ECLI:NL:TADRSGR:2026:79 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-123/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:79 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-04-2026 |
| Datum publicatie: | 15-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-123/DH/DH |
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Overige gronden |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht kennelijk niet-ontvankelijk wegens strijd met de beginselen van een behoorlijke tuchtprocesorde. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 8 april 2026 in de zaak 26-123/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager 1
en
klaagster 2
en
klaagster 3
over:
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van 13 februari 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) met kenmerk K011 2026 en van de op de inventarislijsten genoemde bijlagen.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager 1 is (indirect) bestuurder en aandeelhouder van klaagsters 2 en 3.
1.2 Verweerder treedt op als advocaat voor een onderneming die een zakelijk geschil
heeft met klaagsters 2 en 3 over een ‘earn-out’ regeling.
1.3 Op 2 mei 2025 heeft verweerder een e-mail geschreven aan klaagsters 2 en
3.
1.4 Op 28 juli 2025 hebben klagers bij de deken eerder een klacht ingediend over
de inhoud van deze e-mail.
1.5 Op 7 januari 2026 hebben klagers deze klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder door de uitlatingen
in zijn e-mail van 2 mei 2025 tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld
in artikel 46 Advocatenwet.
3 BEOORDELING
3.1 In het tuchtrecht geldt het zogenaamde “ne bis in idem-beginsel”, dat is
vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan
worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder
al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat,
over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel
op moet kunnen vertrouwen dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen
waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd.
3.2 De voorzitter stelt vast dat klagers al eerder hebben geklaagd over de uitlatingen
van verweerder in zijn e-mail van 2 mei 2025. Op die klacht wordt per heden beslist
(zaaknummer 26-122/DH/DH), zodat er nog niet onherroepelijk op deze klacht is beslist.
Klachten over het optreden van een advocaat dienen echter zoveel mogelijk te worden
gebundeld. Voorkomen moet immers worden dat voor iedere gedraging binnen hetzelfde
feitencomplex steeds aparte tuchtprocedures worden gevoerd. Het indienen van een opvolgende
klacht kan in zo’n situatie in strijd komen met de beginselen van een behoorlijke
tuchtprocesorde (zie Hof van Discipline 20 juni 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:111). De
voorzitter is van oordeel dat daarvan sprake is. De klacht wordt daarom kennelijk
niet-ontvankelijk verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet,
kennelijk niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 8 april 2026