ECLI:NL:TADRSGR:2026:66 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-020/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:66 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 25-03-2026 |
| Datum publicatie: | 27-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-020/DH/DH |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijke procedure. Niet gebleken dat verweerder onjuiste feiten heeft gesteld. Klacht kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 25 maart 2026 in de zaak 26-020/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van 12 januari 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) met kenmerk K215 2025 en van de op de inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van het aanvullende stuk van klager: het arrest van 10 februari 2026 van het Gerechtshof Amsterdam.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager en zijn ex-partner zijn van elkaar gescheiden. Klager en zijn ex-partner
genoten onder meer inkomsten uit de verhuur van bedrijfshallen, die op een bankrekening
werden bijgeschreven.
1.2 Op 10 juli 2019 heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld over de verdeling
van onder meer aandelen en onroerende zaken (waaronder een pand in Delft) tussen klager
en de ex-partner. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat de bankrekening in de
periode van 2 januari 2012 tot en met februari 2017 (enkel) op naam van de ex-partner
heeft gestaan. In het vonnis is ook een accountant benoemd om een exploitatieoverzicht
van de inkomsten en uitgaven van de bedrijfshallen in de periode 1 januari 2012 tot
en met 1 november 2019 op te stellen.
1.3 Op 17 januari 2022 heeft verweerder namens de ex-partner aangedrongen op
levering van het pand in Delft. Klager heeft daarop gereageerd met diverse punten
waaraan de ex-partner volgens hem diende te voldoen. Op 28 januari 2022 heeft verweerder
daarop gereageerd dat de ex-partner enkel wil dat het pand wordt geleverd en dat zij
niet bereid is om van gedachte te wisselen over de verdeling van de aandelen in de
vennootschap, de exploitatieberekening van de accountant en de splitsing van de commanditaire
vennootschap, omdat daarover al is beslist in eerdere uitspraken.
1.4 Op 29 maart 2022 heeft verweerder, namens de ex-partner, klager gedagvaard
voor de rechtbank Amsterdam. Namens klager zijn eisen in reconventie ingesteld over,
kort gezegd, het exploitatieoverzicht en verrekening van gelden.
1.5 Bij tussenvonnis van 12 oktober 2022 heeft de rechtbank Amsterdam een deskundige
benoemd om een exploitatieoverzicht van de inkomsten en uitgaven van de bedrijfshallen
in de periode 1 januari 2012 tot en met 1 november 2019 op te stellen en om te berekenen
of partijen nog gelden moeten verrekenen.
1.6 Op 25 november 2022 heeft verweerder de voorzieningenrechter verzocht om
verlof om namens de ex-partner beslag te leggen op klagers tegoeden bij de notaris.
Het verzoek is op 28 november 2022 toegewezen, waarna op 30 november 2022 conservatoir
derdenbeslag is gelegd.
1.7 In december 2022 heeft verweerder een dagvaarding laten uitbrengen aan klager
voor een zitting van 15 februari 2023 bij de rechtbank Amsterdam.
1.8 Op 16 januari 2023 heeft verweerder een e-mail verzonden aan de deskundige
met het verzoek om stukken te ontvangen die klager eerder heeft ingediend. Ook heeft
verweerder daarin de antwoorden van de ex-partner op vragen van de deskundige doorgezonden.
Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat hij de deskundige voorafgaand aan zijn e-mail
heeft geprobeerd te bellen, maar dat dit niet was gelukt.
1.9 Op 14 februari 2023 heeft klagers advocaat zich gesteld in de dagvaardingsprocedure
van december 2022 tegen de roldatum van 15 februari 2023 en verzocht om uitstel voor
het indienen van een conclusie van antwoord. Daarbij heeft hij verzocht om de ex-partner
niet-ontvankelijk te verklaren omdat exact eenzelfde vordering al bij eisvermeerdering
aanhangig is. Op 15 februari 2023 heeft de rechtbank Amsterdam bericht dat de zaak
aldaar niet bekend is.
