ECLI:NL:TADRSGR:2026:78 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-122/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:78 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-04-2026 |
| Datum publicatie: | 15-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-122/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een civielrechtelijk geschil. Klager 1 is kennelijk niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. De klacht van klagers 2 en 3 is kennelijk ongegrond. Geen sprake van een pressiemiddel of het bewust verschaffen van onjuiste informatie. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 8 april 2026 in de zaak 26-122/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager 1
en
klaagster 2
en
klaagster 3
over:
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van 13 februari 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) met kenmerk K194 2025 en van de op de inventarislijsten genoemde bijlagen.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager 1 is (indirect) bestuurder en aandeelhouder van klaagsters 2 en 3.
1.2 Verweerder treedt op als advocaat voor een onderneming die een zakelijk geschil
heeft met klaagsters 2 en 3 over een ‘earn-out’ regeling.
1.3 In een e-mail van 2 mei 2025 aan de advocaat van klaagsters 2 en 3 heeft
verweerder geschreven: “In de kortgedingprocedure is door [klaagster 2] meermaals
(terzijde) naar voren gebracht dat het met [klaagsters 2 en 3] financieel ‘erg goed’
zou gaan. Mijn cliënte heeft recent uit de markt echter andere signalen ontvangen
die haar zorgen baren.” Verweerder heeft in datzelfde bericht verzocht om een balans
en winst- en verliesrekening met toelichting.
1.4 Op 28 juli 2025 hebben klagers bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Volgens klagers
is de in overweging 1.3 aangehaalde formulering onjuist, onduidelijk, suggestief en
potentieel schadelijk voor de reputatie en integriteit van klagers en is deze gedaan
zonder wederhoor. Een latere afzwakking van de bewering door verweerder bevestigt
dat deze onwaar was of bedoeld was als drukmiddel. Er is volgens klagers in strijd
gehandeld met gedragsregels 6 lid 1, 8 en 10 leden 1 en 2.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Ontvankelijkheid
4.1 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van
een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht
om hierover een klacht in te dienen.
4.2 Het geschil heeft plaatsgevonden tussen klaagsters 2 en 3 en verweerders
cliënte. Klager 1, die bestuurder en aandeelhouder van klaagsters 2 en 3 is, is daarin
niet direct betrokken geweest. De omstandigheid dat klager 1 meent dat de uitlating
zijn reputatie en integriteit in twijfel trekt, is gelegen in zijn hoedanigheid van
bestuurder en aandeelhouder van klaagsters 2 en 3, zodat ook hierom geen zelfstandig
eigen belang aan klager 1 kan worden toegekend. Dat betekent dat klager 1 kennelijk
niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn klacht.
Toetsingskader
4.3 De klacht van klaagsters 2 en 3 gaat over de advocaat van de wederpartij.
Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen
van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat
in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten
mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden.
Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook
mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten
er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen
juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van
die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te
wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel
dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Beoordeling
4.4 De voorzitter is van oordeel dat verweerder namens zijn cliënte naar voren
heeft mogen brengen dat zij signalen heeft ontvangen die haar zorgen baren en dat
daarom is verzocht om inzage in de financiële gegevens. Dat past binnen de grote vrijheid
die hij heeft om de belangen van zijn cliënte te behartigen. De uitlating kan niet
beschouwd worden als pressiemiddel, maar geeft de reden voor dat verzoek. Verweerder
was niet verplicht om die signalen nader te specificeren of om klaagsters daarover
vooraf om wederhoor te vragen. Dat verweerder hiermee bewust onjuiste informatie heeft
verschaft (in strijd met gedragsregel 8), volgt niet uit het dossier. Van het onnodig
of op ontoelaatbare wijze schenden van de belangen van klaagsters is ook niet gebleken.
Klaagsters stellen dat hun reputatie en integriteit met de uitlating in twijfel is
getrokken. Wat daar ook van zij, verweerder heeft de brief alleen naar de advocaat
van klaagsters gestuurd.
4.5 In de klacht wijzen klaagsters op gedragsregels 6 lid 1 en 10 leden 1 en
2. De uitleg die klaagsters daaraan geven, komt echter niet overeen met de tekst van
die gedragsregels. Gedragsregel 10 heeft bovendien geen tweede lid. De voorzitter
gaat hier dus aan voorbij. Datzelfde geldt voor de jurisprudentie waar klaagsters
naar verwijzen. Ook deze bestaat niet, althans gaat over geheel andere kwesties.
Conclusie
4.6 De voorzitter zal klager 1 kennelijk niet-ontvankelijk verklaren in zijn
klacht. De klacht van klaagsters is in zijn geheel kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter:
- verklaart klager 1, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;
- verklaart de klacht van klaagster 2 en klaagster 3, met toepassing van artikel
46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 8 april 2026