ECLI:NL:TADRSGR:2026:64 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-679/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:64 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-03-2026 |
| Datum publicatie: | 27-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-679/DH/RO |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in een geschil over verkoop van de echtelijke woning. Verweerster heeft klager in een langlopend dossier onvoldoende meegenomen in de door haar gekozen strategie. Zij heeft hem onvoldoende schriftelijk op de hoogte gebracht van de gemaakte keuzes, kansen en risico’s. Ook heeft zij het dossier, met name in het laatste half jaar dat zij nog voor klager optrad, onvoldoende voortvarend opgepakt en heeft zij onvoldoende oog gehad voor klagers duidelijke wens om te gaan procederen over de kwestie. Waarschuwing. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 23 maart 2026 in de zaak 25-679/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 26 juni 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 6 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/092
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 9 februari 2026. Daarbij
was verweerster aanwezig. Klager was via videoverbinding bij de zitting aanwezig.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 28.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager heeft een geregistreerd partnerschap gehad. Klager en de vrouw hebben
twee kinderen (geboren in 2003 en 2004). In 2012 is het partnerschap door de rechtbank
ontbonden. De vrouw heeft vervolgens met de kinderen in de gezamenlijke woning gewoond.
2.3 In de periode 2020 tot en met 2023 heeft klager, bijgestaan door verweerster,
geprocedeerd over de door hem te betalen partner- en kinderalimentatie. Na de uitspraak
van het gerechtshof daarover hebben klager en verweerster eind september 2023 besproken
dat de focus zou worden verlegd naar (de verkoop van) de gezamenlijke woning.
2.4 Op 19 december 2023 heeft klager via WhatsApp aan verweerster gevraagd of
ze een brief aan de vrouw heeft geschreven in verband met de verkoop van de woning.
Verweerster heeft laten weten dat ze dat nog niet heeft gedaan en heeft klager gevraagd
hoe hij dat wil. Verweerster heeft klager er ook op gewezen dat hij heeft gezegd dat
ze het even moest laten liggen. Klager heeft daarop laten weten dat het mooi zou zijn
als het voor de kerst is gebeurd en dat hij de aandacht nu wil vestigen op de verkoop
van het huis.
2.5 In een brief van 21 december 2023 heeft verweerster aan de advocaat van de
vrouw geschreven dat klager graag verdere stappen wil zetten met betrekking tot de
woning, met de vraag of de vrouw de woning over wil nemen en of zij daartoe in staat
is.
2.6 Op 17 januari 2024 heeft klager via WhatsApp aan verweerster gevraagd of
er al een reactie op de brief is gekomen. Verweerster heeft laten weten dat er nog
geen reactie was. Klager schrijft daarop “anders gaan we gelijk naar de rechtbank.
Ben er nu al klaar mee. Ik weet dat ze aan t tijd rekken zijn”.
2.7 Bij brief van 22 januari 2024 heeft de advocaat van de wederpartij gereageerd
en geschreven dat de vrouw de woning graag op haar naam wil krijgen. Zij heeft namens
de vrouw voorgesteld de achterstand in de bijdrage van de kosten van de kinderen in
een totale afrekening mee te nemen. Zij schrijft ook dat een gedeelte van de achterstand
een vordering van de kinderen op klager betreft en dat de vrouw met de kinderen heeft
besproken dat die kan worden meegenomen in de afrekening met klager bij overname van
de woning door de vrouw.
2.8 Op 23 januari 2024 en 3 februari 2024 heeft klager via WhatsApp en e-mail
meerdere berichten naar verweerster gestuurd met betrekking tot onder meer de woning
en de alimentatie. In een app van 23 januari 2024 geeft klager aan dat hij een procedure
wil. In een e-mail van 23 januari 2024 geeft klager aan dat hij wil dat het huis wordt
verkocht. Hij schrijft: “naar de rechtbank” en “maak er maar een rechtszaak van”.
In een e-mail van 3 februari 2024 schrijft klager onder meer:
“Toch wil ik nog wel reageren op je opmerking dat ik de strijd niet zo moet aangaan.
Dat ga ik dus wel doen. (…) Zeg ik maar een ding nu, ik ga de STRIJD aan, what ever
it takes.”
2.9 Op 17 april 2024 heeft verweerster een e-mail naar klager gestuurd over de
door hem verschuldigde alimentatie, voorzien van een overzicht.
2.10 Op 14 mei 2024 heeft klager een klacht over (de communicatie van/met) verweerster
ingediend bij haar kantoor. Klager heeft in het bericht onder meer geschreven dat
ze zes weken verder zijn, dat er niks is gebeurd en dat verweerster beloftes niet
nakomt en vragen en berichten van klager niet beantwoordt.
