zal daarom het beperkte toetsingskader hanteren uit overweging 5.3.

Beoordeling

5.26    De deken verwijt verweerder, onder verwijzing naar de vier verklaringen van studenten, dat hij zich stelselmatig intimiderend en bedreigend heeft gedragen ten opzichte van jonge buitenlandse studenten die via [MR] een appartement hebben gehuurd. Volgens de deken heeft verweerder door dit herhaaldelijke gedrag het vertrouwen in de advocatuur geschaad. Ditzelfde geldt voor zover [MR] het niet nauw heeft genomen met de regels rondom het verhuren van woningen. De deken wijst op de vonnissen van de rechtbank en uitspraken van de Huurcommissie, waaruit volgt dat gepoogd is om verboden bemiddelingskosten in rekening te brengen bij huurders, er valse huurovereenkomsten zijn opgesteld met een lagere huurprijs om in aanmerking te komen voor de huurtoeslag, dat betaling van het verschil in contanten werd gevraagd en het in rekening brengen van te hoge huurprijzen.

5.27    Verweerder heeft betwist dat hij zich onheus heeft gedragen tegenover studenten. Hij heeft er verder op gewezen dat hij, in de periode waarop de vonnissen van de rechtbank en de uitspraken van de Huurcommissie zien, geen bestuurder of aandeelhouder was van [MR] en dit hem dus niet kan worden aangerekend. 

5.28    De raad kan op basis van het dossier en gelet op de betwisting door verweerder niet met voldoende zekerheid vaststellen dat hetgeen door de studenten is verklaard, daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Daarbij wordt niet bedoeld dat aan de verklaringen van de studenten geen waarde wordt gehecht, maar dat er meer nodig is om feitelijk vast te kunnen stellen wat er (onder meer) op het kantoor van verweerder heeft plaatsgevonden. De raad kan dan ook niet concluderen dat verweerder hiermee het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. 

5.29    Verder heeft de deken onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verweerder daadwerkelijk betrokken is geweest bij de gestelde overtredingen van de regels rondom het verhuren van appartementen door [MR]. Verweerder heeft onder verwijzing naar het Handelsregister weersproken betrokken te zijn geweest bij [MR] in de periode waarover die vonnissen en uitspraken gaan, omdat hij toen geen bestuurder of aandeelhouder was. Evenmin acht de raad voldoende aangetoond dat verweerder in de betreffende periode als feitelijk leidinggevende van [MR] kan worden beschouwd. Hoewel de verklaringen van de studenten, gesterkt door de omstandigheid dat [MR] op hetzelfde adres gevestigd is als verweerders advocatenkantoor, kunnen duiden op mogelijke betrokkenheid van verweerder bij [MR], is dat door de raad niet met voldoende zekerheid vast te stellen. 

5.30    De raad betrekt hierbij nog wel dat het verweerder kan worden aangerekend dat hij geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek van de deken, zoals eerder bij klachtonderdeel a) is geoordeeld. Dat heeft voor de beoordeling van dit onderdeel van het dekenbezwaar echter geen gevolgen. De deken heeft de keuze gemaakt om klachtonderdeel d) gelijktijdig met klachtonderdeel a) in een dekenbezwaar naar voren te brengen, terwijl hij daartoe niet verplicht was. Dat het dekenbezwaar op dit punt onvoldoende is onderbouwd, komt dus voor zijn risico.

5.31    Klachtonderdeel d) is ongegrond.

Het afleggen van een ongeloofwaardige verklaring

Toetsingskader

5.32    Klachtonderdeel e) gaat over het onder ede afleggen van een verklaring door verweerder die door de rechter als ongeloofwaardig is beoordeeld. Verweerder heeft de betreffende verklaring afgelegd in privéhoedanigheid, zonder dat daarbij aanknopingspunten zijn te maken met zijn praktijkuitoefening. De raad zal daarom het beperkte toetsingskader uit overweging 5.3 hanteren bij de hiernavolgende beoordeling.

Beoordeling

5.33    De raad stelt vast dat door zowel de kantonrechter als door het gerechtshof, met afwijkende motiveringen, is geoordeeld dat verweerder onder ede een ongeloofwaardige verklaring heeft afgelegd.

5.34    Wat betreft het oordeel van de kantonrechter, heeft verweerder ter zitting naar voren gebracht dat hem door de voorgaande deken is toegezegd dat er door de voormalige deken geen onderzoek zou worden ingesteld naar verweerder over die betreffende verklaring. Volgens hem is daarom sprake van een schending van het ne bis in idem-beginsel (de raad begrijpt: het vertrouwensbeginsel). De (huidige) deken heeft dit betwist. Van een dergelijke toezegging is niets vastgelegd en in aanloop naar de zitting van 8 december 2025 is hij door de voormalige deken ook op geen enkele manier geïnformeerd over een toezegging. De deken heeft er daarbij op gewezen dat ook het gerechtshof heeft geoordeeld dat verweerder ongeloofwaardig heeft verklaard, op basis van andere feiten en omstandigheden. Als er al van een toezegging sprake zou zijn, dan geldt dit dus niet voor zover het verwijt ziet op de verklaring bij het gerechtshof.

