ECLI:NL:TADRSGR:2026:35 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-806/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:35 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-02-2026 |
| Datum publicatie: | 17-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-806/DH/DH |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen (aangewezen advocaat). Verweerder heeft geen onjuiste stelling ingenomen: zij gaf uiting aan haar mening dat zij geen voor de beoordeling van de proceskansen relevant dossierstukken heeft ontvangen. Ook met een aanwijzing door de deken is de advocaat niet verplicht om hoe dan ook te procederen. De advocaat moet, mede gelet op de kernwaarde onafhankelijkheid, een eigen afweging maken. Ook van schending van de kernwaarde partijdigheid is niet gebleken. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 4 februari 2026 in de zaak 25-806/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Den Haag (hierna: de deken) van 19 november 2025 met kenmerk K183 2025 en van de op
de inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende
stukken van partijen, zoals hierna wordt weergegeven onder het procesverloop.
1 PROCESVERLOOP
1.1 Op 16 juli 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 29 september 2025 heeft de deken een dekenstandpunt ingenomen. Daarbij
heeft de deken geschreven:
“Ik heb op basis van de stukken geoordeeld dat er geen aanleiding is voor re- en
dupliek. U heeft uw standpunt uitgebreid verwoord en onderbouwd met correspondentie
tussen u en mr. [verweerster], waarin u uw standpunt eveneens gemotiveerd uiteen heeft
gezet. Ik denk dat u gebaat bent bij een voorlopig standpunt van mijn kant op redelijk
korte termijn, zodat u uw klacht kunt voorleggen aan de Raad van Discipline.”
1.3 Op 25 november 2025 heeft de deken het klachtdossier, met bijlagen, aan de
raad doorgezonden.
1.4 Tussen 25 november 2025 en 28 november 2025 is tussen klager en de griffie
van de raad gecorrespondeerd over het indienen van aanvullende stukken in afwijking
van de geldende paginalimiet volgens het Procesreglement. Dit verzoek is door de voorzitter
afgewezen.
1.5 Op 8 december 2025 heeft klager een ‘aanvulling klachtschrift’, met bijlagen,
ingediend. Daarin heeft klager naar voren gebracht dat hij had willen repliceren op
het verweer van verweerster en verzocht om een document van 833 pagina’s in te dienen.
Dit verzoek is door de voorzitter op 9 december 2025 gehonoreerd, waarna een schriftelijke
ronde is ingelast. Over het document van 833 pagina’s is overwogen:
“(…) Gelet daarop wordt het indienen van 833 pagina’s aan bijlagen als onevenredig
gezien in verhouding tot de reikwijdte van de voorliggende klacht. U zult in uw repliek
daarom concreet moeten verwijzen naar paginanummer en passage waarin de onderbouwing
van uw klacht is terug te vinden. U dient er namelijk rekening mee te houden dat het
niet aan de tuchtrechter is om zelf naar deze onderbouwing op zoek te gaan in het
833 pagina’s tellende document. (…)”
1.6 Op 10 december 2025 heeft verweerster gereageerd op de ‘aanvulling klachtschrift’.
1.7 Op 10 december 2025 heeft klager een ‘formele notitie en akte van bezwaar
inzake Progressieverstoring’ ingediend.
1.8 Op 5 januari 2025 heeft klager een repliek met bijlagen ingediend. Op 6 januari
2025 heeft klager op verzoek van de griffier de ontbrekende bijlagen bij zijn repliek
nagezonden.
1.9 Op 8 januari 2025 heeft verweerster in dupliek haar eerdere verweer gehandhaafd.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter uit van de volgende feiten,
zoals die enerzijds blijken uit concrete verwijzingen naar onderliggende stukken en
anderzijds niet (voldoende) zijn betwist.
2.1 Op 3 juli 2025 is verweerster door de deken op grond van artikel 13 van de
Advocatenwet aangewezen als advocaat van klager. Daarbij heeft de deken aan klager
geschreven:
“(…) De gang van zaken is dat mr. [verweerster] eerst een cassatieadvies zal uitbrengen.
