ECLI:NL:TADRSGR:2026:67 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-045/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:67 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 25-03-2026 |
| Datum publicatie: | 27-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-045/DH/RO |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over het door verweerster incasseren van dwangsommen in verband met het door klager niet nakomen van een in 2021 vastgestelde bezoekregeling. Het stond verweerder vrij om dat te doen. Als zij dat niet had gedaan, had haar cliënte haar daarvan tuchtrechtelijk en civielrechtelijk een verwijt kunnen maken. Zij was niet gehouden klager daar vooraf over te informeren. Klacht kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 25 maart 2026 in de zaak 26-045/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Rotterdam (hierna: de deken) van 20 januari 2026 met kenmerk R 2026/004 en van de
op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 19. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen
van:
- de e-mail met bijlage van verweerster van 3 februari 2026;
- twee e-mails (waarvan één met bijlage) van klager van 4 februari 2026;
- de e-mail van verweerster van 5 februari 2026;
- de e-mail van verweerster van 17 februari 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager is in 2015 gescheiden. Klager en zijn ex-partner hebben samen zeven
dochters. De dochters wonen bij klager.
1.2 In januari 2021 is verweerster, namens de ex-partner, een kort geding gestart.
Bij vonnis in kort geding van 19 februari 2021 is voor de twee jongste dochters een
voorlopige regeling bepaald, inhoudend dat de dochters op bepaalde momenten op bezoek
zullen gaan bij de ex-partner, op straffe van een dwangsom van € 50,- per kind voor
iedere keer dat klager niet aan de (bezoek)regeling voldoet, tot een maximum van €
5.000,- is bereikt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het vonnis is op 24 februari 2021 door de deurwaarder aan klager betekend.
1.3 In een brief van 28 januari 2025 heeft verweerster aan klager geschreven
dat hij de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling niet nakomt: dochter J komt
slechts één maal per twee weken in plaats van iedere week, wat betekent dat klager
in de weken waarin de dochter niet komt de dwangsommen verbeurt die aan hem zijn opgelegd.
Zij verzoekt klager te bewerkstellingen dat de regeling wordt nagekomen, zo niet dan
zal verweerster de deurwaarder opdracht moeten geven de dwangsommen te gaan incasseren.
1.4 Op 1 februari 2025 heeft klager per e-mail een reactie aan verweerster gestuurd.
1.5 Op 24 februari 2025 heeft verweerster een reactie aan klager gestuurd, waarin
zij onder meer heeft geschreven dat het niet juist is dat het bezoek van dochter J
op vrijwillige basis is omdat zij 12 jaar is. Verweerster heeft klager voorgehouden
dat er een rechtelijke uitspraak ligt, waar hij zich aan moet houden. Verweerster
heeft verder geschreven dat de ex-partner de zaak nu niet op de spits wil drijven,
maar dat zij wel verwacht dat klager de zorgregeling naar behoren nakomt.
1.6 Op 11 september 2025 heeft de deurwaarder, op verzoek van de ex-partner,
het vonnis van 19 februari 2021 aan klager betekent en hem bevel gedaan verbeurde
dwangsommen te voldoen, in totaal € 1.600,-, plus de kosten van het exploot. De verbeurde
dwangsommen zien op het gegeven dat dochters A en J in totaal 32 keer niet bij moeder
op bezoek zijn geweest in de periode van 9 maart 2025 tot en met 7 september 2025.
1.7 Klager heeft verweerster diezelfde dag aangeschreven over het feit dat de
deurwaarder – voor klager volkomen onverwacht – aan de deur stond met een exploot.
1.8 Op 12 september 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over
verweerster.
1.9 Op 15 september 2025 heeft verweerster in een e-mail aan klager onder meer
geschreven dat in het exploot een onjuiste betekeningsdatum staat: dit moet 24 februari
2021 in plaats van 2025 zijn. Verweerster heeft daarbij vermeld dat dit een fout van
de deurwaarder is en dat zij het betekeningexploot van de 24 februari 2021 aan de
deurwaarder heeft toegestuurd. Zij heeft dit exploot ook bij de e-mail aan klager
gevoegd.
1.10 Op 22 september 2025 heeft verweerster aan klager geschreven dat zij van
de ex-partner vernam dat hij de zorgregeling op twee momenten niet is nagekomen, waardoor
hij wederom twee dwangsommen ad € 250,- is verschuldigd. Zij heeft klager verzocht
het bedrag van € 1.600,-, vermeerderd met het thans verbeurde bedrag van € 100,- over
te maken, totaal € 1.700,-.
