ECLI:NL:TADRSGR:2026:6 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-753/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:6
Datum uitspraak: 07-01-2026
Datum publicatie: 14-01-2026
Zaaknummer(s): 25-753/DH/RO
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening. Verweerster kan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt van het feit dat zij geen gerechtelijke procedure tegen ZK heeft opgestart. In de onderhavige zaak heeft verweerster klager meerdere malen verzocht om haar te voorzien van bewijsstukken en heeft zij hem er meerdere malen op gewezen dat zonder een deugdelijke onderbouwing voorzien van bewijsstukken geen gerechtelijke procedure aanhangig kon worden gemaakt. Verweerster heeft onweersproken gesteld dat klager haar desondanks niet van de benodigde stukken heeft voorzien en uit de overgelegde stukken is dit ook niet gebleken. Het verwijt dat verweerster het dossier en de toevoeging in de strafzaak niet heeft overgedragen aan de opvolgend advocaat mist feitelijke grondslag. In beide onderdelen kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag

van 7 januari 2026 in de zaak 25-753/DH/RO

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de e-mail van 3 november 2025 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) met kenmerk A2025/101 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 28.

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Klager heeft zich op enig moment tot verweerster gewend voor rechtsbijstand in zijn geschil met ZK en een tegen hem aanhangige strafzaak.

1.2 Het geschil tussen klager en ZK had betrekking op openstaande facturen. ZK heeft voor de incasso van een vordering op klager een deurwaarder ([naam deurwaarder]) ingeschakeld. Verweerster heeft de deurwaarder vanaf 5 juli 2023 meerdere keren aangeschreven en om informatie over de onderbouwing van de vordering gevraagd.

1.3 Op 16 april 2024 heeft verweerster vanwege het uitblijven van een inhoudelijke reactie een klacht tegen de deurwaarder ingediend bij de Kamer van Gerechtsdeurwaarders.

1.4 Klager heeft bij verweerster aangegeven dat hij tevens een gerechtelijke procedure jegens ZK aanhangig wilde maken. Bij e-mails van 12 oktober 2023, 14 februari 2024, 27 februari 2024, 11 maart 2024, 18 juni 2024 en 19 juni 2024 heeft verweerster aan klager verzocht om stukken aan te leveren ter onderbouwing van zijn vordering op ZK. In de e-mail van 14 februari 2024 heeft verweerster aan klager medegedeeld dat hij, als hij zich niet kon vinden in haar werkwijze, zich tot een andere advocaat moest wenden. In de e-mail van 18 juni 2024 heeft verweerster aan klager medegedeeld dat zonder een deugdelijke onderbouwing voorzien van bewijsstukken geen gerechtelijke procedure aanhangig kon worden gemaakt.

1.5 Op 19 juni 2024 heeft verweerster een conceptbrief aan het CJIB naar klager gestuurd. In deze conceptbrief werd het CJIB gevraagd om informatie te verstrekken over een in 2013 op de zorgtoeslag gelegd beslag. Klager heeft niet op de conceptbrief gereageerd.

1.6 Op enig moment heeft klager alsnog stukken naar verweerster gestuurd. Bij e-mail van 11 juli 2024 heeft verweerster vragen aan klager gesteld over deze stukken.

1.7 Omdat klager niet op verweersters e-mails van 19 juni 2024 en 11 juli 2024 had gereageerd, heeft verweerster op 19 augustus 2024 klager nogmaals gevraagd om een reactie.

1.8 Bij e-mail van 15 september 2024 heeft klager verweerster bericht dat hij bereid was om het geschil met ZK te schikken onder de voorwaarde dat een bedrag van € 90.000,00 aan hem zou worden betaald en hij gedurende een jaar kosteloos verzekerd zou zijn voor tandartskosten. Bij e-mail van 16 september 2024 heeft verweerster aan klager medegedeeld dit naar haar mening geen realistisch schikkingsvoorstel was. Verweerster heeft daarnaast aan klager gevraagd om alsnog duidelijkheid te verstrekken over betalingen die in september, oktober en november 2022 hadden plaatsgevonden.

1.9 Klager heeft zich vervolgens bij verweerster beklaagd over de door haar verleende bijstand. Bij e-mail van 7 oktober 2024 heeft verweerster aan klager verzocht om in het vervolg niet meer op verweersters verzoeken om informatie te reageren met verwijten aan haar adres, omdat zij anders genoodzaakt zou zijn om de behandeling van klagers zaak vanwege een vertrouwensbreuk neer te leggen. Bij e-mail van 22 oktober 2024 heeft verweerster aan klager medegedeeld dat zij zijn klacht op basis van zijn e-mails van 7 tot en met 10 oktober 2024 als ingetrokken beschouwde. Eveneens bij e-mail van 22 oktober 2024 heeft verweerster een conceptbrief aan [de deurwaarder] naar klager gestuurd. Klager kon zich niet in dit concept vinden en heeft wederom aan verweerster medegedeeld dat hij een gerechtelijke procedure jegens ZK aanhangig wilde maken.

