ECLI:NL:TADRSGR:2026:86 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-658/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:86 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-04-2026 |
| Datum publicatie: | 29-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-658/DH/RO |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 20 april 2026
in de zaak 25-658/DH/RO
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter
van de raad van discipline van 3 december 2025 op de klacht van:
klaagster
over:
mr. E.A.C. van de Wiel
in haar hoedanigheid van deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 26 mei 2025 heeft klaagster bij de voorzitter van het Hof van Discipline
een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Bij beslissing van 12 juni 2025 heeft de voorzitter van het Hof van Discipline
de klacht voor onderzoek en afhandeling verwezen naar de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Rotterdam.
1.3 Op 26 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/089
van de Rotterdamse deken ontvangen.
1.4 Bij beslissing van 3 december 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van
de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
1.5 Op 3 december 2025 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van
de voorzitter.
1.6 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 9 maart 2026. Klaagster
en verweerster hebben daarin digitaal deelgenomen.
1.7 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
a) De voorzittersbeslissing berust op een onjuiste en onvolledige vaststelling
van de feiten, een ongenuanceerde overname van de lezing van de deken en een toetsingskader
dat onvoldoende aansluit bij artikel 46 van de Advocatenwet en de eisen die gelden
voor een zorgvuldig uitgevoerd dekenaal onderzoek.
b) Ten onrechte vermeldt de voorzittersbeslissing dat klaagster tijdens een telefoongesprek
op 18 september 2023 zou hebben verklaard geen behoefte te hebben aan een oordeel
van de deken. Dat gesprek heeft nooit plaatsgevonden.
c) Ook is een te beperkt toetsingskader gehanteerd, omdat artikel 46 van de Advocatenwet
veel meer omvat dan reputatieschade. Zo ziet het ook op zorgvuldigheid, integriteit,
informatieverstrekking en professioneel handelen. Op grond van artikel 46c van de
Advocatenwet moet de deken een onderzoek ‘naar behoren’ uitvoeren. De voorzitter heeft
dit gereduceerd tot één criterium.
d) Tot slot heeft klaagster nader toegelicht waarom haar klacht op de diverse
onderdelen gegrond verklaard moet worden.
2.2 Tegen de overige vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klaagster
in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
dat de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klaagster aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. In redelijkheid
hoeft niet te worden betwijfeld dat de beslissing van de voorzitter juist is.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. W. Knoester, W.R. Arema, D. Rijpma en G. Sarier, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 20 april 2026