2.11 Op 16 mei 2024 heeft verweerster haar eerdere bericht van 17 april 2024
naar klager doorgestuurd met een aangepast overzicht. Klager heeft diezelfde dag laten
weten dat hij verweersters e-mail van 17 april 2024 niet had ontvangen. Klager heeft
vervolgens ook inhoudelijk op de e-mail gereageerd. In die e-mail schrijft hij onder
meer:
“Als laatste geef ik hun nog 4 weken de tijd om het huis evt. over te nemen. Ze
hebben vanaf januari dit jaar al tijd gehad om actie te ondernemen. Daarna gaan we
naar de rechtbank, geen discussie mogelijk. Dat mag van mij ook wel vermeld worden
naar de tegenpartij.
Ze hoeven van mij niet gelijk het huis uit. (…) Mijn voorstel, eigenlijk is het
geen voorstel maar een eis. Huis gaat te koop in september 2025. Met een te koop bord
in de tuin en oplevering januari 2026.”
2.12 Op 7 juni 2024 heeft verweerster een brief naar de advocaat van de wederpartij
gestuurd over uitgangspunten tussen partijen. Verweerster heeft daarin voorgesteld
dat er een taxatie van de woning zal plaatsvinden en heeft gevraagd hoe ver de vrouw
is met haar financiering. Zij heeft daarbij beschreven dat als de vrouw niet in staat
is tot overname, de man op termijn tot verkoop van de woning over wil gaan, waarbij
de man vanwege de examens van de dochter denkt aan verkoop vanaf juni 2025.
2.13 Op 18 juli 2024 heeft verweerster een aangepast overzicht naar de advocaat
van de vrouw gestuurd.
2.14 Op 3 september 2024 heeft klager via WhatsApp aan verweerster gevraagd of
er al reactie van de wederpartij is, waarbij hij schrijft “Zo niet, dan ben ik er
wel klaar mee en kunnen we van mij een rechtszaak beginnen.” Op 4 september 2024 heeft
klager via WhatsApp naar verweerster onder meer gestuurd: “Hoe lang wil je wachten
??” en “Eind deze maand??? Dan hebben we wel genoeg voer voor een rechtszaak.” Verweerster
heeft daarop gereageerd met onder meer: “Dan is eind van de maand zeker een Max”.
2.15 Op 25 september 2024 heeft de advocaat van de wederpartij inhoudelijk gereageerd
op de brief van 7 juni 2024 en een voorstel gedaan voor overname van de woning door
de vrouw.
2.16 Op 26 september 2024 heeft klager aan verweerster laten weten dat hij niet
akkoord gaat met het voorstel, waarbij hij onder meer schrijft: “Zoals ik zei wordt
het een rechtszaak!!” en “Ik zeg niet meer tijd verkwanselen en laat de rechter maar
oordelen !!”.
2.17 Op 9 oktober 2024 heeft klager verweerster gevraagd of zij de brief al heeft
geschreven. Op 10 oktober 2024 heeft verweerster een conceptbrief naar klager gestuurd.
Na reactie van klager heeft verweerster de brief op 10 oktober 2024 naar de advocaat
van de wederpartij gestuurd, waarin het op 25 september 2024 gedane voorstel wordt
afgewezen en verweerster vraagt of de (advocaat van de) wederpartij nog ruimte ziet
om tot elkaar te komen. Verweerster heeft daarbij geschreven dat klager anders de
procedure tot verdeling zal starten.
2.18 Op 11 oktober 2024 heeft verweerster via WhatsApp aan klager onder meer
geschreven: “Wachten is goed op dit moment hoor.” Klager heeft daarop gereageerd met:
“Ik heb geen haast maar ze moeten wel de druk op de ketel voelen!! (…) Daarom wil
ik ook nog 1 jaar het huis aanhouden!! Verkocht voor 1 januari 2026!!”
2.19 Op 1 november 2024 heeft klager via WhatsApp aan verweerster onder meer
geschreven: “Ze hebben vast niet gereageerd. Tis de eerste van de maand, we gaan maar
eens beginnen aan een rechtszaak lijkt mij?”
2.20 Op 6 december 2024 heeft klager een uitgebreide e-mail naar verweerster
gestuurd, waarin hij onder meer schrijft:
“Nu heb ik alle tijd om je een email te schrijven. En ik denk ook persoonlijk een
rechtszaak te starten. Van hun kant komt nul input of onredelijke voorstellen om de
boel maar te vertragen. (…)
Vandaar de woning te koop gaat na de zomervakantie 2025 (1st september). De oplevering
december 31 2025 of evt. later als de woning nog niet verkocht is natuurlijk.”
2.21 Op 10 december 2024 heeft klager via WhatsApp aan verweerster geschreven:
“Ik wil graag dat je de papieren klaar maakt voor de rechtszaak om het huis te verkopen!
We zijn weer een maand verder en ik denk dat [de advocaat van de wederpartij] nog
geen contact met je heeft opgenomen!! Ben er u wel klaar mee, dossier is dik genoeg
nu!”.
2.22 Op 12 december 2024 heeft verweerster via WhatsApp aan klager laten weten
dat [zij door privéomstandigheden] niet is toegekomen aan het contact opnemen met
klager. Klager heeft hierop via WhatsApp begripvol gereageerd richting verweerster
en onder meer geschreven: “Laten we volgende week of vlak voor kerst effe Skypen!!
Dan beginnen we de rechtszaak wel in 2025!!”
2.23 Op 6 januari 2025 heeft klager via WhatsApp aan verweerster gevraagd die
week te communiceren met betrekking tot de rechtszaak over de verkoop van het huis.
Op 8 januari 2025 heeft verweerster laten weten dat zij die week weer was gestart
en de week daarop zou proberen een start te maken met de zaak van klager.
2.24 Half januari 2025 hebben klager en verweerster elkaar gesproken via Skype.
2.25 Op 4 februari 2025 heeft klager via WhatsApp naar verweerster gestuurd:
“We zijn nu drie weken verder. Enige update van jouw kant?” Verweerster heeft op 5
februari 2025 gereageerd en klager laten weten dat ze pas de week na het gesprek eraan
zou starten, dat ze de dagvaarding nagenoeg af had, maar dat ze nog wel de huwelijksakte
moest opvragen.
2.26 Op 24 februari 2025 heeft klager via WhatsApp naar verweerster gestuurd:
“We zijn weer 19 dagen verder, deze week moet het af [verweerster]! Duurt me allemaal
veels te lang. Ben er nu wel klaar mee. Wil de rechtszaak nu wel eens beginnen. Vanaf
12 januari we zijn nu 43 dagen verder, echt belachelijk dat het zolang moet duren”.
Verweerster heeft laten weten dat ze die week op vakantie is.
Klager heeft daarop gereageerd met: “Op 5 februari zei dat je het nagenoeg af had
en moest wachten op de huwelijksakte!! Dat duurt geen 3 weken, zoals ik zei echt belachelijk
hoe je met mij omgaat mbt dit!! (…) Na de vakantie heb je een week de tijd om af te
maken. (…) Ik ben er nu echt klaar mee. Genoeg nu.”
Verweerster heeft gereageerd met het bericht dat het zeker lang duurt, dat ze het
niet waardeert als klager zo tegen haar spreekt en dat het klager altijd vrij staat
om naar een andere advocaat te gaan.
2.27 Op 7 maart 2025 heeft verweerster de advocaat van de vrouw gevraagd of de
vrouw op kantoor domicilie kiest. De advocaat van de vrouw heeft hierop akkoord gegeven.
2.28 Op 7 maart 2025 hebben klager en verweerster via WhatsApp contact gehad
over de mogelijkheden voor een taxatie, waarbij klager heeft gekozen voor de optie
dat hij en de vrouw ieder een taxatie laten uitvoeren en dat het gemiddelde van beide
taxaties wordt genomen. Verweerster heeft laten weten dat zij het aan de advocaat
van de vrouw ging voorleggen.
2.29 Op 10 maart 2025 heeft verweerster de advocaat van de vrouw gevraagd of
de vrouw openstaat om in overleg een taxatie te laten uitvoeren. Verweerster heeft
voorgesteld dat beide partijen een eigen taxatie kunnen laten uitvoeren, waarna wordt
uitgegaan van het gemiddelde.
2.30 Op 14 maart 2025 heeft de advocaat van de vrouw een (laatste) voorstel aan
klager gedaan om tot overeenstemming te komen. Op 18 maart 2025 heeft verweerster
de e-mail doorgestuurd naar klager en onder meer geschreven dat dit kan worden gebruikt
om een tegenvoorstel te doen. Verweerster schreef daarbij: “Op deze wijze is het immers
een simpele koehandel. Vraag is dan met welk bedrag jij tevreden bent.”
2.31 Op 18 maart 2025 heeft klager gereageerd en onder meer geschreven:
“Ik snap er niks meer van. 120000 euro. Als ik een Bedrag moet noemen? Dit blijft
alleen maar uitstellen en van links naar rechts gaan. Waarom gaan we gewoon niet procederen,
laat de rechtbank maar oordelen, dan zien we t wel. (…) 60000 euro is op niks gebaseerd!”
2.32 Op 4 april 2025 heeft verweerster aan de advocaat van de vrouw laten weten
dat er diverse punten zijn waar partijen structureel anders tegenaan kijken en dat
het geen zin heeft om daar wederom op in te gaan. Verweerster heeft geschreven dat
het voorgestelde uitkoopbedrag voor klager te laag is en dat klager een bedrag van
€ 130.000,- wil zien. Verweerster heeft verder gevraagd in hoeverre de vrouw open
staat voor taxatie, voor het geval partijen er niet uitkomen, zodat de procedure over
de overname gemakkelijker kan worden gevoerd.
2.33 Op 21 april 2025 heeft klager via WhatsApp aan verweerster geschreven: “Hoi
[verweerster], ik ga vanuit dat ze nog niet gereageerd hebben, ik ben er wel klaar
mee met hun. Als ze voor 1 mei niet gereageerd hebben dan mag je van mij gaan procederen
hoor.”
