ECLI:NL:TADRSGR:2026:80 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-439/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:80 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-04-2026 |
| Datum publicatie: | 15-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-439/DH/RO |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de communicatie in een zaak tegen het UWV. Verweerder is op meerdere momenten tekortgeschoten in zijn communicatie met klaagster. Hij heeft haar pas twee dagen voor de zitting op de hoogte gesteld van de zitting en heeft onfatsoenlijk gereageerd op haar terechte vragen naar de uitspraak. Verweerder heeft zijn excuses aangeboden. Waarschuwing. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 13 april 2026min de zaak 25-439/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 25 januari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 3 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/065 van
de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 3 november 2025. Daarbij
waren klaagster en verweerder aanwezig. De behandeling ter zitting is aangehouden,
om klaagster in de gelegenheid te stellen een second opinion te laten uitvoeren. Van
de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 Op 31 januari 2026 heeft klaagster de second opinion (gedateerd 23 januari
2026) aan de raad gestuurd. De raad heeft partijen in de gelegenheid gesteld daar
schriftelijk op te reageren. De raad heeft vervolgens aan partijen bericht dat uitspraak
zal worden gedaan.
1.5 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 34. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de onder 1.4 genoemde second opinion en de reacties daarop van klaagster van 12
februari 2026 en van verweerder van 6 maart 2026.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster heeft met bijstand van een andere advocaat (een voormalig kantoorgenoot
van verweerder) geprocedeerd tegen het UWV over de afwijzing van haar WIA-uitkering.
Bij uitspraak van 29 augustus 2022 is klaagster in het ongelijk gesteld. Verweerder
heeft klaagster vervolgens bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bijgestaan in het
hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 29 augustus 2022.
2.3 Op 20 november 2023 heeft verweerder een aanvullend beroepschrift ingediend
bij de CRvB. Klaagster heeft op dat moment geen afschrift ontvangen.
2.4 Op 21 maart 2024 is er na(ar aanleiding van) de toezending aan klaagster
van het verweerschrift van het UWV een bespreking geweest tussen klaagster en verweerder,
waarbij de zaak inhoudelijk is besproken.
2.5 Op 29 maart 2024 heeft verweerder de vooraankondiging van de zitting (nog
zonder tijdstip) ontvangen. Op 17 mei 2024 heeft verweerder de oproep voor de zitting
van 26 juni 2024 ontvangen.
2.6 Op 3 juni 2024 heeft klaagster per mail bij verweerder geïnformeerd of er
al een zittingsdatum bekend is. Daarop is niet gereageerd. Op 10 juni 2024 heeft klaagster
een herinnering gestuurd.
2.7 Op 24 juni 2024 heeft verweerder per mail gereageerd en meegedeeld dat de
zitting over twee dagen (op 26 juni 2024) zal worden gehouden. Diezelfde dag is het
aanvullend beroepschrift van 20 november 2024 aan klaagster gestuurd. Klaagster en
verweerder hebben vervolgens per e-mail en telefonisch contact over de zitting gehad.
2.8 Op 26 juni 2024 is de zitting bij de CRvB. Aan het eind van de zitting is
aangekondigd dat de uitspraak in beginsel over zes weken (op 7 augustus 2024) zou
worden gedaan.
2.9 Bij brief van 8 augustus 2024 heeft de CRvB de uitspraak per aangetekende
post aan verweerder toegestuurd. Verweerder heeft de brief op 16 augustus 2024 ontvangen.
2.10 Op zondag 18 augustus 2024 om 16:07 uur stuurt klaagster per e-mail aan
verweerder: “‘hoop dat u niet wederom vergeten bent mij te informeren’”.
2.11 Op 19 augustus 2024 om 22:44 uur stuurt klaagster via WhatsApp aan verweerder:
“Fijn dat je reageert op mijn mail”
Vervolgens zijn direct daarna tussen klaagster en verweerder de volgende berichten
gewisseld:
Verweerder: “Een email van zondag. Een whatsapp om 22.30 uur. In mijn vakantie.
Dus. Als u het niet erg vindt ga ik morgen eens kijken. Maar zeker niet op dit tijdstip.”
