ECLI:NL:TADRSGR:2026:5 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-807/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:5 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-01-2026 |
| Datum publicatie: | 14-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-807/DH/DH |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familiegeschil. Niet gebleken dat verweerster zich onjuist of onnodig grievend heeft uitgelaten. Een assistent van verweersters kantoor heeft per abuis een e-mail aan klager gestuurd. Dit is niet de bedoeling, maar er is niet direct sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Verweerster mocht verder afgaan op de tussen partijen gemaakte afspraken zoals die zijn opgenomen in het proces-verbaal van de zitting. Klacht in alle onderdelen ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 7 januari 2026 in de zaak 25-807/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 19 november 2025 met kenmerk K066 2025 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager heeft een affectieve relatie gehad. In augustus 2023 is de relatie verbroken. Klager en zijn ex-partner (hierna: de vrouw) zijn samen eigenaar van een woning.
1.2 Verweerster staat de vrouw bij.
1.3 Op 10 oktober 2023 heeft verweerster, namens de vrouw, klager in kort geding gedagvaard. In de dagvaarding staat onder meer:
“2. Kort daarna heeft de vrouw de woning eind augustus 2023 noodgedwongen moest verlaten wegens mishandeling door de man. (…)
7. De vrouw heeft zich tijdens de relatie met de man vaak onveilig gevoeld. De man was vaak verbaal agressief en zijn houding was dreigend. Bovendien heeft de man de vrouw meerdere keren geduwd. (…) De man sloeg de vrouw met een hard kussen tegen haar hoofd en toen de vrouw vervolgens probeerde de badkamer in te gaan, heeft de man de deur kapot gemaakt. De vrouw heeft enkele dagen later een melding gemaakt van voornoemd incident bij de politie en enige tijd later ook bij Veilig Thuis. De vrouw heeft inzage gevraagd in voornoemde melding bij de politie – en reeds eerder gedane meldingen – maar heeft thans nog geen overzicht van de politie ontvangen. (…)
8. Op dit moment ervaart de vrouw de opstelling van de man nog steeds als zeer dreigend en maakt zij zich zorgen om haar fysieke en mentale veiligheid. (…)
21. (…) Tevens heeft de man onrechtmatig toegang gekregen tot de inbox van de vrouw (die zij gebruikt voor haar onderneming) en heeft hij zich eigenhandig tot beheerder van deze inbox aangesteld. Ook heeft de vrouw opgemerkt dat een aantal inboedelgoederen in de woning ontbraken. De vrouw constateert dan ook dat de man zonder overleg met de vrouw een aantal inboedelgoederen van partijen heeft verkocht, dan wel heeft weggenomen uit de woning.”
1.4 Bij vonnis in kort geding van 24 november 2023 heeft de rechtbank (onder meer) het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw toebedeeld. Klager heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
1.5 Verweerster heeft voor de roldatum van 19 maart 2024 een Memorie van Antwoord in kort geding in gediend bij het gerechtshof. Daarin staat onder meer:
“4. De in eerste aanleg door de vrouw gebezigde standpunten en verweren worden onverkort gehandhaafd en dienen in deze appelprocedure als herhaald en ingelast te worden beschouwd. (...)
12. (…) - in september 2023 heeft de man de vrouw de toegang tot de beveiligingscamera’s aan de binnen- en buitenzijde van de woning ontzegd (…)
- bij zijn vertrek uit de woning op 13 december 2023: - heeft de man zonder overleg met de vrouw diverse inboedelgoederen, waaronder de elektrische open haard, alle in de woning aanwezige televisies, en het internet model meegenomen. Aangezien het internet model niet in de woning aanwezig was, heeft de vrouw een nieuw abonnement moeten afsluiten voor televisie en internet.”
1.6 Op 7 november 2024 is de zaak mondeling behandeld door het gerechtshof. Klager en de vrouw hebben een schikking getroffen, waarbij zij onder meer het volgende zijn overeengekomen (volgens het proces-verbaal van de zitting):
“1. Partijen komen overeen dat de woning (…) wordt toegedeeld aan de vrouw en dat het aandeel van de man in de woning uiterlijk op 31 januari 2025 wordt geleverd aan de vrouw. De levering van het aandeel van de man in de woning vindt plaats onder de voorwaarde dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening bij de ABN AMRO. (…)
4. Partijen zullen over en weer op het eerste verzoek van de ander hun medewerking verlenen aan de notariële overdracht van het aandeel van de man aan de vrouw in de woning.”