2.34 Op 22 april 2025 heeft verweerster de advocaat van de vrouw gevraagd of
zij haar kan berichten over een mogelijke schikking ofwel het mogelijk laten uitvoeren
van een taxatie.
2.35 Op 5 mei 2025 heeft klager via WhatsApp aan verweerster geschreven: “We
zijn weer twee weken verder, ga vanuit dat ze nog niet gereageerd hebben. Laten we
maar beginnen met een rechtzaak [verweerster], ik wil verder met mijn leven en dit
afronden.” Verweerster heeft hierop gereageerd met: “Ga ik doen. Hier alleen nu Bevrijdingsdag
dus ben niet aan ’t werk vandaag”.
2.36 Op 13 mei 2025 heeft verweerster aan de advocaat van de vrouw onder meer
geschreven:
“Wij bespraken dat er op diverse punten verschillen van inzicht zijn tussen partijen,
namelijk welk bedrag aan [kinderalimentatie] staat er nog open, wat is de waarde van
de woning en moet er iets met de studieschuld van de man. (…)
Voorts lijkt het mij verstandig om gezamenlijk een taxateur aan te wijzen en partijen
zich te laten conformeren aan de uitkomst van de taxatie, zodat er duidelijkheid komt
over de waarde. Nu is het voorstel vanuit de vrouw € 60K en vanuit de man € 130K.
Dit verschil is mede ingegeven door een verschillende visie op de waarde van de woning.
(…) Een andere optie zou zijn om beiden een eigen taxatie te laten uitvoeren en dan
een gemiddelde daarvan te pakken. Ook hierbij dient er vooraf commitment over de uitkomst
te zijn.
Ik heb u aangegeven dat ik reeds doende ben de gerechtelijke stukken op te stellen
nu ik op mijn e-mails van 4 en 22 april jl geen reactie van u heb mogen ontvangen.”
2.37 De advocaat van de vrouw heeft diezelfde dag laten weten dat zij geen e-mails
van 4 en 22 april 2025 heeft ontvangen, met het verzoek deze alsnog toe te sturen.
2.38 Op 14 mei 2025 heeft de advocaat van de vrouw namens de vrouw voorgesteld
de woning bindend te laten taxeren door makelaar N.
2.39 Op 15 mei 2025 heeft verweerster klager gevraagd om een reactie op de e-mail
van de advocaat van de vrouw van 14 mei 2025. Verweerster heeft daarbij geschreven
dat de makelaar goed bekend staat in de regio en dat zij er dus niets op tegen heeft
om daarvoor te gaan.
2.40 Op 30 mei 2025 heeft klager via WhatsApp gevraagd of verweerster een update
heeft. Verweerster heeft gereageerd met: “Ik heb van de week iets binnen gekregen
maar heb daar nog niet naar kunnen kijken vanwege het overlijden van […]. (…) Ik zal
er volgende week op terugkomen.”
2.41 Op 11 juni 2025 (5:03 uur) heeft klager een e-mail naar verweerster gestuurd
met als onderwerp “Deadline indiening dagvaarding woning [adres]”. Klager heeft daarin
aangegeven dat de kwestie van de verkoop van de woning sinds eind 2023 onder verweersters
verantwoordelijkheid loopt, dat zij herhaaldelijk heeft toegezegd stappen te ondernemen
(zoals het opstellen en indienen van een dagvaarding), maar dat er tot op heden geen
concrete actie zichtbaar is. Klager heeft aangegeven dat hij het patroon van traagheid,
onduidelijkheid en uitstelgedrag niet langer accepteert en dat hij op 18 juni 2025
om 17:00 uur de volledige dagvaarding wilde ontvangen en een (schriftelijke) planning,
anders zou hij onder meer een formele klacht indienen bij de deken en eventueel een
civiele schadeclaim voorbereiden.
2.42 Op 11 juni 2025 (10:08 uur) heeft verweerster klager bedankt voor zijn mail,
waarbij zij schreef dat zij nog in afwachting is van zijn antwoord op haar e-mail
van 15 mei 2025.
2.43 Op 11 juni 2025 (14:58 uur) heeft klager aan verweerster bericht dat hij
de e-mail van 15 mei 2025 niet had ontvangen en dat hij uitsluitend bereid is akkoord
te gaan met een taxatie door de betreffende makelaar onder een aantal schriftelijk
vast te leggen voorwaarden. Klager heeft daarbij ook geschreven dat deze taxatievoorstellen
geen invloed hebben op zijn eerder gestelde harde deadline (18 juni 2025) en dat zijn
geduld inmiddels is uitgeput.
2.44 Op 11 juni 2025 (15:05 uur) heeft verweerster gereageerd en haar verbazing
over de toon van de e-mail van klager uitgesproken. Zij heeft daarbij ook geschreven:
“Indien je geen vertrouwen hebt in onze samenwerking, zal ik je de eindnota zenden
en ben je vrij om een ander in de arm te nemen. Ik werk niet onder dreiging met deadlines.