Wanneer mr. [verweerster] aanknopingspunten ziet voor een geslaagd cassatieberoep
zal zij u verder bijstaan in de cassatieprocedure. Wanneer mr. [verweerster] geen
kansen ziet voor een geslaagd cassatieberoep, zal zij geen cassatie instellen. (…)”
2.2 Op 8 juli 2025 om 19:34 uur heeft klager een e-mail met bijlagen aan verweerster
geschreven. Om 23:00 uur heeft klager de e-mail aangevuld:
“Met dit bericht aanvaard ik — formeel maar onder nadrukkelijk protest — de aanwijzing
die op u betrekking heeft. Deze aanvaarding is niet gebaseerd op vertrouwen of vrijwilligheid,
maar volgt uitsluitend uit het feit dat procesvertegenwoordiging in bepaalde trajecten
wettelijk verplicht is. Zonder deze formele benadering zou ik onnodig procesrisico
lopen.
Het gaat hier met name om:
[procedures]
Voor alle duidelijkheid: in andere zaken, zoals:
[procedures]
is procesvertegenwoordiging niet verplicht, en verwacht ik van u dan ook geen bijstand.
Dat ik u nu formeel benader, gebeurt uitsluitend om te voorkomen dat mijn stilzwijgen
of afwezigheid wordt uitgelegd als instemming of rechtsverwerking. Ik leg hierbij
nadrukkelijk vast dat ik bezwaar maak tegen de wijze waarop deze aanwijzing tot stand
is gekomen, en tegen de constructie waarin een advocaat — ondanks een verplichte aanwijzing
— nog steeds een positief oordeel moet geven voordat er feitelijk geprocedeerd mag
worden.
Die praktijk verschuift de toegang tot het recht van de rechter naar de advocaat,
en ondermijnt het doel van verplichte procesvertegenwoordiging. In plaats van een
waarborg wordt de advocaat dan een blokkade. Ik wijs u er dan ook op dat uw positie
als aangewezen advocaat geen vrijblijvende rol is, maar gepaard gaat met een professionele
zorgplicht om in het belang van de cliënt op te treden en effectieve rechtsbescherming
te bieden.
Wat ik onder geen beding zal accepteren, is dat een advocaat zich opstelt als beoordelaar
van de inhoud van mijn zaak - op basis van persoonlijke ideologische grenzen of aannames.
In het verleden heb ik meegemaakt dat advocaten weigerden om thema’s als racisme of
institutionele discriminatie in te brengen, “omdat zij zich dat niet konden voorstellen”.
Als dat voor u eveneens een belemmering vormt, dan verzoek ik u daar direct helderheid
over te geven. Een advocaat die op die manier een cliënt filtert, is geen belangenbehartiger
maar een obstructie.
Bijgevoegd treft u o.a.:
o de kennisgeving, toelichting en indiening van het AIG-herroepingsverzoek bij het
hof,
o processtukken uit de AP-zaak, waaronder klachten, herroepingsverzoeken en wraking;
o en eerdere correspondentie die de aard, inhoud en samenhang van de procedures
documenteren.
Ik verzoek u:
1. Mijn aanvaarding onder protest te registreren;
2. Kennis te nemen van het volledige dossier, zoals verstrekt;
3. Mij binnen redelijke termijn te berichten of u deze opdracht daadwerkelijk op
u neemt en uitvoert — en zo ja, op welke wijze.
Indien u structurele bezwaren heeft tegen uitvoering van deze opdracht, verwacht
ik dat u die onmiddellijk en gemotiveerd kenbaar maakt – zodat ik mijn rechtspositie
daartegen kan beschermen. Vertraging of ontwijking accepteer ik niet.
Tot slot verzoek ik u nadrukkelijk om uitsluitend op te treden als gemachtigde binnen
het wettelijk kader van procesbijstand, en niet als beoordelaar of verlengstuk van
de Orde. Een eerdere aanwijzing (mr. Knol) is ontspoord doordat de advocaat feitelijk
als pseudo- rechter optrad. Om herhaling te voorkomen, breng ik dit bezwaar bij voorbaat
onder uw aandacht. Indien u dit niet onderschrijft, verzoek ik u dat kenbaar te maken.
Ik behoud mij in elk geval alle rechtsmiddelen voor bij overschrijding van uw rol.
