ECLI:NL:TADRSGR:2026:77 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-108/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:77 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-04-2026 |
| Datum publicatie: | 15-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-108/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de bijstand van de eigen advocaat in een familierechtelijke kwestie. Klacht deels niet-ontvankelijk vanwege tijdsverloop. Klacht voor het overige kennelijk ongegrond, omdat de verwijten nauwelijks zijn onderbouwd en uit de overgelegde stukken niet blijkt dat verweerster tekort is geschoten in haar bijstand. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 8 april 2026 in de zaak 26-108/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
gemachtigde: mr. F.G. Schalker
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 9 februari 2026 met kenmerk K222 2025 en van de op de bijbehorende inventarislijst genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail van klager van 20 februari 2026 en de e-mail met bijlagen van de gemachtigde van verweerster van 24 februari 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager heeft een minderjarige zoon. Deze zoon is geboren uit een gedoneerde
eicel. O is de draagmoeder van de zoon. Klager en O hebben gezamenlijk het gezag over
de zoon.
1.2 O is in september 2021 met de zoon vertrokken naar een Blijfhuis.
1.3 Eind 2021 heeft klager een beroep gedaan op zijn rechtsbijstandsverzekeraar
DAS omdat hij geen omgang meer had met de zoon. Verweerster is voor klager gaan optreden.
In maart 2022 is er begeleide omgang tussen klager en de zoon tot stand gekomen.
1.4 In 2023 heeft een procedure over de schoolkeuze van de zoon gespeeld. Op
13 juni 2023 heeft een collega van verweerster aan klager geschreven dat hij heeft
aangegeven geen verweer te willen voeren aangaande de schoolkeuze. Zij heeft hem er
daarbij op gewezen dat als klager wil dat er een zitting plaatsvindt, er inhoudelijk
verweer moet worden gevoerd.
1.5 Klager heeft diezelfde dag laten weten dat hij zich neerlegt bij het besluit
van de rechter over de schoolkeuze.
1.6 Het dossier bevat een door verweerster opgesteld (concept) verzoekschrift
strekkende tot onder meer uitbreiding van de zorgregeling (gedateerd oktober 2023).
In het verzoekschrift is ook het verzoek opgenomen dat de zoon de Joodse feestdagen
bij klager zal vieren. Dit verzoekschrift is niet bij de rechtbank ingediend.
1.7 Verweersters bijstand is vervolgens geëindigd. Zij heeft klager op 16 november
2023 laten weten dat hij zich bij haar kan melden als hij weer juridische bijstand
nodig heeft. Klager heeft diezelfde dag laten weten dat het hem verstandig lijkt het
komende jaar af te wachten.
1.8 Op 7 september 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster het volgende.
a) Verweerster heeft klagers ouderlijk gezag niet beschermd en verdedigd. Zij
heeft met haar afwezigheid en handelen juist bijgedragen aan de uitholling van klagers
gezag.
b) Verweerster was herhaaldelijk zonder melding of overleg afwezig bij cruciale
besprekingen en klachtprocedures. Zij was nooit aanwezig bij cruciale kinderbeschermingsgesprekken
bij de GGD.
c) Verweerster heeft medische belangen genegeerd. Zij greep niet in toen de zoon
zonder overleg van apotheek wisselde en deed niet toen klager als ouder werd uitgesloten
van de medische behandelingen van de zoon. Verweerster reageerde ook nooit op het
feit dat de zoon uit de uithuisplaatsing terugkwam met een mank been en een scheef
geraamte.
d) Verweerster heeft klager verboden expliciet te verwijzen naar wetten en verdragen,
waarmee zij klagers procespositie afsneed en handelde in strijd met de kernwaarden
deskundigheid en partijdigheid. Zij verbood klager te verwijzen naar Islamitische
of Joodse rechtsregels die relevant zijn voor de identiteit en opvoeding van de zoon.
Zij ontzegde klager het recht zijn eigen pleidooi bij de rechter te voeren. Zij heeft
geen enkele rechtszaak voor klager gevoerd.
e) Verweerster heeft klager geadviseerd te procederen tegen de draagmoeder, terwijl
deze vrouw geen biologische moeder van de zoon is. Dit advies was niet alleen juridisch
onjuist, maar ook in strijd met gedragsregel 1 (cliëntbelang).
f) Verweerster liet na het proces te begeleiden en/of verdedigen, nadat klager
in overleg met de zoon besloot om de schoolkeuze aan de rechter over te laten. Dit
is een schending van de plicht om de cliënt bij te staan in een lopende zaak.
g) Verweerster heeft nooit enig contact of steun aan de zoon gegeven. Voor een
minderjarige cliënt in een crisis is dit in strijd met de bijzondere zorgplicht (gedragsregel
12).
h) Verweerster greep niet in toen Family Supporters actief meewerkte aan het
uit elkaar houden van klager en de zoon. Family Supporters accepteerde de door de
Jeugdbescherming opgelegde Jodenverboden, waardoor de zoon zijn vader, broer en Joodse
vriendjes niet meer mocht zien en trad zelfs op als legitimerende partij. De zoon
werd door Family Supporters onderworpen aan onderzoeken bij een zogenaamd “kindersekskantoor”,
zonder klagers toestemming en zonder dat verweerster dit aanvocht. Het feit dat verweerster
hiertegen geen enkele bezwaar maakte is in strijd met haar kernverplichting als advocaat
en toont dat zij het belang van de zoon volledig verwaarloosde.