Klaagster: “Weet ik toch niet. Maar uw assistente dan?”
Verweerder: “U weet niet dat ik niet op zondag werk? Of niet op dit tijdstip?”
Klaagster: “Heel vreemd dit?”
Verweerder: “Dus. Morgen zal ik voor u kijken. Een reactietermijn van een dag
is ook buiten de vakantie echt niet gek. Nu ga ik even aandacht geven aan andere zaken.”
Klaagster: “Oh toch wel? U had ook vanmorgen op kantoortijd kunnen kijken. Uw
reactie zegt genoeg…”
Verweerder: “Uw handelswijze ook. En nu klaar. Ik ga morgen voor u kijken.”
Klaagster: “Fijn! Helaas moet ik er wederom naar vragen.”
Verweerder: “En nu ga ik u blokkeren. Dit is volkomen ongepast.”
2.12 Bij e-mail van 20 augustus 2024 heeft verweerder een uitspraak in een ander
dossier aan klaagster gestuurd. Klaagster heeft verweerder daarop laten weten dat
niet de juiste uitspraak is meegestuurd. Verweerder heeft daarop als volgt gereageerd:
“Ik verzoek u deze mail te verwijderen. Zo ziet u. Haastig spoed… Ik zal zodra ik
in de gelegenheid ben de juiste beschikking sturen.”
2.13 Later die dag heeft verweerder de juiste beschikking aan klaagster gestuurd,
waarbij hij schrijft:
“Het is zeer betreurenswaardig dat u een beschikking heeft ontvangen die niet voor
u bestemd was. Dit kwam door een menselijke fout bij de interne naamgeving van het
document, die onbedoeld is doorgevoerd bij het met spoed verzenden aan u van de beschikking.
(…)
U zou inmiddels de juiste e-mail met de correct bijlagen moeten hebben ontvangen.”
2.14 Op 16 december 2024 heeft klaagster bij het kantoor een (interne) klacht
ingediend tegen verweerder. In reactie daarop heeft verweerder erkend dat het aanvullend
beroepschrift te laat aan klaagster is toegezonden, zij te laat is geïnformeerd over
de zittingsdatum en dat de (juiste) uitspraak eerder aan klaagster had moeten worden
toegezonden. Verweerder heeft daarbij een toelichting gegeven op zijn persoonlijke
omstandigheden die een verklaring, maar geen rechtvaardiging, voor deze handelswijze
vormen. Verweerder heeft daarbij excuses aangeboden en heeft laten weten voor zijn
werkzaamheden geen eigen bijdrage in rekening te brengen.
2.15 Bij brief van 17 januari 2025 heeft klachtenfunctionaris mr. V gereageerd
op de klacht. Daarin is vastgesteld dat de communicatie in dit dossier niet goed is
verlopen en dat beter gecommuniceerd had moeten worden over de zittingsdatum.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder het volgende:
a) Verweerder heeft klaagster te laat op de hoogte gesteld van de zitting van
26 juni 2024. De zitting is niet voorbereid. Klaagster kreeg enkel het beroepschrift
doorgemaild.
b) Verweerder heeft op 19 augustus 2024 allesbehalve professioneel gereageerd.
Hij heeft klaagster onjuist bejegend.
c) Verweerder stuurde vervolgens een verkeerde beschikking mee die niet voor
klaagster bestemd was. Uiteindelijk volgde een soort excuus-mail van verweerder, maar
nog steeds werd geen verantwoording genomen voor de handelwijze c.q. gemaakte fouten.
3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft erkend dat de administratieve afhandeling van de zaak niet
goed is verlopen. Verweerder heeft klaagster onvoldoende op de hoogte gebracht van
de voortgang van zijn werkzaamheden, haar te laat op de hoogte gebracht van de zitting(sdatum)
en niet onmiddellijk toen hij daar kennis van had kunnen nemen de uitspraak aan haar
doorgestuurd. De klacht van klaagster is op die punten terecht. Het is niet verweerders
intentie geweest om klaagster onheus te bejegenen rondom het toezenden van de uitspraak.