Met vriendelijke groet,
[klager]
Aanvullend:
Voor de goede orde: ik erken met dit bericht formeel dat ik u als advocaat heb benaderd.
In beide gevallen waarvoor rechtsbijstand verplicht is — zowel bij het herroepingsverzoek
als bij een mogelijk hoger beroep — heb ik in principe recht op een toevoeging. Aangezien
ik momenteel geen betaling ontvang en geen inkomen heb, zal ik nader bekijken hoe
dit praktisch en administratief wordt ingericht. Dat laat onverlet dat ik mag rekenen
op bijstand, ook wanneer de financiering nog niet is afgerond.
Ik onderstreep dat ik u benader in de hoedanigheid van procesvertegenwoordiger en
niet als beoordelaar, filter of verlengstuk van de Orde. De eerdere schade die is
ontstaan doordat een aangewezen advocaat (mr. Knol) zich niet beperkt heeft tot de
rol van bijstandsverlener, heeft mij voldoende aanleiding gegeven om dit punt nu expliciet
te maken. Indien van u eenzelfde rolverwarring wordt gevraagd of verwacht, verzoek
ik u dat af te wijzen. Uw opdracht ligt uitsluitend in het mij kunnen laten procederen,
niet in het inhoudelijk sturen, afremmen of vervangen van mijn positie. Elke afwijking
zal ik dan ook beschouwen als grond voor verdere actie.
Ik verwacht uiterlijk binnen vijf (5) dagen na verzending van dit bericht uw gemotiveerde
reactie. Indien ik binnen die termijn geen reactie ontvang, zal ik dat beschouwen
als impliciete weigering om uitvoering te geven aan de aanwijzing, en zal ik daaruit
de nodige conclusies trekken. Daarnaast zal ik aanvullend telefonisch contact met
u zoeken. Dit bericht is een volledige en duidelijke weergave van mijn positie. Ik
zal dit niet inhoudelijk inkorten of nuanceren – en verwacht dat u de inhoud serieus
en volledig betrekt in uw beoordeling en eventuele opvolging.”
2.3 Op 10 juli 2025 hebben klager en verweerster telefonisch contact gehad. Diezelfde
dag om 11:48 uur heeft verweerster aan klager geschreven:
“Zojuist spraken we elkaar aan de telefoon. (…)
Ik gaf aan (en benadruk hier nogmaals) dat ik u zie als elke andere cliënt, hoe
die ook bij mij terecht is gekomen. Of dit nu via het juridisch loket, via internet,
middels doorverwijzing door een oud-cliënt of, zoals nu, via een aanwijzing door de
deken bij mij beland is. Ook benadruk ik, dat ik dus ook uw dossier, uw zaak, zal
behandelen zoals ik elke zaak behandel.
Aan de telefoon legde ik uit dat ik bij het behandelen van de zaak de onderstaande
stappen doorloop, in deze volgorde:
1) de cliënt vertelt over de zaak (wie is de wederpartij, wat is de relatie van
de cliënt met die wederpartij, wat is er gebeurd, wanneer, wie waren betrokken en
welke omstandigheden waren in het hele feitencomplex van belang). Aan bod komt ook
het beoogde feitelijke doel dat de cliënt met het inschakelen van de advocaat wil
bewerkstelligen (bijvoorbeeld: ‘loondoorbetaling! of ‘schadevergoeding’ of wat dan
ook.
2) ik luister en maak aantekeningen, af en toe stel ik tussen door een vraag, bijvoorbeeld
om te controleren of ik wat er is gezegd goed heb begrepen.
3) ik lees het dossier met een open blik, nog zonder oordeel of vooringenomenheid
en kwalificeer de feitelijkheden juridisch (de vertaalslag van feiten naar juridische
duiding). Ik lees waar nodig wet, jurisprudentie en literatuur) en kom dan tot een
oordeel over de haalbaarheid van de zaak.
4) naar hoe ik de zaak bekijk (bij 3) schrijf ik de cliënt (per e-mail) wat in mijn
advocatenogen de mogelijkheden en ONmogelijkheden zijn voor wat betreft de verdere
stappen. Zie ik mogelijkheden om een gunstig resultaat voor de cliënt te bereiken
in de voorliggende zaken, dan leg ik de mogelijkheden uit, vertel welke opties er
zijn en de voor- en nadelen van elke optie zijn.
