ECLI:NL:TADRSGR:2026:82 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-576/DH/DH 25-577/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:82 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-04-2026 |
| Datum publicatie: | 15-04-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 13 april 2026 in de zaken 25-576/DH/DH en 25-577/DH/DH
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad
van discipline van 22 oktober 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 26 november 2022 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster
(K252 2022, bij de raad bekend al 25-577/DH/DH).
1.2 Klager heeft het griffierecht in deze zaak niet tijdig betaald, waarop de
deken het dossier heeft gesloten.
1.3 Op 23 mei 2025 heeft klager bij de deken opnieuw een klacht ingediend over
verweerster (K122 2025, bij de raad bekend als 25-576/DH/DH).
1.4 Op 7 augustus 2025 heeft de raad de beide klachtdossiers van de deken ontvangen.
1.5 Bij beslissing van 22 oktober 2025 heeft de voorzitter van de raad (hierna
ook: de voorzitter) de beide klachten kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Deze
beslissing is diezelfde dag verzonden aan partijen.
1.6 Op 30 oktober 2025 heeft klager gemotiveerd verzet ingesteld tegen de beslissing
van de voorzitter.
1.7 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 2 maart 2026. Daarbij
waren klager en verweerster aanwezig.
1.8 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift. Ook heeft de raad kennis genomen van de e-mail en nagezonden
stukken van klager van 7 december 2026.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager zich
met de beslissing van de voorzitter en de gronden waarop deze berust, niet kan verenigen.
Klager heeft onder meer aangevoerd:
2.2 In zaak 25-577/DH/DH: dat het niet betalen van griffiegeld het klachtrecht
niet in de weg staat en dat hij de procedure bij de deken heeft opgeschort vanwege
de vele fouten bij de deken. Alles duidt op ernstige fraude.
2.3 In zaak 25-576/DH/DH: dat hij het tuchtrecht (bedoeld zal zijn: griffierecht)
heeft betaald. De tweede procedure was niet gericht tegen verweerster, maar tegen
de dekens en de rechtspraak die de klachten niet behandelden. Klager heeft maar eenmaal
over verweerster geklaagd. Er wordt niet gemotiveerd waarom de rechtszekerheid eraan
in de weg staat dat zijn klachten in behandeling worden genomen
2.4 Met betrekking tot de misbruik van recht-bepaling: Het is de rechtspraak
die misbruik maakt van recht door steeds de feiten en klachten te verduisteren. Het
is privacy schending van de raden om die informatie te delen.
2.5 Tegen de vaststaande feiten komt klager in verzet niet op.
3 FEITEN
3.1 Voor de vaststaande feiten verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee
hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter
juist is.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
4.4 Ten overvloede overweegt de raad nog dat de argumenten van klager geen enkele
aanleiding geven voor de conclusie dat het in oktober 2020 aan klager gegeven cassatieadvies
van verweerster onjuist of onzorgvuldig zou zijn en evenmin dat dit advies ontijdig
zou zijn afgegeven.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, voorzitter, mrs. M.M. van Wijk en C.J. van Weering, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 13 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 13 april 2026