Verweerder constateert wel dat excuses daarvoor op zijn plaats zijn, zoals die eerder
door hem al zijn gemaakt. Verweerder heeft in zijn verweer gewezen op zijn persoonlijke
omstandigheden en de gevolgen daarvan, ook voor zijn praktijk.
4.2 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de (eigen)
advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit
duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening
met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt.
Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling
van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt
begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als
algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van
een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Beoordeling klachten - communicatie
5.2 De klacht ziet in alle drie de onderdelen op de communicatie van verweerder.
De raad is van oordeel dat klaagster daarover terecht heeft geklaagd. Verweerder heeft
ook erkend dat de communicatie niet goed is gegaan. Verweerder heeft klaagster pas
twee dagen voor de zitting en daarmee (veel) te laat op de hoogte gesteld van de zitting.
Daarmee is de voorbereiding van de zitting in het gedrang gekomen. Klaagster heeft,
voor zover de raad kan vaststellen, ook toen pas het beroepschrift ontvangen. Ook
dat is veel te laat. Klaagster heeft in de loop van augustus 2024 gevraagd naar de
beschikking van het CRvB. De manier waarop verweerder op haar berichten heeft gereageerd
op 19 augustus 2024 is onfatsoenlijk en onprofessioneel. Verweerder stuurde klaagster
vervolgens een verkeerde beschikking mee. Dat is slordig en ook daarvan kan verweerder
een verwijt worden gemaakt. Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld
jegens klaagster. De klacht is in alle onderdelen gegrond.
De kwaliteit van de bijstand en de second opinion
5.3 De raad overweegt dat de klacht van klaagster, zoals ingediend bij de deken,
uitsluitend zag op de communicatie en niet ook op de inhoudelijke kwaliteit van verweerders
bijstand. Klaagster heeft ter zitting voor het eerst verwijten over de inhoud van
verweerders bijstand gemaakt, door onder meer te stellen dat haar ‘éne kans is verprutst
door een advocaat die niet naar behoren zijn werk als advocaat heeft gedaan’ en dat
zij de indruk heeft dat er inhoudelijk meer mogelijk was in haar zaak. Verweerder
heeft ter zitting (en daarna) betwist dat de kwaliteit van zijn bijstand onvoldoende
was.
5.4 De raad heeft hierin aanleiding gezien de zaak aan te houden, zodat klaagster
een second opinion kon laten opstellen om duidelijkheid te krijgen over de inhoudelijke
kant van verweerders bijstand. De raad heeft daarbij vermeld dat de klacht blijft
zoals die is. De second opinion was bedoeld om duidelijkheid (voor met name klaagster)
te creëren en eventueel een aanleiding te geven om tot een minnelijke oplossing te
komen tussen klaagster en verweerder. De second opinion was niet bedoeld om te dienen
ter eventuele uitbreiding van de klacht. Voor zover klaagster haar klacht ter zitting
en/of naar aanleiding van de second opinion, heeft willen uitbreiden met klachten
over de kwaliteit van de bijstand, geldt dat de raad deze daarom buiten beschouwing
laat.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder is op meerdere momenten tekortgeschoten in zijn communicatie met
klaagster. Hij heeft haar pas twee dagen voor de zitting op de hoogte gesteld van
de zitting en heeft onfatsoenlijk gereageerd op haar terechte vragen naar de uitspraak.
Verweerder heeft zijn excuses aangeboden. Hoewel duidelijk is voor de raad dat de
tekortkomingen mede het gevolg zijn van de persoonlijke omstandigheden van verweerder,
had verweerder anders kunnen en moeten optreden. Dat heeft verweerder zelf ook erkend.
De raad ziet aanleiding om een waarschuwing op te leggen.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel
46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar
vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster
geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk
aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 25,- reiskosten van klaagster.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat
deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft
binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk
aan verweerder door.
7.4 Verweerder heeft verzocht om bij een kostenveroordeling rekening te houden
met het feit dat zijn persoonlijke omstandigheden hebben geleid tot een aanzienlijke
daling van zijn winstgevendheid. De raad ziet daarin aanleiding om af te zien van
het opleggen van een verdere proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klaagster,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. E.A.L. van Emden en M.M. van Wijk, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 13 april 2026