Ben ik op basis van stappen 1 tot en met 3 echter tot de gefundeerde conclusie gekomen
dat er naar mijn professionele oordeel onvoldoende mogelijkheden zijn om tot een gunstig
(of door de cliënt gewenst) resultaat te komen, dan schrijf ik dat ook op. Dat is
vaak niet wat de cliënt wil horen, maar ik zou een waardeloze advocaat zijn als ik
dat niet direct open en eerlijk aan de cliënt vertel. Natuurlijk vertel ik ook waarom
ik dat vind. En natuurlijk mag u daar dan op reageren. Of uw reactie mijn oordeel
verandert, is niet van te voren te zeggen, maar u kunt ervan op aan dat ik uw reactie
zal bestuderen en de zaak dan opnieuw weeg.
Ik heb u aan de telefoon de basis van het vak van advocaat voorgehouden. Een advocaat
zal, conform de door hem of haar afgelegde eed ([datum] in mijn geval), geen zaak
verdedigen die hij of zij niet rechtvaardig acht. Dat houdt in dat je als advocaat
geen procedure start als je op basis van de hierboven weergegeven stappen 1) tot en
met 3) van oordeel bent dat een gerechtelijke procedure onvoldoende kans op succes
voor de cliënt heeft. Ik hecht grote waarde aan min eed, die inhoud dat ik niet afhankelijk
ben van wat de cliënt vindt dat ik moet doen maar te allen tijde onafhankelijk blijf.
We hebben vervolgens lang gepraat over hoe u aankijkt tegen de uitwerking van die
eed. Als ik uw mening mag samenvatten komt die erop neer dat u vindt dat die eed geen
recht doet aan de zorgplicht van de advocatuur jegens cliënten en dat de advocaat
een procedure moet starten als u, de cliënt, dat wilt. U gaf er blijk van dat u vindt/denkt
dat achter de verwijzing door de deken een vooropgezet plan zit om het advies over
wel of niet procederen negatief te laten uitpakken. Ik denk zelf niet dat dit het
plan van de deken is, ik denk dat zij gewoon uitvoering geeft aan de regelgeving in
de advocatenwet, met name artikel 13 dat voorziet in aanwijzing van een advocaat voor
een cliënt die zelf geen geschikte advocaat kan vinden. Ik zie niet in wat ik er voor
belang bij zou hebben om opzettelijk (dit woord gebruikte u) een negatief advies te
geven. Ik geef alleen een negatief advies als ik de weinig kans van slagen zie in
het door de cliënt gewenste traject
Spelletjes spelen en niet de waarheid zeggen is iets dat helemaal niet bij mij past.
Ik zeg wat ik vind en ik doe wat ik zeg. Dus om opzettelijk negatief te adviseren
als er wél voldoende kans van slagen voor u is, zo zit ik niet (nooit!) in de wedstrijd.
Ik doe mijn werk al 30 jaar met hart en ziel en integriteit. Daar hoort helaas ook
bij dat ik soms 'nee' moet verkopen. Omdat ik oprecht vind dat ik de cliënt met 'ja'
uiteindelijk geen dienst zou bewijzen.
Ik heb een open houding en communiceer duidelijk en direct. Ik kan daarin soms pittig
en 'streng' zijn. Dat heeft u al gemerkt in ons gesprek van vanmorgen.
Met wantrouwen van de cliënt kan ik niet werken. U heeft in ons gesprek vast wel
gemerkt dat ik fel reageer op wantrouwen van u naar mij, terwijl daar totaal geen
reden voor is. U kent mij niet, dus dit oordeel past u niet. Een absolute kernwaarde
voor het succesvol bedrijven van advocatuur is dat cliënt en advocaat elkaar vertrouwen.