1.11 Op 29 september 2025 heeft verweerster aan klager geschreven dat hij niet
2x € 250,- is verschuldigd, maar 2x € 50,- en dat de totale opsomming in haar eerdere
e-mail wel correct was. Zij heeft klager ook geschreven dat hij de dag ervoor weer
in verzuim is geweest, waardoor hij weer 2x € 50,- aan dwangsommen heeft verbeurd,
waarmee het totaal op € 1.800,- komt.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster het volgende.
a) Verweerster heeft de deurwaarder het exploot van 11 september 2025 laten uitbrengen,
waarmee zij de zaak bewust heeft laten escaleren en ten onrechte geen hoor en wederhoor
toepast. Zij weigert met klager te communiceren.
2.2 Klager vraagt zich af waarom verweerster meewerkt aan het gedrag van de ex-partner
en daarbij geen rekening houdt met klagers situatie en die van de dochters. Klager
heeft er verder op gewezen dat de dochters sinds het vonnis in kort geding 4,5 jaar
ouder zijn: ze zijn inmiddels 13 en 17. Hij en zijn gezin hebben zich zo veel als
mogelijk aan het vonnis uit 2021 gehouden.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Zij stelt dat zij zich
namens haar cliënte, de ex-partner, beroept op een onherroepelijk vonnis waarin klager
tot het nakomen van een zorgregeling op straffen van dwangsommen is veroordeeld. Klager
kwam vanaf maart 2025 de zorgregeling in het geheel niet meer na. Om te voorkomen
dat verbeurde dwangsommen zouden verjaren, heeft verweerster deze door de deurwaarder
laten aanzeggen bij exploot. Dat is in het belang van haar cliënt. Verweerster stelt
dat het op de weg van klager ligt om wijziging van de vastgestelde zorgregeling te
vragen als hij vindt dat die regeling niet meer in het belang is van de kinderen.
3.2 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat
de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid
worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting
als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij
in iedere zaak afwegen:
- het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
- het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
- het verloop van het geschil tot dan toe en
- de kans op succes van de procedure.
Beoordeling
4.3 De klacht ziet er in de kern op dat verweerster (via het exploot van de deurwaarder
op 11 september 2025) dwangsommen is gaan incasseren in verband met het door klager
niet nakomen van de in 2021 vastgestelde bezoekregeling. Uit het klachtdossier blijkt
dat in januari en februari 2025 tussen verweerster en klager is gecorrespondeerd over
nakoming van de bezoekregeling. Verweerster heeft klager er toen op gewezen dat hij
de zorgregeling moet nakomen en dat hij anders dwangsommen verbeurt. Verweerster heeft
toen ook aangegeven dat haar cliënte de zaak nog niet op de spits wilde drijven, maar
wel verwachtte dat klager de zorgregeling zou (gaan) nakomen. Dat is vervolgens kennelijk
niet (steeds) gebeurd. Klager heeft de (volgens hem niet passende) bezoekregeling
ook niet laten aanpassen. Het stond verweerster dan ook vrij om namens haar cliënte
een exploot te laten betekenen inzake de door klager verbeurde dwangsommen. Als zij
dat niet had gedaan, had verweersters cliënte haar daarvan – in verband met de verjaringstermijn
– tuchtrechtelijk en civielrechtelijk een verwijt kunnen maken. Zij handelende dan
ook in het belang van haar cliënte. Van bewust escaleren is geen sprake.
4.4 Verweerster was niet gehouden om klager daar vooraf over te informeren of
‘hoor en wederhoor’ toe te passen. Uit de eerder tussen klager en verweerster gevoerde
correspondentie blijkt klagers standpunt voldoende en het vonnis uit 2021 lag er nu
eenmaal.
4.5 De voorzitter is dan ook van oordeel dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar
handelen door verweerster geen sprake is. De klacht is kennelijk ongegrond.
Tot slot
4.6 Voor zover klager verweerster ook verwijten maakt over (de aanloop naar)
het kort geding in 2021, geldt dat deze verwijten buiten de termijn van drie jaar
zijn ingediend en daarom niet-ontvankelijk zijn (zie artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet).
4.7 Klager en verweerster hebben zich in de aanvullende stukken van februari
2026 onder meer uitgelaten over op de website van verweerster geplaatste reviews (door
klager en door verweerster cliënte). Dit alles vormt geen onderdeel van de door klager
ingediende klacht. De voorzitter zal dit daarom buiten beschouwing laten.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond