ECLI:NL:TADRSGR:2026:4 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-770/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:4 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-01-2026 |
| Datum publicatie: | 14-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-770/DH/DH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij in een familierechtzaak. De klacht is gedeeltelijk niet-ontvankelijk vanwege een niet verschoonbare termijnoverschrijding en voor het overige kennelijk ongegrond. Verweerster heeft bij haar juridische aanpak van de zaak en de wijze waarop zij hierover namens haar cliënten met klager en zijn advocaat heeft gecommuniceerd de grenzen van het betamelijke niet overschreden. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 7 januari 2026 in de zaak 25-770/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 7 november 2025 met kenmerk K129 2025 ia/jh en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 10 (procedureel) en 1 tot en met 8 (inhoudelijk). Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de door klager op 29 november 2025 nagezonden stukken.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager en zijn ex-partner zijn sinds 2010 verwikkeld in een langdurig familierechtelijk geschil. Verweerster staat in dit geschil de ex-partner en hun beider zoon als advocaat bij. Er zijn verschillende procedures gevoerd, onder meer, over de vaststelling van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.
1.2 Bij brief van 7 februari 2025 heeft verweerster klager namens haar cliënten aangeschreven over achterstallige alimentatiebetalingen. De brief luidt, voor zover relevant, als volgt:
“(…). Bij beschikking van de rechtbank Almelo d.d. 21 november 2012 is de door u met ingang van 1 mei 2013 te betalen kinderalimentatie bepaald op € 294,- per maand.
Deze kinderalimentatie is als bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [de zoon] verschuldigd aan de moeder over de periode van 1 mei 2013 tot 1 juli 2023; Met ingang van 1 juli 2023, in verband met de 18de verjaardag van [de zoon], bent u deze bijdrage als bijdrage in de kosten van de studie en levensonderhoud verschuldigd aan [de zoon] zelf.
Tot op heden hebt u, sinds 1 mei 2013, telkens slechts een deel van de verschuldigde kinderalimentatie per de eerste van elke maand voldaan, te weten maandelijks een bedrag van € 202,-. Dat betekent dat u van meet af aan € 92,- per maand (nog afgezien van de verschuldigde indexeringsverhoging) te weinig hebt voldaan.
Aanspraak indexeringsverhoging en alimentatieachterstand:
Tot op heden hebt u nooit de (verplichte) wettelijke indexeringsverhogingen aan cliënten voldaan. Daardoor is tot en met heden op grond van het basisbedrag van € 294,- per maand met ingang van 1 mei 2013 een achterstand in alimentatiebetalingen ontstaan als volgt:
(…)
Zowel [de ex-partner] als [de zoon] hebben u eerder, bij -aangetekend verzonden- brieven d.d. 21 december 2024, aangesproken tot betaling van de achterstallige en lopende alimentatie.
Ten aanzien van de ontstane achterstanden, bent u reeds sinds 1 mei 2023 telkenmale in verzuim en namens cliënten stel ik u in gebreke onder aanzegging van de wettelijke rente met ingang van 21 december 2024 (…).
Daarnaast verzoek ik u en voor zover nodig sommeer ik u om de ontstane achterstanden (…) uiterlijk binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief, derhalve uiterlijk op 21 februari 2025 te voldoen (…).”
1.3 Op 30 april 2025 heeft de advocaat van klager namens klager voorgesteld om het bedrag aan achterstallige betalingen in termijnen over een periode van twaalf maanden af te lossen. Verweerster heeft hierop bij e-mail van 13 mei 2025 laten weten dat haar cliënten hier niet mee akkoord gaan en een tegenvoorstel gedaan.
1.4 Bij e-mail van 27 mei 2025 heeft verweerster de advocaat van klager als volgt geschreven, voor zover relevant:
“Cliënten bevestigden mij de ontvangst van uw cliënt van een bedrag van € 1.000,- ieder op vrijdag 15 mei jl.
Deze betalingen waren slechts 1 onderdeel van de voorwaarden van partijen om in te stemmen met een verdere aflossing in 6 maandelijkse termijnen met ingang van juni 2025.
Betaling van een deel van de advocaatkosten (in meer dan redelijkheid beperkt tot € 750,- ex btw; de werkelijke kosten liggen fors hoger) is daar evenwel ook een onlosmakelijk onderdeel van.
U geeft nu aan dat uw cliënt dat bedrag niet zal betalen omdat dat usance zou zijn in familierecht.
Ik merk op dat in een procedure tot nakoming van achterstallige en toekomstige alimentatiebetalingen op grond van een verder onbetwiste verplichting volgens beschikking van de rechtbank, de (kanton- of familie)rechter wel degelijk een kostenveroordeling zal uitspreken als de schuldenaar geen enkel te respecteren belang heeft bij het niet voldoen aan de beschikking. En in geval van een procedure zal met zekerheid kostenveroordeling gevorderd worden.
(…)
Namens cliënten spreek ik het vertrouwen uit dat uw cliënt het niet op een incassoprocedure zal laten aankomen en dat hij alsnog vrijwillig dit aandeel in de advocaatkosten voldoet. (…)”
1.5 Op 30 mei 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster dat zij hem valselijk heeft beschuldigd en hem heeft bedreigd met sancties. Daarbij verwijst klager zowel naar het optreden van verweerster tijdens de procedures die zijn gevoerd in de jaren 2010-2014, als naar haar optreden in een procedure die sedert december 2024 dan wel in februari 2025 is aangekondigd.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:
- het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
- het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
- het verloop van het geschil tot dan toe en
- de kans op succes van de procedure.