Als u denkt dat ik meewerk aan een opgezet plannetje om maar geen procedure voor
u te hoeven starten (in beide zaken die mijn zijn toebedeeld) dan is dat een motie
van wantrouwen op voorhand en is een samenwerking tussen u en mij niet mogelijk, omdat
de kernwaarde vertrouwen ontbreekt. Het dreigen met een klacht als ik niet doe of
opschrijf wat u wilt, schaadt tevens mijn vertrouwen in u.
U gaf aan dat u gezien lopende termijnen mij nodig heeft en de aanwijzing onder
protest accepteert.
Lastige hobbel: het principe van dominus litis
U heeft uitgesproken onder protest (niet gericht tegen mij maar tegen het systeem
van de aanwijzing, hoe het is ingestoken etc) wel met mij wilt werken. Maar u bent
en blijft tot nu toe, zo heb ik beluisterd in ons telefoongesprek, nog niet over de
'hobbel' heen dat àls ik - na stappen 1, 2 en 3 hierboven te hebben doorlopen met
een OPEN blik - vind dat een procedure niet de juiste weg is, omdat er te weinig kans
van slagen is, ik, als dominus litis, dus als 'meester van het proces’, de procedure
dus niet ga starten. U vindt dat ik dat dan tóch zou moeten doen. En daar verschillen
wij fundamenteel over van mening. Ik op basis van mijn eed en beroepsethiek, u op
basis van het door u gewenste einddoel (twee gewonnen procedures en daarmee 'gerechtigheid'
voor u).
Uiteraard staat het u volledig vrij mij van uw visie te voorzien naar aanleiding
van mijn advisering in beide zaken indien die onverhoopt negatief zou zijn. Natuurlijk
zal ik uw visie dan goed lezen en wederom open en eerlijk afwegen of uw visie aan
mijn advisering iets verandert of niet.
II. Opdrachten aan mij in de aanwijzingsbrief van de deken
Graag verneem ik expliciet van u dat wij het er samen over eens zijn dat - als u
mijn voorwaarden onder III. hieronder expliciet accepteert - mijn taak als uw advocaat
wordt afgekaderd door de door de deken aan mij opgelegde opdrachten, die ik hieronder
citeer uit haar brief van 3 juli 2025 aan mij:
(….)
III. Mijn voorwaarden/’ground rules’ voor duurzame samenwerking met u
Ik kan de opdracht alleen uitvoeren als u zich houdt aan (en expliciet door middel
van uw akkoord op de punten a) tot en met f) hieronder) instemt met het volgende:
a. u stemt ermee in dat ik mij in mijn werk beperkt tot de opdracht die de deken
mij in haar brief van 3 juli heeft gegeven, welke geheel in lijn is met de normale
werkwijze zoals beschreven in punten 1) tot en met 3) hierboven.
b. u verstrekt mij de volledige procesdossiers, dus alle processtukken met producties
en de eventuele tussenbeschikkingen.
c. u onthoudt zich van uitspraken in woord of geschrift die getuigen van uw wantrouwen
tegen 'het systeem. Ik ben [verweerster] en ik ben geen systeem, ik ben advocaat en
ik doe gewoon mijn werk.
d. u accepteert dat ik bij stappen 1) tot en met 3) hierboven weergegeven ook de
argumenten van de wederpartij zal meewegen. Ik kan daar niet omheen, die horen ook
bij het dossier/de zaak en ze zijn belangrijk in het inschatten van kansen en risico's
van de zaak (zijnde het adviesstadium van mijn opdracht) en dat ik alleen in geval
van positief advies een procedure start.
e. ik wil dus niet (nooit) van u horen dat ik mij opstel 'alsof ik de advocaat van
de wederpartij ben". Hoor/lees ik dat te eniger tijd van u, dan is de kans groot dat
ik de behandeling van de zaken direct neer zal leggen op grond van een vertrouwensbreuk.
f. ik wil geen verwijzingen van u horen naar systemen die in de geschiedenis hebben
bestaan, zoals u daarnet aan de telefoon deed. Ik heb daar niets mee, ik maak geen
deel uit van verwerpelijke systemen of dito historische gebeurtenissen. Ik oefen mijn
vak niet om mensen te piepelen maar om mensen te helpen. En soms zit helpen in het
eerlijk en open brengen van de gemotiveerde doch door de cliënt vaak ongewenste boodschap
dat en waarom ik als advocaat geen reële kansen/mogelijkheden voor succes zie en dus
geen procedure ga starten.
