ECLI:NL:TADRSGR:2026:73 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-084/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:73 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-04-2026 |
| Datum publicatie: | 15-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-084/DH/RO |
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarbij klager geen belang heeft |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht kennelijk niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 1 april 2026 in de zaak 26-084/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Rotterdam (hierna: de deken) van 31 januari 2026 met kenmerk R 2026/005 en van de
op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 32.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klagers echtgenote bezit een derde van de aandelen in [SH] B.V. De andere
aandelen zijn in bezit van klagers twee zussen, die ieder een derde van de aandelen
bezitten. Een dochteronderneming van [SH] B.V. is [DH] B.V.
1.2 Verweerder is, naast zijn (inmiddels voormalige) beroep van advocaat, tijdens
een vergadering van 5 april 2022 benoemd tot lid van de raad van commissarissen van
[DH] B.V. Hij heeft vervolgens deelgenomen aan de vergadering, waarin een juridisch
geschil is besproken van klagers echtgenote tegen [SH] B.V., [BI] N.V. (een andere
vennootschap behorende bij [SH] B.V.) en de twee zussen van klager.
1.3 In 2024 is een procedure gevoerd bij de rechtbank Rotterdam tussen enerzijds
klagers echtgenote en anderzijds [SH] B.V., [BI] N.V. en de twee zussen van klager.
Een kantoorgenoot van verweerder heeft de twee bedrijven en twee zussen daarin bijgestaan.
1.4 Op 19 mei 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft zich schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling, wat in
strijd is met gedragsregel 15, in zijn hoedanigheid van advocaat en voorzitter van
de raad van commissarissen van [DH] B.V.
Toelichting: Verweerder heeft een onaanvaardbare dubbele rol, doordat zijn kantoor(genoot)
een procedure voerde tegen klagers echtgenote terwijl verweerder zelf plaatsnam in
de raad van commissarissen. Daardoor had verweerder toegang tot vertrouwelijke informatie
over klagers familie. Ook heeft verweerder op 5 april 2022 actief deelgenomen aan
het agendapunt over die betreffende juridische procedure, terwijl daartegen uitdrukkelijk
bezwaar is gemaakt door een medecommissaris.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van
een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht
om hierover een klacht in te dienen.
4.2 Klager heeft bij zijn klacht toegelicht geen partij te zijn (geweest) in
de procedure bij de rechtbank Rotterdam en dat hij ook geen eigenaar is van de betrokken
vennootschappen, waarvan zijn echtgenote en twee zussen de aandelen bezitten. Evenmin
heeft klager een formele rol in de bedrijfsstructuur. Klager heeft aangegeven de klacht
te hebben ingediend als ondersteuner van zijn echtgenote, die hij in het lange en
complexe eigendomsgeschil heeft bijgestaan.
4.3 De voorzitter is met het oog op deze door klager geschetste achtergrond van
oordeel dat klager geen eigen, rechtstreeks betrokken belang heeft bij de klacht.
Hij is immers geen partij geweest in de gerechtelijke procedure en is ook niet verbonden
aan de vennootschappen. Dat klager fiscaal verbonden is aan zijn echtgenote, levert
hem slechts een afgeleid belang op wat niet voldoende is om ontvankelijk te zijn in
zijn klacht. Klager zal daarom kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet,
kennelijk niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 1 april 2026