Ontvankelijkheid
4.3 De voorzitter ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of klager volledig kan worden ontvangen in zijn klacht. Om een klacht inhoudelijk te kunnen beoordelen moet deze namelijk worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). Alleen onder (zeer) bijzondere omstandigheden kan een overschrijding van deze termijn verschoonbaar zijn. De achterli
4.4 De voorzitter stelt vast dat een deel van klagers verwijten betrekking heeft op het optreden van verweerster in de periode 2010-2014. Door hierover pas op 30 mei 2025 (zo’n 11 tot 15 jaar later) een klacht in te dienen, heeft klager de in overweging 4.3 genoemde wettelijke termijn van drie jaar (ruimschoots) overschreden. Van redenen voor verlenging van de vervaltermijn op grond van artikel 46g lid 2 Advocatenwet is de voorzitter niet gebleken. Evenmin is de voorzitter gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding toelaatbaar (verschoonbaar) is. Dit betekent dat al hetgeen waarover klager klaagt dat ziet op de periode 2010-2014 op grond van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet niet-ontvankelijk is en de voorzitter niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van dit deel van de klacht.
Inhoudelijk oordeel
4.5 Voor zover de klacht inhoudelijk kan worden beoordeeld stelt klager zich op het standpunt dat de door verweerster gevorderde achterstallige alimentatiebedragen (weergegeven in de brief van 7 februari 2025) niet juist zijn. Het is volgens klager klachtwaardig dat verweerster zich baseert op bedragen uit een rechterlijke beschikking en op mededelingen van haar cliënten. Klager heeft niet de kans gekregen om in te gaan op de juistheid van de vordering omdat klager binnen twee weken na dagtekening van die brief het gevorderde bedrag al moest betalen. Klager betwist dat hij eerder op 21 december 2024 rechtstreeks door zijn ex-partner en zoon is aangeschreven over achterstallige betalingen. Klager heeft vanwege de sommatie van verweerster een advocaat moeten inschakelen en daarmee heeft verweerster klager opnieuw onnodig op kosten gejaagd. Ook meent klager dat sprake is van valsheid in geschrifte, omdat verweerster bedragen terugvordert waarvan het recht op betaling is verjaard. Bovendien mocht verweerster nie
4.6 Naar het oordeel van de voorzitter treft de klacht geen doel. De voorzitter stelt voorop dat het niet tot de taak van de tuchtrechter behoort om in het onderliggende geschil een oordeel te geven, maar dat in dit tuchtrechtelijk geschil uitsluitend beoordeeld wordt of verweerster zich in haar bijstand aan de ex-partner en de zoon van klager ten opzichte van klager heeft gedragen op een manier die niet passend is voor een behoorlijk handelend advocaat. De voorzitter benadrukt in dat verband dat aan verweerster een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van haar cliënte te behartigen op een wijze die haar passend voorkomt (maatstaf in overweging 4.1). Deze vrijheid mag niet ten gunste van een (processuele) wederpartij worden beknot, tenzij de belangen van die wederpartij nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Die situatie doet zich hier niet voor.
4.7 Verweerster heeft toegelicht dat zij de informatie over klagers betalingsachterstand van de aan klager opgelegde alimentatieplicht heeft verkregen uit de destijds uitgesproken beschikking en uit de informatie die haar cliënten haar hebben verstrekt. Verweerster mocht van de juistheid van deze informatie uitgaan. Van een uitzonderingssituatie op grond waarvan verweerster nader onderzoek had moeten doen naar deze informatie is de voorzitter niet gebleken. Verder heeft verweerster toegelicht dat haar cliënten in december 2024 per aangetekende post en per e-mail aan klager hun brieven houdende de vordering tot betaling van de ontstane achterstanden hebben verzonden. De aangetekende brieven zijn niet door klager aangenomen en zijn bij haar cliënten teruggekomen. Ook van de juistheid van deze informatie mocht verweerster uitgaan.
4.8 Klager heeft verder zelf erkend dat hij al in 2015 bewust minder alimentatie is gaan betalen dan de rechter had bepaald, zodat verweerster klager namens haar cliënten op zijn betalingsverplichting kon aanspreken. Verweerster heeft bij haar juridische aanpak van de zaak en de wijze waarop zij hierover namens haar cliënten met klager en zijn advocaat heeft gecommuniceerd de grenzen van het betamelijke niet overschreden. Het stond verweerster vrij de sommatiebrief van 7 februari 2025 aan klager te sturen. De inhoud van deze brief betreft een in de advocatuur gebruikelijke brief en bevat geen bewoordingen die tuchtrechtelijk niet door de beugel kunnen of als (onnodig) dreigend moeten worden aangemerkt. Dat geldt ook voor de overige correspondentie van verweerster in het klachtdossier. Klager kon op zijn beurt immers (met bijstand van zijn advocaat) de grondslag en hoogte van de vordering weerleggen. Welk standpunt inhoudelijk juist is, valt verder buiten de kaders van deze tuchtrechtelijke procedure.
4.9 Ook stond het verweerster vrij om namens haar cliënten in de onderhandelingen over de afbetaling van achterstallige alimentatie de vergoeding van (een deel van) de daarmee gepaard gaande advocaatkosten te betrekken. Van dreiging is daarmee geenszins sprake. Evenmin is het tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerster namens haar cliënten betaling van onbetaalde alimentatie heeft gevorderd, ook voor zover deze vordering verjaard is. Dat betekent niet dat verweerster zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte. Het was aan klager om met hulp van zijn advocaat de verjaring daarvan in te roepen en dat is gebeurd.
4.10 De voorzitter komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de klacht, voor zover deze inhoudelijk beoordeeld kan worden, kennelijk ongegrond is. Al hetgeen klager verder heeft gesteld, kan de voorzitter niet tot een ander oordeel leiden.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk voor zover deze betrekking heeft op de periode 2010-2014;
- de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, voor het overige kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 7 januari 2026