2.2 Klager stelt dat verweerster haar plichten als advocaat ernstig heeft verzaakt,
klager en de zoon in de steek heeft gelaten en nationale en internationale rechtsregels
bewust heeft genegeerd. Verweerster heeft direct bijgedragen aan het drama dat de
zoon tot op de dag van vandaag tekent. Zij heeft zich geschikt naar de stellingen
van Jeugdbescherming en niets gedaan voor de zoon. Het dieptepunt was dat klager in
afwezigheid van zijn eigen advocaat werd geconfronteerd met de verdediging door de
advocaat van de tegenpartij.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Zij stelt dat klager in
november 2021 een beroep heeft gedaan op zijn rechtsbijstandsverzekeraar DAS. De opdracht
die verweerster vervolgens kreeg, was het realiseren van omgang met de zoon. Klager
is de opdrachtgever en niet de zoon. Per maart 2022 is door de inspanningen van verweerster
een begeleide omgangsregeling tot stand gekomen. Met klager is gesproken over de uitbreiding
van de omgangsregeling. Verweerster heeft daarbij nadrukkelijk aandacht gevraagd voor
de houding en het gedrag van klager. Zij heeft duidelijk gemaakt dat het eerst en
vooral aan de ouders is om niet te escaleren en tot een (structurele) oplossing te
komen. Er is een processtuk opgesteld, maar klager heeft te kennen gegeven geen procedure
tegen de moeder te willen voeren. Verweerster heeft in november 2023 de behandeling
van de zaak gestaakt op verzoek van klager. Verweerster heeft zich steeds gericht
op de belangen van klager en hem van raad en bijstand voorzien met het oog op het
doel: uitbreiding van de omgangsregeling.
3.2 Verweerster heeft verder toegelicht dat er in de periode eind 2021 tot eind
2023 veel is gebeurd en dat heel veel instanties betrokken zijn bij de zaak.
3.3 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Klacht deels niet-ontvankelijk
4.1 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat
de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt
geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Als deze driejaarstermijn is verlopen
zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te
klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt
(en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen
of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één
jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).
De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van
dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.
4.2 De voorzitter stelt vast dat verweerster sinds het najaar van 2021 bij de
zaak betrokken is geweest. Klager heeft zijn klacht op 7 september 2025 ingediend.
Dit betekent dat, voor zover de klacht ziet op handelen en/of nalaten van verweerster
vóór 7 september 2022, de klacht buiten de termijn van drie jaar is ingediend. Voor
een uitzondering op grond van artikel 46g lid 2 Advocatenwet ziet de voorzitter geen
grond. De klacht is dan ook te laat en daarmee niet-ontvankelijk voor zover die ziet
op handelen en/of nalaten van verweerster vóór 7 september 2022.
Inhoudelijk toetsingskader
4.3 De klacht is ontvankelijk voor zover deze ziet op handelen en/of nalaten
van verweerster vanaf 7 september 2022. De klacht gaat over de kwaliteit van dienstverlening
van de advocaat en daarvoor geldt het volgende toetsingskader. Er is pas sprake van
tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest.
De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat
heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening
met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan.
Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die
aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard
geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk
handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Beoordeling klachten
4.4 De voorzitter merkt allereerst op dat het niet aan de tuchtrechter is om
de onderliggende familierechtelijke kwestie te beoordelen. Het is de familierechter
die daar zo nodig een oordeel over kan vellen. De voorzitter laat om die reden het
onderliggende geschil, waaronder de vraag wie de ouders van de zoon zijn, onbesproken.
4.5 De klacht komt er in de kern op neer dat verweerster onvoldoende voor klager
en zijn zoon heeft gedaan. Klager maakt verweerster diverse verwijten, maar laat na
om zijn verwijten te concretiseren en met stukken te onderbouwen. Verweerster heeft
de verwijten gemotiveerd betwist. De voorzitter kan de juistheid van klagers verwijten
alleen al daarom niet vaststellen.
4.6 Uit de door verweerster overgelegde stukken blijkt bovendien dat door verweerster
een verzoekschrift is opgesteld strekkende tot uitbreiding van de omgang. In het verzoekschrift
is ook het verzoek opgenomen dat de zoon de Joodse feestdagen bij klager zal vieren.
Verweerster heeft onbetwist gesteld dat klager niet wilde procederen en dat het verzoekschrift
daarom niet is ingediend. Ook blijkt uit de overgelegde stukken dat klager geen verweer
wilde voeren met betrekking tot de schoolkeuze van de zoon, maar dat hij de beslissing
overliet aan de rechter. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat verweerster tekort
is geschoten in haar bijstand aan klager.
4.7 Nu van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerster niet is
gebleken, zal de voorzitter de klacht (voor zover ontvankelijk) in alle onderdelen
kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, voor zover die ziet op handelen en/of nalaten van verweerster vóór
7 september 2022, niet-ontvankelijk met toepassing van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet;
- de klacht voor het overige kennelijk ongegrond, met toepassing van artikel
46j Advocatenwet.
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 8 april 2026