5.35    De raad kiest ervoor zich niet uit te spreken over de vermeende toezegging van de deken ten aanzien van het vonnis van de kantonrechter, De raad zal uitsluitend een oordeel geven met betrekking tot de door verweerder afgelegde verklaring bij het gerechtshof. De raad stelt vast dat (ook) het gerechtshof tot de conclusie is gekomen dat verweerder ongeloofwaardig heeft verklaard, terwijl hij onder ede stond. Dat oordeel van het gerechtshof is begrijpelijk en bovendien afkomstig van een meervoudige kamer. Verweerder heeft nadien ook geen afstand genomen van de door hem afgelegde verklaring. Een advocaat kan het zich, ook in privéhoedanigheid, niet permitteren om onder ede een ongeloofwaardige verklaring af te leggen. Daarmee wordt het vertrouwen in de advocatuur geschaad. Klachtonderdeel e) is om die reden gegrond.

Conclusie

5.36    Klachtonderdelen a), b) en e) zijn gegrond. Klachtonderdelen c) en d) zijn ongegrond.

6    MAATREGEL

6.1    Verweerder heeft het onderzoek van de deken gefrustreerd door geen opvolging te geven aan diens verzoeken om informatie op grond van gedragsregel 29 en artikel 5:20 van de Awb. Doorgaans acht de raad dit al hoogst kwalijk, maar de wijze waarop verweerder zich in het kader van het onderzoek tegenover de deken heeft opgesteld is meer dan onbehoorlijk. Verweerder heeft zich neerbuigend uitgelaten over de deken en de aanval gekozen door de deken te verwijten niet integer, onwelwillend en schadeplichtig jegens hem te handelen, terwijl de deken terecht gebruik maakte van de aan hem toekomende bevoegdheden. (Mede) ter zitting heeft verweerder daar een schep bovenop gedaan, door afwijkende standpunten van de deken weg te zetten als leugens en door zijn verweer op de persoon en niet het ambt van de deken te betrekken. Verweerder heeft de deken voorts het volgende verweten: gretige ijdeltuiterij, arrogantie, machtswellust, persgeilheid, het stellen van onbegrijpelijkere vragen dan een ‘eerste klas mavo-student’ zou doen en dat hij ongekwalificeerd en incapabel is. Daarbij heeft hij de deken als een karikatuur willen wegzetten door aan te geven dat hij zelfs voor de deken uitkijkt als hij ergens heen fietst of geen ijsje meer durft te eten uit angst dat de deken een dekenbezwaar zou indienen omdat hij daar verkeerd aan zou likken. Het is de raad daarmee gebleken dat verweerder geen, of in elk geval onvoldoende respect toont richting het ambt van de deken als toezichthouder binnen de beroepsgroep waartoe verweerder behoort, hetgeen de raad hem zeer kwalijk neemt. Zo wijst de raad ter illustratie ook op verweerders verklaring ter zitting dat ‘zo lang deze meneer er zit, zal het nooit mijn deken zijn’. Verweerder mag (zeer) kritisch zijn met betrekking tot diens functioneren, maar daarbij dient hij in zijn uitingen wel discreet, eerlijk en waardig te zijn in overeenstemming met de ‘ethics of the legal profession’ (zie EHRM 30 november 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:1130JUD001080704, Veraart/Nederland). De wijze waarop verweerder zich heeft opgesteld jegens en uitgelaten over (de persoon van) de deken in aanloop naar en tijdens de mondelinge behandeling van het dekenbezwaar, heeft laten zien dat verweerder daarmee niet in overeenstemming heeft gehandeld.

6.2    In het verlengde daarvan weegt de raad ook de houding van verweerder jegens de tuchtrechtspraak mee. Aan verweerder is door (de voorzitter van) (de wrakingskamer van) de raad van discipline Arnhem-Leeuwarden een ‘wrakingsverbod’ opgelegd, omdat hij misbruik van dat middel heeft gemaakt. Het is uitzonderlijk als een dergelijk oordeel wordt gegeven richting een advocaat. De raad weegt daarin mee dat verweerder zijn verzoeken zeer kort voor dan wel aan het begin van de behandeling van het dekenbezwaar heeft ingediend en dat dit niet anders kan worden gezien dan als een poging om een voortvarende behandeling van het dekenbezwaar onmogelijk te maken. Van een integer handelend advocaat wordt anders verwacht. 

6.3    Daar komt bij dat verweerder het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad door tegenover de meervoudige kamer van het gerechtshof, terwijl hij onder ede stond, ongeloofwaardig te verklaren. Rechters dienen te kunnen vertrouwen op het woord van een advocaat. Het onder ede afleggen van ongeloofwaardige verklaringen, ook al gebeurt dat in privé, schaadt het vertrouwen in verweerder, 

6.4    De raad acht het gelet op de ernst van het handelen van verweerder en het gebrek aan enig getoond inzicht in zijn laakbaar handelen – verweerder heeft ter zitting vooral gesproken over een heksenjacht door de deken en door de ‘riooljournalisten’ tegen hem en zijn familie, omdat het niet leuk wordt gevonden dat zij financieel succesvol zijn – acht de raad een forse maatregel nodig om verweerder te doen inzien dat zijn handelen niet door de beugel kan. De opstelling van verweerder jegens de deken, het onder ede ongeloofwaardig verklaren en het frustreren van het dekenonderzoek vormen voor de raad dan ook reden om een onvoorwaardelijke schorsing op te leggen. De raad zal verweerder schorsen in de praktijkuitoefening voor de duur van twaalf weken. 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 

7.1    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

b) € 500,- kosten van de Staat. 

7.2    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.


BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdelen a), b) en e) gegrond;

-    verklaart klachtonderdelen c) en d) ongegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van schorsing voor de duur van twaalf weken op;

-    bepaalt dat de onderhavige schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen, 

-     verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat

-     de onderhavige schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.2.


Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, mrs. M.J. Hoekstra en M.M.C. van de Ven, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026.


Griffier    Voorzitter



Verzonden op: 26 januari 2026