ECLI:NL:TADRSGR:2026:84 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-733/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:84 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-04-2026 |
| Datum publicatie: | 15-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-733/DH/RO |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over uitlatingen van de advocaat van de wederpartij. Verweerster heeft klager, in een complexe en gevoelige familiezaak over de omgang met zijn dochter, beschuldigd van het met de dood bedreigen van een hulpverleenster. Deze stellingname van verweerster is alleen gebaseerd op de uitlatingen van haar cliënte en is niet verder onderbouwd. Verweerster had klager niet op deze stellige wijze, en zonder onderbouwing, mogen beschuldigen van het met de dood bedreigen van een hulpverlener. Verweerster heeft zich daarvan geen rekenschap gegeven en zich met deze uitlating onnodig grievend over klager uitgelaten. Daarmee heeft verweerster de betrekkingen tussen partijen onnodig geëscaleerd en onvoldoende rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van klager. Berisping. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 13 april 2026 in de zaak 25-733/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
gemachtigde: mr. M.A. van der Pool
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 10 juni 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 23 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/099
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 2 maart 2026. Daarbij
waren klager, verweerster en de gemachtigde van verweerster aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 14. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de e-mails met bijlage(n) van de gemachtigde van verweerster van 17 november 2025
en 19 februari 2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager is getrouwd geweest met mevrouw H. Uit dit huwelijk heeft klager een
zoon (P). Klager heeft vervolgens een relatie gehad met mevrouw L. Uit deze relatie
is een dochter (F) geboren. L heeft twee kinderen uit een eerdere relatie.
2.3 Op 8 januari 2024 heeft er een politie-inval plaatsgevonden in de woning
van klager en L. Klager is daarbij gearresteerd op verdenking van poging tot uitlokking
moord op H. Twee van de kinderen waren bij de inval aanwezig.
2.4 De relatie tussen klager en L is vervolgens geëindigd.
2.5 Bij brief van 2 februari 2024 is klager door de officier van justitie geïnformeerd
over het sepot in zijn zaak.
2.6 Klager en L zijn verwikkeld geraakt in een procedure over onder meer ondertoezichtstelling
en gezag en omgang betreffende hun dochter F. Verweerster staat L bij.
2.7 Op 13 februari 2024 heeft verweerster haar concept pleitnota in het kader
van een mondelinge behandeling in deze procedure aan L gestuurd. L heeft diezelfde
dag gereageerd en onder meer geschreven:
“4. Nadat zij eerder door [klager] is bedreigd met de dood. Deze hulpverleenster
zit thuis met camera bewaking.”
2.8 Op 14 februari 2025 heeft de rechtbank de zaak mondeling behandeld. Verweerster
heeft in haar pleitnota (bij punt 4) geschreven:
“Een andere hulpverlener die bij [P] betrokken is geweest heeft zelfs tegen de vrouw
gezegd dat zij geen verklaring wil afgeven omdat zij kiest voor haar eigen veiligheid.
Deze hulpverleenster zit thuis met camera bewaking, nadat zij met de dood is bedreigd
door de man.”
Uit het proces-verbaal van de zitting volgt dat L heeft verklaard: “Toen ik afgelopen
week een hulpverlener heb benaderd zei zij dat ze niet durfde te verklaren vanwege
haar veiligheid.” Verweerster heeft ter zitting verklaard dat zij de appjes heeft
gelezen van de hulpverleenster die zegt dat ze voor haar eigen veiligheid kiest en
dat verweerster dat niet zo maar verzonnen heeft.
2.9 Op 4 maart 2025 heeft klager de voorzitter van de raad van bestuur (hierna:
de voorzitter) van de zorginstantie waar de betreffende hulpverleenster werkzaam is,
benaderd over de hiervoor genoemde passage in verweersters pleitnota.
2.10 Op 11 april 2025 heeft de voorzitter aan klager onder meer geschreven dat
uit onafhankelijk onderzoek volgt dat er geen contact is geweest tussen de hulpverleenster
en derden na de eerder door klager geuite klacht. Ook schrijft de voorzitter:
“Tevens is aan mij bevestigd dat onze hulpverlener niet heeft aangegeven “dat zij
zich met de dood bedreigd heeft gevoeld”. Dat zijn niet haar woorden. Haar uiting
had betrekking op de gehele situatie waarin ze haar veiligheid niet geborgd zag en
zich “onveilig” heeft gevoeld.”
2.11 Op 25 april 2025 heeft klagers advocaat verweerster geïnformeerd over het
contact met de voorzitter en het door de zorginstantie gedane onderzoek. Zij heeft
laten weten dat klager bereid is af te zien van het indienen van een klacht bij de
deken, wanneer verweerster de kwestie rectificeert richting de rechtbank en bevestigt
dat zij zich in de toekomst zal onthouden van het poneren van dergelijke stellingen.
2.12 Op 20 mei 2025 heeft verweerster gereageerd en zich op het standpunt gesteld
dat zij heeft gehandeld binnen de tuchtrechtelijke grenzen. Verweerster heeft geschreven:
“Mijn cliënte heeft de informatie die ik heb opgenomen in de pleitnota mondeling
vernomen. Daarnaast beschik ik over bewijsstukken dat er in 2025 nog contact is geweest
met de betreffende medewerker.”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster het volgende:
a) Verweerster heeft zich onjuist en onnodig grievend uitgelaten over klager
door te stellen dat hij een (jeugd)hulpverlener met de dood heeft bedreigd.