1.10 Bij e-mail van 23 oktober 2024 heeft verweerster nogmaals aan klager bericht dat zonder een deugdelijke onderbouwing voorzien van bewijsstukken geen gerechtelijke procedure aanhangig kon worden gemaakt. Verweerster heeft de conceptbrief aan [de deurwaarder] aangepast en als bijlage aan de e-mail van 23 oktober 20224 naar klager gestuurd. Ook met dit concept is klager niet akkoord gegaan.

1.11 Bij e-mail van 5 december 2024 heeft klager wederom aan verweerster medegedeeld dat hij een gerechtelijke procedure jegens ZK aanhangig wilde maken. Bij e-mail van 16 december 2024 heeft verweerster nogmaals aan klager bericht dat zonder een deugdelijke onderbouwing voorzien van bewijsstukken geen gerechtelijke procedure aanhangig kon worden gemaakt. Ook heeft verweerster nogmaals aan klager duidelijk gemaakt dat hij, als hij zich niet kon vinden in haar werkwijze, zich tot een andere advocaat moest wenden. Verweerster heeft klager verzocht om ofwel een realistisch schikkingsbedrag te noemen ofwel alsnog bewijsstukken aan haar te overhandigen.

1.12 Op 15 januari 2025 heeft klager bij verweerster een klacht ingediend over de uitvoering van haar werkzaamheden. In januari en februari 2025 hebben klager en verweerster hierover gecorrespondeerd, waarna verweerster bij e-mail van 11 februari 2025 gemotiveerd aan klager heeft kenbaar gemaakt dat zij genoodzaakt was om de behandeling van de zaak vanwege de ontstane vertrouwensbreuk neer te leggen.

1.13 Op 4 februari 2025 heeft klager aan verweerster verzocht om de behandeling van de strafzaak tegen hem over te dragen aan mr. H.

1.14 Op 5 februari 2025 heeft verweerster het dossier via WeTransfer naar mr. H gestuurd.

1.15 Op 4 april 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.

1. Verweerster heeft zich niet aan de gemaakte afspraak gehouden, nu zij geen gerechtelijke procedure tegen ZK heeft opgestart.

2. Verweerster heeft het dossier en de toevoeging in de strafzaak niet overgedragen aan de opvolgend advocaat.

3 VERWEER

3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING

4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

4.2 Klachtonderdeel 1 – Verweerster heeft zich niet aan de gemaakte afspraak gehouden

Verweerster heeft dit verwijt uitdrukkelijk weersproken, in welk verband zij onder meer naar voren heeft gebracht dat zij niet aan klager heeft toegezegd een gerechtelijke procedure tegen ZK aanhangig te zullen maken. Verweerster heeft meerdere keren vergeefs aan klager verzocht om bewijsstukken aan haar te overhandigen en heeft ook meerdere keren aan hem kenbaar gemaakt dat, zolang zij niet over de benodigde bewijsstukken beschikte, een gerechtelijke procedure niet aanhangig kon worden gemaakt.

4.3 De voorzitter volgt verweerster in dit verweer. De voorzitter overweegt dat het aan de advocaat als juridisch professional is om te beoordelen of een procedure voldoende kans van slagen heeft. Indien een advocaat van oordeel is dat het aanhangig maken van een procedure geen of te weinig kans van slag heeft, is de advocaat niet verplicht die procedure aanhangig te maken. In de onderhavige zaak heeft verweerster klager meerdere malen verzocht om haar te voorzien van bewijsstukken en heeft zij hem er meerdere malen op gewezen dat zonder een deugdelijke onderbouwing voorzien van bewijsstukken geen gerechtelijke procedure aanhangig kon worden gemaakt. Verweerster heeft onweersproken gesteld dat klager haar desondanks niet van de benodigde stukken heeft voorzien en uit de overgelegde stukken is dit ook niet gebleken. Dat verweerster geen procedure tegen ZK aanhangig heeft gemaakt kan haar gelet op het voorgaande niet worden verweten. Naar het oordeel van de voorzitter blijkt uit de overgelegde correspondentie

4.4 Klachtonderdeel 2 – Verweerster heeft het dossier en de toevoeging in de strafzaak niet overgedragen

Klager verwijt verweerster dat zij het dossier en de toevoeging in de strafzaak niet heeft overgedragen aan de opvolgend advocaat. Verweerster heeft ook dit verwijt uitdrukkelijk weersproken en heeft ter onderbouwing van haar verweer stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij op 5 februari 2025 via WeTransfer stukken naar de opvolgend advocaat heeft gestuurd. De voorzitter is van oordeel dat klager hier onvoldoende concrete feiten en omstandigheden tegenover heeft gesteld. De voorzitter volgt verweerster daarom in haar verweer dat zij het dossier en de toevoeging wel degelijk naar de opvolgend advocaat heeft gestuurd. Omdat de feitelijke grondslag van dit klachtonderdeel ontbreekt, zal de voorzitter ook dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond verklaren.

4.5 Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerster is naar het oordeel van de voorzitter niet gebleken. Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in beide onderdelen kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber - van de Langenberg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026.

Griffier Voorzitter

Verzonden op: 7 januari 2026