Je bent zeer wel op de hoogte van [mijn privéomstandigheden] in de afgelopen 6 maanden
[…] (…). Daar gaat inderdaad een vermindering van werkzaamheden mee gepaard. Als je
denkt dat dat klachtwaardig is, dan wens ik je veel succes met het starten van een
klachtenprocedure.
Ik hoor graag of je op een normale wijze verder wilt samenwerken.”
2.45 Op 11 juni 2025 heeft verweerster een WhatsApp-bericht naar klager gestuurd:
“Hi [klager], misschien is het goed even normaal te overleggen ipv brieven op hoge
poten te sturen. Ik begrijp dat je op voortgang zit te wachten, maar dit is niet de
manier om dat aan te pakken. Het motiveert mij iig niet om je zaak voorrang te geven,
een normaal verzoek wel. (…)”
2.46 Op 11 juni 2025 (18:08 uur) heeft klager aan verweerster geschreven dat
zij geen inhoudelijke reactie heeft gegeven op zijn concrete verzoeken, waardoor het
door klager genoemde patroon wordt bevestigd. Klager heeft onder meer geschreven:
“Uw WhatsApp-bericht van heden waarin u stelt ‘zich niet gemotiveerd te voelen om
mijn zaak voorrang te geven zolang ik mijn verzoeken niet anders formuleer’, onderstreept
dat de werkrelatie inmiddels ernstig is verstoord en geen toekomst meer heeft.
Daarom beëindig ik hierbij per direct onze samenwerking.
Ik verzoek u uiterlijk op maandag 16 juni 2026 om het volgende:
1. Een gespecificeerde eindnota (…)
2. Het volledige dossier, inclusief alle correspondentie, notities, e-mails en
processtukken”
2.47 Op 13 juni 2025 (00:00 uur) heeft verweerster aan klager onder meer geschreven
dat zij haar werkzaamheden voor klager zal neerleggen en de advocaat van de wederpartij
daarvan op de hoogte zal stellen. Verweerster heeft verder geschreven:
“Het dossier heb je overigens al in je bezit: alle correspondentie tussen ons beide,
maar ook tussen mij en de wederpartij ben je in meegenomen. Ik zal deze niet nogmaals
toezenden.
De gerechtelijke procedures die reeds zijn afgerond, zijn tevens volledig in je
bezit.”
2.48 Op 13 juni 2025 (om 00:03 uur) heeft verweerster de advocaat van de vrouw
bericht dat zij klager niet langer bijstond, waarbij verweerster de advocaat succes
wenste met de verdere afhandeling van het dossier. Klager heeft een cc van deze e-mail
ontvangen.
2.49 Op 16 juni 2025 heeft verweerster een factuur naar klager gestuurd. Zij
schrijft daarbij:
“Ik merk op dat ik uit coulance de kosten voor het opstellen van de dagvaarding
(totaal 2,3 uur) uit de urenstaat verwijderd heb, nu je de dagvaarding weer opnieuw
zult laten opstellen en je daaraan kosten kwijt zult zijn. Ik zend je volledigheidshalve
nog wel de concept dagvaarding toe, nu dat in mijn optiek het enige stuk is dat je
nog niet in je bezit hebt.
Mocht je zelf van mening zijn dat je stukken mist, dan verneem ik dat graag. Ik
werk met een digitaal dossier en voor zover ik het kan zien, heb je alle stukken en
concepten reeds van me per mail ontvangen.”
De bijgevoegde factuur betreft een bedrag van € 931,10 (4,05 uur à € 190,- per uur,
plus btw). Uit de specificatie blijkt dat de kosten zien op de periode 12 september
2024 t/m 13 juni 2025.
2.50 Op 17 juni 2025 heeft klager de factuur betwist en betaling gemotiveerd
geweigerd in een mail met als onderwerp “Betwisting factuur (….) klacht en integriteitsvragen”.
Klager heeft onder meer geschreven:
“Volgens uw eerdere factuur (…) werd 10.15 uur gedeclareerd. (…) In totaal zou er
dus 14,2 uur zijn gewerkt aan een dossier dat sinds eind 2023 loopt. (…)
Daarbij komt dat u in beide nota’s de werkzaamheden over een heel jaar pas na lange
tijd heeft gefactureerd, wat de controleerbaarheid van de verrichte werkzaamheden
ernstig bemoeilijkt.”
2.51 Verweerster heeft diezelfde dag gemotiveerd gereageerd op klagers bericht,
waarbij zij schreef dat zij dat doet als klachtenfunctionaris van haar kantoor.
“Ik merk voor de goede orde op dat op 6 december er pas echt door jou groen licht
is gegeven voor de start met de procedure over de woning. (…)
Volledigheidshalve merk ik op dat jouw mail van 6 december is blijven liggen vanwege
de [privéomstandigheden]. (…) Ik heb je ook op de hoogte gesteld van [privéomstandigheden].