g. we communiceren grotendeels via de e-mail en ik verzoek u om kort en bondig te
communiceren, geen apps te sturen (laat staan spraakberichten in te spreken). Ook
verzoek ik u om aan de telefoon het zo kort mogelijk te houden en herhalingen van
uw standpunten zoveel mogelijk te voorkomen. Dit vraag ik uit efficiëntie-overwegingen,
vanwege het feit dat ik - naast mogelijk straks uw zaken - zo'n 70 lopende dossiers
van cliënten behandel waaraan ik eveneens tijd moet besteden.
h. ik ga van start met de werkzaamheden in uw 2 zaken zoals bij Il. weergegeven,
na schriftelijke acceptatie van bovenstaande punten en na aanvraag van de toevoegingen
en ontvangst van de betaling van de door mij direct daarna te factureren eigen bijdrages
die de Raad voor Rechtsbijstand bepaalt en na uw uitdrukkelijke schriftelijke acceptatie
van mijn voorwaarden aan te vragen toevoegingen.
Wat heb ik van u nodig alvorens van start te kunnen gaan met de opdrachten?
Graag ontvang ik van u expliciet akkoord met mijn voorwaarden a) tot en met h) hierboven
en met de werkwijze zoals is beschreven aan de telefoon en onder I., punten 1) tot
en met 4) hierboven. Ik denk dat wij met deze 'ground rules" best met elkaar kunnen
werken, ook al zullen we het niet altijd eens zijn. Daarbij wil ik u erop wijzen dat
uw standpunt ten aanzien van het dominus litis-principe mij duidelijk is en dat het
noch nodig, noch nuttig is om dat in uw reactie op deze mail of op andere momenten
nog toe te lichten.
Pragmatisch gezien zou ik, na uw akkoord met mijn voorwaarden, graag met inachtneming
van onderstaande uw dossiers ontvangen en bestuderen. U kunt er in dat geval uiteraard
van op aan dat ik volstrekt open de zaken ga bestuderen en er van enige vooringenomenheid
of een stiekem plannetje om sowieso negatief te adviseren geen sprake is. Zo ben ik
namelijk niet en zo kán ik ook niet zijn.
(…)
Aan deze mail ziet u dat ik u serieus neem, graag wil helpen en daarvoor een goed
werkstramien wil afspreken. Alleen al aan deze mail ben ik ruim anderhalf uur aan
het schrijven en schaven geweest. Daaraan kunt u zien dat ik de kwestie uiterst serieus
neem en naar eer en geweten probeer om een goede en duidelijke basis met u te creëren,
geen valse verwachtingen te wekken en tevens aan wil geven dat ik in een sfeer van
wantrouwen (waaronder dreigen met een klacht) niet verder kan.
Ik denk dat u aan de telefoon al een goed beeld heeft gekregen van mij en dat u
inmiddels wel hebt gevoeld dat u niet bang hoeft te zijn dat ik een of ander vals
spelletje met u speel om u te benadelen, u 'de deur uit te werken' of u als cliënt
niet serieus te nemen.”
2.4 Op 10 juli 2025 om 14:53 uur heeft klager aan verweerster geschreven:
“Dank voor uw uitvoerige e-mail van 10 juli 2025 waarin u uw voorwaarden uiteenzet
voor uitvoering van de door de deken verstrekte aanwijzing (kenmerk AA060/2025). Ondanks
de zorgvuldige toon en toelichting op uw werkwijze, ben ik genoodzaakt met klem bezwaar
te maken tegen de voorwaarden die u stelt.
Zoals eerder gemeld heb ik de aanwijzing uitsluitend onder protest aanvaard, juist
omdat het karakter van een verplichte aanwijzing veronderstelt dat de advocaat als
procesvertegenwoordiger optreedt binnen de wettelijke kaders, en niet als inhoudelijke
filter of voorportaal van de rechter. De voorwaarden die u nu stelt - waaronder o.a.
instemming met uw dominus litis-interpretatie, beperking van communicatie, uitsluiting
van inhoudelijke kritiek op het systeem of eerdere ervaringen - gaan in de praktijk
veel verder dan een werkafspraak. Zij vormen in essentie een voorafgaande loyaliteitsverklaring
aan uw werkwijze, onder uitsluiting van kritiek of waarborg op effectieve procesvertegenwoordiging.