1.7 Op 26 februari 2025 om 16:39 uur heeft een assistent van verweersters kantoor de kort geding dagvaarding en het aanvraagformulier voor het kort geding aan klager gestuurd. De e-mail is gericht aan klagers advocaat.
1.8 Diezelfde dag om 16:57 uur heeft dezelfde assistent de e-mail aan klagers advocaat gestuurd en daarbij vermeld:
“Per abuis is deze mail ook naar uw cliënte verstuurd. Mijn welgemeende excuses voor het ongemak.”
1.9 Op 7 maart 2025 heeft verweerder, namens de vrouw, klager in kort geding gedagvaard. In de dagvaarding is onder meer opgenomen:
“15. In verband met de gemaakte afspraken heeft de vrouw begin december 2024 contact opgenomen met de notaris voor de levering. (…)
29. Ondanks herhaalde verzoeken van de vrouw daartoe, weigert de man zijn medewerking tot op heden, en zonder gegronde reden, nog steeds (…)
32. (…) Dat de door partijen overeengekomen termijn niet is gehaald, is niet aan de vrouw te wijten. Kijkend naar de gebeurtenissen (onder “feiten”) heeft de vrouw zich steeds ingespannen de afgesproken termijn te halen. Dat tot dusver niet is geleverd valt de man wél te verwijten.
33. Daags voor de afgesproken termijn komt de man plotseling met een wijziging in de conceptakte van verdeling, terwijl deze al ter goedkeuring aan de bank was voorgelegd en goedgekeurd. (…)
34. De vrouw kan niet anders concluderen dan dat de man er alles aan heeft gedaan het proces te vertragen. (…)
36. (…) Het is juist de man die levering van de woning in de weg staat, en heeft gestaan. (…)
40. (…) Nadat vervolgens nogmaals duidelijkheid is verschaft over de gemaakte afspraken door de vrouw, heeft de notaris (kennelijk) besloten de taxatiewaarde op te nemen in de akte van verdeling. (…)
44. (…) Notariële overdracht heeft niet kunnen plaatsvinden, nu de man zonder gegronde redenen weigert zijn medewerking te verlenen. Het is hoogst opmerkelijk dat de man de vrouw verwijt dat de levering niet tijdig heeft plaatsgevonden, terwijl juist hij verantwoordelijk is voor de opgelopen en onnodige vertraging.
45. De vrouw heeft er alles aan gedaan om levering van de woning te bewerkstelligen, en heeft de afgesproken datum van 31 januari jl. ook diverse keren aan de notaris kenbaar gemaakt. Het was de man die eind januari plotseling om een wijziging van de akte vroeg, en het was ook de man die geen akkoord heeft gegeven op de gewijzigde akte. (…)
48. Verder heeft de man bij zijn vertrek uit de woning zonder overleg met de vrouw diverse inboedelgoederen meegenomen, en was het voor de vrouw niet mogelijk gebruik te maken van de verwarming, nu sprake was van een lekkage en de man de vrouw daarvan niet op voorhand van op de hoogte had gesteld. Ook kreeg de vrouw geen zelfstandige toegang (van de man) tot het alarmsysteem. De vrouw zag zich in deze periode genoodzaakt de hulp van de politie in te schakelen. Zo heeft de vrouw in overleg met, en op advies van, de politie de beveiligingscamera’s aan de binnen zijde van de woning verwijderd (daartoe had de man nog steeds toegang tot).“
1.10 Op 7 april 2025 heeft de rechtbank vonnis in kort geding gewezen en klager veroordeeld om binnen een week na betekening van het vonnis zijn onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de levering van zijn onverdeelde aandeel in de gezamenlijke woning aan de vrouw. In het vonnis is onder meer opgenomen:
“4.4. [Klager] heeft nog gesteld dat tijdens de mondelinge behandeling op 7 november 2024 is besproken dat als de levering van het aandeel van [klager] aan [de vrouw] niet uiterlijk 31 januari 2025 heeft plaatsgevonden, de woning aan een derde zal worden verkocht. [De vrouw] heeft dat betwist en heeft erop gewezen dat dit ook niet zo in het proces-verbaal is vastgelegd. Een oordeel over de vraag of [klager] op dit punt gelijk heeft of [de vrouw] vergt dat getuigen worden gehoord en daarvoor is in dit kortgeding geen plaats. (…)
4.5. Toepassing van de Haviltex-norm leidt, mede gelet op artikel 6:2 BW, niet tot de uitleg die [klager] voorstaat. De uiterste datum voor levering, 31 januari 2025, is niet ongeacht de oorzaak van de overschrijding “fataal”.”