1.10 Verweerder heeft voor de rolzitting van 15 februari 2023 een antwoordakte
wijziging eis ingediend in de al lopende procedure.
1.11 Op 28 april 2023 heeft de deskundige een conceptrapport uitgebracht. Verweerder
heeft daarop een reactie ingediend. Ook klager(s advocaat) heeft een reactie ingestuurd,
waarin onder meer kritiek wordt geuit over dat de deskundige verweerder wel telefonisch
heeft gesproken, maar dat klager die kans niet heeft gehad. Ook is opgemerkt dat de
deskundige eerder de ex-partner heeft geadviseerd en dus niet onpartijdig kan zijn.
1.12 Er is vervolgens een discussie ontstaan of de deskundige het onderzoek al
dan niet kon voortzetten. De rechtbank heeft vervolgens beslist dat de deskundige
de opdracht kon voortzetten.
1.13 Op 4 maart 2024 heeft de deskundige, na hoor en wederhoor, een definitief
rapport uitgebracht, waarin hij concludeert dat de bankrekening in de genoemde periode
uitsluitend ter beschikking stond aan klager, omdat hij betalingen in die periode
aan klager of zijn schuldeisers heeft geconstateerd terwijl er geen betalingen zijn
geconstateerd aan de ex-partner of haar schuldeisers. De deskundige is er daarbij
ook van uitgegaan dat de bankrekening in de periode van 2 januari 2012 tot en met
februari 2017 op naam van de ex-partner stond en pas vanaf daarna op klagers naam.
1.14 Bij eindvonnis van 3 juli 2024 heeft de rechtbank Amsterdam de bevindingen
van de deskundige gevolgd en klagers bezwaren tegen het deskundigenrapport afgewezen.
Klager is daarbij veroordeeld tot betaling van € 21.643,01 en zijn vorderingen in
reconventie zijn afgewezen.
1.15 Klager heeft hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis. Verweerder heeft
namens de ex-partner een memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel
appel ingediend.
1.16 Op 7 april 2025 heeft verweerder de voorzieningenrechter verzocht om verlof
om namens de ex-partner beslag te leggen op klagers tegoeden bij de notaris, onder
verwijzing naar het arrest van 3 juli 2024. Daarbij heeft verweerder ook gewezen op
het eerdere beslag uit 2022. De voorzieningenrechter heeft het verlof op 8 april 2025
verleend, waarna het conservatoir derdenbeslag is gelegd op 26 april 2025.
1.17 Op 29 augustus 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over
verweerder.
1.18 Bij arrest 10 februari 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat
de deskundige van de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat de bankrekening
tussen 1 januari 2012 en februari 2017 uitsluitend ter beschikking van klager stond.
Het gerechtshof heeft een nieuwe deskundige benoemd. Ook is de ex-partner opgedragen
om het conservatoir beslag op te heffen.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder dat hij 64 feiten heeft geponeerd die niet waar zijn, waaronder hoofdzakelijk
dat de bankrekening van klager is, hetgeen in strijd is met het vonnis van 10 juli
2019.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat
de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid
worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting
als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij
in iedere zaak afwegen:
– het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
– het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
– het verloop van het geschil tot dan toe en
– de kans op succes van de procedure.
Beoordeling
4.3 Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerder feiten heeft geponeerd
waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten dat deze onwaar waren. Vooropgesteld
wordt daarbij dat het tuchtrecht niet bedoeld is om civiele procedures over te doen.