Hoewel dit persoonlijke zaken zijn, heeft [dit] uiteraard invloed op mijn werkzaamheden.
(…) Werk is dan soms minder belangrijk en binnen de praktijk betekent het dat echt
prangende (dus al lopende en tijdsgevoelige) zaken voor gaan. Ik ben echter van mening
dat ook onder die omstandigheden en met jouw wetenschap daarvan ik jou dossier voldoende
voortvarend heb behandeld. (…)
Je hebt absoluut gelijk dat ik niet maandelijks een factuur heb toegezonden en dat
pas na verloop van een aanzienlijke tijd doe. Overigens heb ik dat al de 5 jaar dat
wij een samenwerking hebben gehad zo gedaan en heb je nimmer aangegeven dat onprettig
te vinden. (…)
Ik doe je hierbij echter toch het voorstel om de laatste factuur in te trekken,
in geval jij je klacht ook niet voortgezet. Een klachtenprocedure kost mij immers
veel tijd en deze wil ik om die reden dan ook graag voorkomen.”
2.52 Op 18 juni 2025 heeft klager een definitief voorstel tot beëindiging van
het dossier zonder tuchtprocedure gedaan. Als voorwaarden heeft klager onder meer
gesteld intrekking van de twee laatste facturen (met terugbetaling van een reeds betaald
bedrag), erkenning van verweerster dat er in het dossier sprake is van tekortkomingen
en medewerking aan overdracht van het dossier.
2.53 Verweerster heeft diezelfde dag laten weten:
“Dank voor je bericht. Ik zie de klacht graag tegemoet.”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster het volgende:
a) Er is sprake van langdurige passiviteit, gebrekkige communicatie, structurele
nalatigheid en onzorgvuldige behandeling van klagers dossier. Klagers dossier bleef
gedurende een periode van ruim anderhalf jaar (2023-2025) nodeloos liggen, cruciale
stappen werden uitgesteld of genegeerd en het ontbrak aan een duidelijke strategie
en regie.
b) Verweerster heeft het dossier niet correct afgerond en overgedragen. Ondanks
klagers verzoeken, bleef een professionele afsluiting uit en is het dossier niet volledig
overgedragen.
3.2 Klager heeft toegelicht dat sprake was van een structureel gebrek aan voortgang,
communicatie en zorgvuldige uitvoering van de opdracht door verweerster. Zij bleef
passief, reageerde traag of niet op belangrijke kwesties en essentiële acties (zoals
het opvragen van akten, reageren op tegenvoorstellen en het verwerken van klagers
input) kwamen veel te laat of niet. Klager moest haar herhaaldelijk herinneren, aansturen
en corrigeren. Verweerster beriep zich op persoonlijke omstandigheden als verklaring
voor de langdurige stilstand in het dossier, zonder daarbij enige structurele oplossing
of duidelijke planning te bieden. Uiteindelijk heeft klager de samenwerking opgezegd
vanwege een ernstig verlies van vertrouwen en het uitblijven van professionele voortgang.
Verweerster bevestigde die opzegging, maar liet daarbij belangrijke stukken achterwege
en gaf geen toelichting op eerdere nalatigheid. Kort daarna bleek dat de vrouw al
op de hoogte was van de beëindiging via haar advocaat, terwijl klager nog wachtte
op afronding. Klager heeft ook een schijn van belangenverstrengeling ervaren.
3.3 Klager stelt dat sprake is geweest van handelen in strijd met gedragsregels
12, 13, 17, 26 en 28.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Zij heeft toegelicht hoe
de zaak is verlopen en stelt dat de door haar geschetste tijdslijn en stukken laten
zien dat de klacht niet terecht is. Zij heeft de zaak van klager over de gemeenschappelijke
woning met voldoende zorgvuldigheid behandeld. De zaak heeft een lage tred gehad,
maar daar zijn twee partijen debet aan. Klager is in iedere stap meegenomen en heeft
steeds ingestemd met de correspondentie en gemaakte keuzes, zo ook wat betreft het
aangaan van onderhandelingen. Uit de stukken blijkt dat klager een ambivalente houding
had ten aanzien van het geschil: het ene moment wilde hij rustig aan doen, een volgend
moment moest er snel gehandeld worden. Dan weer wilde klager nog geen concrete stappen,
maar wel druk op de ketel. Dat duidelijkheid op onderdelen nodig was voor de procedure,
dan wel een schikking is beproefd, past bij de ambivalente houding van klager. Verweerster
is op geen enkel moment voorbijgegaan aan de wensen van klager. Klager is verder op
de hoogte gebracht van de persoonlijke omstandigheden die ervoor hebben gezorgd dat
verweerster in de maand december 2024 niets heeft gedaan in zijn zaak. Dat klager
het, achteraf bezien, sneller had gewild, doet niet af aan de strategie die met elkaar
is gekozen, waarbij eerst is ingezet op een schikking vanwege de mogelijke hobbels
die met een procedure zouden worden ervaren.