1.11 Op 18 maart 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende.
a) Verweerster heeft zich (in meerdere civiele procedures) onnodig grievend over klager uitgelaten. Klager wordt beschuldigd van dingen die niet waar zijn en waar geen bewijs voor is, zoals diefstal van spullen, mishandeling en het niet meewerken aan de uitkoop/verkoop van de woning.
b) Verweerster heeft klager rechtstreeks e-mails gestuurd, waardoor er door verweerster ongeoorloofde druk op klager wordt uitgeoefend. Er was absoluut geen sprake van een “foutje”.
c) Verweerster ontkent een (niet in het proces-verbaal opgenomen) afspraak die op 7 november 2024 bij het gerechtshof is gemaakt.
2.2 Klager heeft toegelicht dat het volstrekt onduidelijk is waar verweerster haar stellingen op baseert. Los daarvan vindt klager dat verweerster standpunten inneemt als ware zij zelf bij de vermeende incidenten aanwezig. Klager stelt dat opmerkingen als bijvoorbeeld ‘mishandeling’, ‘agressief en dreigend’ en ‘onrechtmatig toegang’ grievend en klachtwaardig zijn. Klager stelt dat verweerster leugens verkondigd, de waarheid verdraait en een vertekend beeld over klager heeft geschetst. Dit heeft ertoe geleid dat klager is veroordeeld om de woning aan de vrouw te verkopen. Uit het hele dossier is duidelijk dat verweerster in het (tweede) kort geding absolute onwaarheden verkondigt.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:
- het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
- het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
- het verloop van het geschil tot dan toe en
- de kans op succes van de procedure.
Klachtonderdeel a)
4.3 Dit klachtonderdeel ziet op door verweerster in de procedures ingenomen stellingen en standpunten. Klager stelt dat verweerster onnodig grievend is geweest, leugens heeft verkondigd en de waarheid heeft verdraaid. De voorzitter volgt klager hierin niet. Verweerster heeft als partijdig belangenbehartiger het standpunt van haar cliënte verwoord. Zij heeft daarmee een ruime vrijheid en zij mocht daarbij afgaan op de informatie die zij van haar cliënte ontving. Het is duidelijk dat klager een heel andere visie heeft op wat er is gebeurd, maar dat maakt de stellingen van verweerster nog niet onjuist. Het oordeel over de juistheid van de door verweerster namens haar cliënte ingenomen stellingen is niet aan de tuchtrechter, maar aan de civiele rechter. Klager kon in die procedures (via zijn advocaat) zijn visie op de feiten aan de orde stellen. Het is verder inherent aan het geschil tussen klager en de vrouw dat verweerster, als advocaat van de vrouw, zaken naar voren brengt die klager als grievend ervaart. Dat
Klachtonderdeel b)
4.4 Vast staat dat een assistent van verweersters kantoor op 26 februari 2025 een e-mail met de kort geding dagvaarding en het aanvraagformulier aan klager heeft gestuurd, hoewel de e-mail was gericht aan klagers advocaat. Uit de daaropvolgende e-mail van dezelfde assistent aan klagers advocaat blijkt dat dit per abuis is gebeurd. Hoewel het natuurlijk niet de bedoeling is dat een dergelijke e-mail aan klager wordt gestuurd, kan een enkele fout zoals dit gebeuren. Daarmee is niet direct sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Dat door deze fout ongeoorloofde druk op klager zou zijn uitgeoefend, is de voorzitter niet gebleken. Ook dit klachtonderdeel is daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c)
4.5 Klager verwijt verweerster dat zij ontkent dat bij het gerechtshof op 7 november 2024 is afgesproken dat de woning in de verkoop gaat als de vrouw klager niet voor de deadline van 31 januari 2025 uitkoopt. De voorzitter kan klager hierin niet volgen. Verweerster mocht afgaan op de afspraken zoals opgenomen in het proces-verbaal van 7 november 2024. Verweerster mocht ook hier het standpunt van haar cliënte naar voren brengen. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 7 januari 2026