3.2 Klager stelt dat hij mondeling noch schriftelijk enige bedreiging heeft geuit
tegen deze hulpverleenster. De bestuursvoorzitter van de organisatie waar de hulpverleenster
werkzaam is heeft per e-mail aan klager laten weten dat de hulpverleenster niet heeft
aangegeven ‘dat zij zich met de dood bedreigd heeft gevoeld.’ Verweerster heeft deze
onnodig grievend bewoording zonder enige feitelijke onderbouwing gepresenteerd.
3.3 Klager heeft de raad verzocht de klacht gegrond te verklaren, vast te stellen
dat verweerster in strijd heeft gehandeld met wat een behoorlijk advocaat betaamt,
aan verweerster (minimaal) een berisping op te leggen en als herstelmaatregel op te
leggen dat verweerster binnen 14 dagen een schriftelijke rectificatie deponeert in
het relevante familierechtelijke dossier.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Zij heeft aangegeven dat
haar cliënte haar heeft verzocht de betreffende passage aan te passen naar de tekst
waarover wordt geklaagd. Verweerster stelt bewijstukken te hebben die een en ander
onderbouwen, maar zij vindt het lastig deze stukken in te brengen gezien haar geheimhoudingsplicht.
Zij heeft zich voldoende ervan vergewist dat de tekst klopte. De rechter heeft de
vrouw over de betreffende passage bevraagd en de vrouw heeft herhaald wat in de aantekeningen
was opgenomen. Zij wijst ook op de e-mail van haar cliënte van 13 februari 2025.
4.2 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
5.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat
de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid
worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting
als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij
in iedere zaak afwegen:
- het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
- het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
- het verloop van het geschil tot dan toe en
- de kans op succes van de procedure.
Beoordeling
5.3 De klacht ziet er op dat verweerster ter zitting heeft gesteld dat klager
een hulpverleenster met de dood heeft bedreigd. Dat is een vergaande stelling die
verweerster als feit heeft geponeerd, terwijl zij die stelling op geen enkele wijze
heeft onderbouwd. Verweerster verwijst naar de instructie van haar cliënte (de e-mail
van 13 februari 2025). Zij stelt verder dat zij (WhatsApp-)berichten tussen haar cliënte
en de hulpverleenster heeft gezien. Die berichten heeft verweerster echter niet overgelegd.
Zij heeft evenmin enige andere onderbouwing verstrekt. Een verwijzing naar klagers
e-mail van 4 maart 2025 kan haar niet baten, omdat daaruit niet blijkt van meerdere
bronnen van de gewraakte uitlating. Dit nog los van het feit dat deze e-mail van enkele
weken na de zittingsdatum is en dat de voorzitter uitdrukkelijk heeft laten weten
dat de hulpverleenster niet heeft aangegeven zich met de dood bedreigd te hebben gevoeld.
5.4 Daarmee komt het de raad voor dat verweerster haar stelling feitelijk alleen
heeft gebaseerd op de uitlatingen van haar cliënte. Hoewel een advocaat in beginsel
mag afgaan op de juistheid van de uitlatingen van de cliënt, is een dergelijk vergaand
en ernstig verwijt (het met de dood bedreigen) een uitzondering die maakt dat terughoudendheid
en nader onderzoek (naar objectieve bronnen) nodig is, temeer nu het hier gaat om
een familierechtkwestie waarin ook de belangen en het welzijn van de kinderen een
(belangrijke) rol spelen. Verweerster is hierin tekort geschoten. Zij had klager niet
op deze stellige wijze, en zonder onderbouwing, mogen beschuldigen van het met de
dood bedreigen van een hulpverleenster. Verweerster heeft zich met deze uitlating
onnodig grievend over klager uitgelaten en onvoldoende rekening gehouden met zijn
gerechtvaardigde belangen. De klacht is dan ook gegrond.
5.5 In het kader van een tuchtrechtelijke procedure als de onderhavige is voor
de door klager verzochte herstelmaatregel (zie 3.3) in de vorm van een verplichte
schriftelijke rectificatie geen plaats. Klager zal zich daarvoor tot de civiele rechter
moeten wenden. De raad zal dit verzoek om die reden afwijzen.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerster heeft klager, in een complexe en gevoelige familiezaak over de
omgang met zijn dochter, in een processtuk en ter zitting van de rechtbank beschuldigd
van het met de dood bedreigen van een hulpverleenster. Deze stellingname van verweerster
is alleen gebaseerd op de uitlatingen van haar cliënte en is niet verder onderbouwd.
Verweerster had klager niet op deze stellige wijze, en zonder onderbouwing, mogen
beschuldigen van het met de dood bedreigen van een hulpverlener. De uitlatingen van
de cliënte van verweerster ter zitting lopen met deze ernstige beschuldiging ook niet
in de pas. Verweerster heeft zich daarvan geen rekenschap gegeven en zich met deze
uitlating onnodig grievend over klager uitgelaten. Daarmee heeft verweerster de betrekkingen
tussen partijen onnodig geëscaleerd en onvoldoende rekening gehouden met de gerechtvaardigde
belangen van klager. Dit terwijl klager verweerster na de desbetreffende zitting uitdrukkelijk
de mogelijkheid heeft gegeven om ervoor te kiezen op haar uitlating terug te komen,
in welk geval hij bereid was af te zien van het indienen van een klacht.
6.2 De raad is van oordeel dat een berisping nodig is, gezien de ernst en stelligheid
van de door verweerster gedane uitlating en het gebrek aan inzicht in de laakbaarheid
van haar handelen waarin zij tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft
volhard.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerster op grond van
artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan
hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden.
Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer
schriftelijk aan verweerster door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klager,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat
deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen
twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster
door.
7.4 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder
b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A,
Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling
raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan
de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór
bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, voorzitter, mrs. M.M. van Wijk en C.J. van Weering, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 13 april 2026