4.2 Klager heeft niet laten weten welke stukken hij mist. Het stond verweerster
vrij om op redelijke wijze de klacht op te lossen, ook door voor te stellen een factuur
in te trekken.
4.3 Verweerster heeft een redelijk honorarium in rekening gebracht. De nota’s
zijn altijd goed gespecificeerd. Klager heeft wel gelijk dat er niet maandelijks gedeclareerd
is. Dat is echter nooit gedaan: in de loop van vijf jaren zijn voor werkzaamheden
elf facturen verzonden. Klager heeft nimmer aangegeven liever vaker een nota te ontvangen.
4.4 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a) – verweersters bijstand
5.2 De klacht ziet in de kern op verweersters bijstand in het geschil over de
verkoop van de woning in de periode (eind) december 2023 tot en met de beëindiging
van de samenwerking in juni 2025. Klager stelt dat onder meer sprake is geweest van
langdurige passiviteit, gebrekkige communicatie, structurele nalatigheid, onzorgvuldige
behandeling van het dossier en een gebrek aan voortgang en regie.
5.3 De raad stelt vast dat eind september 2023 is besproken dat de focus van
de bijstand vanaf dat moment zou komen te liggen op de (verkoop van de) gezamenlijke
woning. Maar dat had op dat moment kennelijk (nog) niet veel haast. In december 2023
heeft verweerster een brief naar de wederpartij gestuurd om de kwestie van de woning
onder de aandacht te brengen. Vervolgens heeft het dossier vanaf dat moment tot juni
2025 met zeer trage tred gelopen, onder andere doordat e-mails niet altijd aankwamen
en inhoudelijke reacties (zeer) lang op zich lieten wachten. Verweerster kan zeker
niet van alle vertraging een verwijt worden gemaakt, maar zij had meer kunnen en moeten
doen om het tempo op te voeren en om de procedure daadwerkelijk te starten. Verweerster
heeft terecht eerst geprobeerd het geschil over de woning in onderling overleg met
de wederpartij te regelen. In de loop van 2024 werd echter duidelijk dat partijen
er niet uit kwamen. Verweerster heeft in haar brief van 10 oktober 2024 aan de wederpartij
gevraagd of er nog ruimte was om tot elkaar te komen, waarbij zij heeft aangekondigd
dat klager anders de procedure tot verdeling zou starten. In december 2024 is kennelijk
daadwerkelijk besloten om de procedure te starten. Zo ver is het niet gekomen, terwijl
verweerster in februari 2025 aan klager liet weten dat de dagvaarding nagenoeg gereed
was. Klager heeft eind 2024 en in de loop van 2025 ook steeds nadrukkelijker gevraagd
wanneer de procedure zou worden gestart. Verweerster is ondertussen blijven proberen
(op onderdelen) tot een minnelijke regeling te komen. Dat kan, maar zij had meer oog
moeten hebben voor de voortgang van de zaak en de duidelijke wens van klager om de
procedure te starten, met name in het laatste halfjaar. Het is verder duidelijk dat
ook vertraging is ontstaan doordat verweerster in het laatste halfjaar (van december
2024 tot juni 2025) twee overlijdens in haar directe omgeving heeft meegemaakt. Dat
is begrijpelijk en verweerster heeft daarover duidelijk met klager gecommuniceerd.
Zij had in de periode waarin dit niet speelde (van januari tot half mei 2025) juist
meer kunnen en moeten doen om de zaak te bespoedigen.
5.4 Daar komt bij dat er tussen klager en verweerster veel is gecorrespondeerd,
zowel per e-mail als via WhatsApp. Verweerster heeft de opdracht die betrekking heeft
op de verkoop van de gemeenschappelijke woning, met daarbij de strategie, de kansen
en de risico’s niet duidelijk vastgelegd. Ook in de loop van de juridische bijstand
van verweerster, heeft zij niet altijd duidelijk schriftelijk gecommuniceerd, zoals
bijvoorbeeld op het moment dat kennelijk werd besloten om de procedure te starten
en de keuze om daarnaast door te onderhandelen over de taxatie. Voor een deskundig
advocaat zijn die keuzes en mogelijkheden wellicht logisch, maar het is aan verweerster
als advocaat om haar cliënt mee te nemen in de keuzes die gemaakt worden en die toe
te lichten (zie ook gedragsregels 16). Dat is hier onvoldoende gebeurd.
5.5 De raad is dan ook van oordeel dat verweersters inhoudelijke bijstand niet
verkeerd is geweest, maar dat zij klager onvoldoende (schriftelijk) heeft meegenomen
in de strategie en de gemaakte keuzes. Zij heeft bovendien vanaf januari 2025 onvoldoende
voortvarend gehandeld in het dossier. De klacht is in zoverre gegrond.