Als klager het niet eens is met bepaalde standpunten of onderbouwingen van gestelde
financiële situaties, dan is de procedure bij de civiele rechter in beginsel de plek
om dat te betwisten of te weerleggen. Klager heeft dat ook gedaan, blijkt uit het
dossier. Tuchtrechtelijk gezien wordt van verweerder niet verwacht dat hij de juistheid
van de informatie die hij van zijn cliënte krijgt verifieert. Hij mag er dus van uitgaan
dat het klopt wat zijn cliënte zegt. Als verweerder op basis van die informatie van
zijn cliënte iets aanvoert wat uiteindelijk niet blijkt te kloppen, dan betekent dat
dus nog niet dat hij daarvoor ook tuchtrechtelijk verantwoordelijk moet worden gehouden.
Uit het dossier komen geen aanknopingspunten naar voren op basis waarvan kan worden
geoordeeld dat verweerder bewust onwaarheden heeft verkondigd.
4.4 Wat betreft de eigendom van de bankrekening, waar klager uitvoerig op ingaat,
stelt de voorzitter vast dat in de procedure niet ter discussie stond op wiens naam
de bankrekening stond, maar wel wie feitelijk de beschikking daarover had. Verweerder
kon, in het belang van zijn cliënte, zich op het standpunt stellen dat die feitelijke
beschikkingsmacht bij klager lag. Dat is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
4.5 De voorzitter merkt verder op dat het ook niet aan de tuchtrechter is om
beslagrekesten te beoordelen. Dat is uitsluitend aan de voorzieningenrechter. Ook
op dit punt is niet gebleken dat verweerder daarin bewust onwaarheden heeft opgenomen.
Vastgesteld wordt dat verweerder meerdere vonnissen heeft bijgevoegd, evenals de e
mailwisseling die hij met klager in januari 2022 heeft gevoerd. Niet gebleken is dat
verweerder de voorzieningenrechter op die momenten onvolledig heeft geïnformeerd.
4.6 Wat betreft het schriftelijke dan wel telefonische contact dat verweerder
heeft gehad met de deskundige van de rechtbank, wordt evenmin ingezien waarom dat
tuchtrechtelijk verwijtbaar is. De deskundige heeft vragen gesteld aan verweerder(s
cliënte). Van verweerder wordt dan ook verwacht dat hij daarop antwoord geeft, ter
behartiging van het belang van zijn cliënte. Het is verder aan de deskundige zelf
om, mede gelet op de ‘Leidraad deskundigen in civiele zaken’ te waken voor zijn onafhankelijkheid
en voldoende transparantie. Dat klager vindt dat de deskundige daarin te kort is geschoten,
maakt nog niet dat verweerder onbetamelijk zou hebben gehandeld. Dat verweerder vervolgens
duidelijkheid wilde hebben van de rechtbank of de deskundige zijn werk nog kon voortzetten
nadat daarover discussie ontstond, is ook iets wat hij in het belang van zijn cliënte
kon doen.
4.7 Tot slot kan evenmin worden ingezien waarom het uitbrengen van een dagvaarding
in december 2022 tegen een (rol)zitting van 15 februari 2023, waarna deze – zo begrijpt
de voorzitter – kennelijk niet is aangebracht, zou maken dat verweerder onjuiste feiten
heeft gesteld. Voor zover klager hiermee bedoeld heeft dat zijn belangen onnodig zijn
geschaad, omdat hij kosten heeft gemaakt omdat zijn advocaat zich daarvoor moest stellen,
is dit van onvoldoende gewicht voor het oordeel dat klagers belangen daarmee onevenredig
zijn geschaad. Verweerder heeft een dagvaarding moeten uitbrengen in verband met het
conservatoire beslag. Dat heeft hij gedaan. Dat hij vervolgens de keuze heeft gemaakt
om de vordering via een akte wijziging van eis in de al lopende procedure te betrekken,
is een keuze die hij kon maken. De voorzitter weegt daarin mee dat het indienen van
een stelbrief een handeling van zeer beperkte aard is en daarmee ook beperkte kosten
inhouden. Van onevenredige benadeling van klagers belangen is dan ook geen sprake.
Conclusie
4.8 De voorzitter zal de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet,
kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet,
kennelijk ongegrond.