5.6 Er is evenwel geen sprake van langdurige passiviteit of structurele nalatigheid.
Evenmin kan worden geconcludeerd dat het dossier ruim anderhalf jaar nodeloos is blijven
liggen. Er is in die periode wel degelijk het nodige gebeurd, zoals de poging om het
geschil in onderling overleg met de wederpartij te regelen. Van (schijn van) belangenverstrengeling
is evenmin gebleken. In zoverre is dit klachtonderdeel ongegrond.
Klachtonderdeel b) – beëindiging en overdracht dossier
5.7 Dit verwijt ziet op de afronding en overdracht van het dossier. Klager heeft
op 11 juni 2025 (mail van 18:08 uur) de samenwerking met verweerster per direct beëindigd.
Hij heeft verweerster daarbij verzocht om een gespecificeerde nota en het volledige
dossier (inclusief alle correspondentie, notities, e-mails en processtukken). Verweerster
heeft vervolgens laten weten dat klager het dossier al in bezit had en dat zij dit
niet nogmaals zal toezenden. Zij heeft op 16 juni 2025 de conceptdagvaarding nog naar
klager gestuurd en daarbij vermeld dat als klager stukken miste, hij dat aan verweerster
kon laten weten.
5.8 De raad is van oordeel dat de klacht over de overdracht van het dossier ongegrond
is. Verweerster heeft klager laten weten dat hij het dossier al in bezit had en heeft
de conceptdagvaarding nog toegezonden. Daarmee beschikte klager over het dossier:
de procedure was immers nog niet gestart en het ‘dossier’ bestond daarmee voornamelijk
uit de tussen klager en verweerster en tussen verweerster en de advocaat van de wederpartij
gevoerde correspondentie. Daarover beschikte klager. Zo nodig had hij verweerster
kunnen laten weten welke stukken hij nog mistte, zodat zij die aan hem kon verstrekken.
Verweerster kan op dit punt geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.
5.9 De raad is verder van oordeel dat verweerster terecht aan de advocaat van
de wederpartij heeft gemeld dat zij klager niet langer bijstond. Verweerster heeft
– nadat klager de samenwerking had beëindigd – eerst aan klager bevestigd dat zij
haar werkzaamheden zou neerleggen en daarna een bericht naar de advocaat van de wederpartij
daarover gestuurd. Dat mocht verweerster doen. Dat de overdracht verder nog niet was
afgerond (bijvoorbeeld door verzending van een eindfactuur) is daarbij niet relevant.
5.10 De communicatie tussen klager en verweerster half juni 2025 verdient verder
niet de schoonheidsprijs. Klager heeft zich, anders dan daarvoor, vanaf 11 juni 2025
ineens formeel en zakelijk opgesteld richting verweerster, terwijl het contact eerder
vrij informeel en amicaal was. Verweerster heeft in haar berichten uitlatingen gedaan
die voor klager mogelijk olie op het vuur zijn geweest. Hoewel verweerster haar toon
hier had kunnen matigen, ziet de raad daarin echter geen tuchtrechtelijk verwijtbare
uitlatingen.
5.11 De klacht ziet er verder nog op dat verweerster niet maandelijks heeft gedeclareerd.
De raad kan niet vaststellen wat tussen klager en verweerster is afgesproken over
de wijze en frequentie van declareren. Verweerster heeft gesteld dat zij gedurende
de vijf jaar dat zij klager heeft bijgestaan nooit op maandelijkse wijze heeft gedeclareerd.
Zij heeft onbetwist gesteld dat klager daar nooit eerder een probleem van heeft gemaakt.
Het is tegelijkertijd begrijpelijk dat het voor klager lastig te overzien en/of te
controleren is of de werkzaamheden overeenkomen met de gefactureerde tijd wanneer
verweerster een factuur over een periode van negen maanden stuurt. Het zou beter zijn
geweest als verweerster periodiek (bijvoorbeeld elke maand of elke twee/drie maanden)
een factuur had gestuurd. Gelet op de relatief beperkte omvang van de laatste factuur
en het feit dat klager zich over de wijze van factureren nooit eerder bij verweerster
heeft beklaagd, acht de raad dit klachtonderdeel niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
De klacht is daarom ongegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerster heeft klager, haar cliënt, in een langlopend dossier onvoldoende
meegenomen in de door haar gekozen strategie. Zij heeft hem onvoldoende schriftelijk
op de hoogte gebracht van de gemaakte keuzes, kansen en risico’s. Ook heeft zij het
dossier, met name in het laatste half jaar dat zij nog voor klager optrad, onvoldoende
voortvarend opgepakt en heeft zij onvoldoende oog gehad voor klagers duidelijke wens
om te gaan procederen over de kwestie.
6.2 De raad acht een zakelijke terechtwijzing passend en legt daarom de maatregel
van waarschuwing op.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, dient verweerster
op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht
van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden. Klager dient binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer
schriftelijk aan verweerster door te geven.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond
van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster dient het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 genoemde
kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, over te
maken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse
Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline"
en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel a) deels gegrond en deels ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel b) ongegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager,
op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan
de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór
bepaald in 7.3.