U stelt dat u slechts bij “positief advies” zult procederen. Daarmee schuift u feitelijk
de bevoegdheid van de rechter terzijde, en legitimeert u een voorafgaand selectiemechanisme
dat door de deken uitdrukkelijk níet is bedoeld. Artikel 13 Advocatenwet maakt mogelijk
dat een advocaat wordt aangewezen teneinde toegang tot het recht te waarborgen, niet
om deze via een inhoudelijke poortwachter alsnog te blokkeren.
Mijn bezwaar is niet gericht tegen u persoonlijk, maar tegen het systeem en de praktijk
die hieruit voortvloeit. De eis dat ik vertrouwen moet hebben in uw oordeel als voorwaarde
voor bijstand, miskent dat ik reeds in een afhankelijke positie ben geplaatst. De
vertrouwensrelatie die u vraagt is niet realistisch te verwachten binnen een kader
waarin ik geen vrije advocaatkeuze heb gehad en eerdere schade heb geleden onder vergelijkbare
constructies.
Daarbij geldt in dit geval bovendien dat de aanwijzing feitelijk slechts het formuleren
van een "adviesopdracht" bevat, zonder expliciete vermelding van procesvertegenwoordiging
in lopende of aanstaande procedures. Daarmee is er sprake van een onvolledige en ontoereikende
invulling van de wettelijke opdracht, nu artikel 13 Advocatenwet duidelijk spreekt
van een verplichting tot dienstverlening in zaken waarin rechtsbijstand wettelijk
vereist is. Het beperken van de opdracht tot advisering - terwijl termijnen voor herroeping
en hoger beroep doorlopen - schept een ongerechtvaardigde afhankelijkheid en zet druk
op mijn procesautonomie.
Voor zover u zich beroept op het dominus litis-principe, wijs ik erop dat deze term
noch als zodanig voorkomt in de Advocatenwet, noch enige wettelijke grondslag biedt
om de bijstandsverplichting uit hoofde van artikel 13 Advocatenwet te beperken of
te conditioneren. Uw beroepsethiek en autonomie als advocaat staan niet boven mijn
recht op effectieve procesvertegenwoordiging.
U stelt, met andere woorden, dat ik bij een aanwijzing op grond van artikel 13 mijn
eigen autonomie als procespartij volledig zou moeten overdragen aan uw beoordeling
- terwijl ik geen vrije advocaatkeuze heb gehad, geen contractuele onderhandelingsruimte
heb, en zelfs niet zeker weet of u mij zult vertegenwoordigen indien ik inhoudelijk
afwijk van uw voorkeuren. Dat is fundamenteel onverenigbaar met de aard en het doel
van de wettelijke regeling van verplichte bijstand.
De kern van artikel 13 Advocatenwet luidt als volgt:
[weergave van artikel 13 van de Advocatenwet]
Hieruit volgt dat de door de deken aangewezen advocaat verplicht is rechtsbijstand
te verlenen, tenzij er sprake is van objectief vaststelbare, "gewichtige redenen".
Persoonlijke voorkeur, principieel meningsverschil met de cliënt of het verlangen
naar loyaliteitsverklaringen vallen daar niet onder. Evenmin mag de advocaat voorwaarden
stellen die leiden tot een feitelijke weigering of opschorting van procesbijstand,
enkel omdat de cliënt zelfstandig juridisch wil opereren.
De positie waarin ik mij bevind - namelijk zonder vrije advocaatkeuze, zonder reële
contractuele onderhandeling en zonder de zekerheid dat ik überhaupt rechtsbijstand
krijg als ik inhoudelijk afwijk is precies waarom artikel 13 zo strikt is geformuleerd.
De wetgever heeft terecht onderkend dat de verhouding tussen cliënt en advocaat bij
een verplichte aanwijzing structureel ongelijk is, en dat bescherming tegen willekeur
of inhoudelijke afwijzing daarom noodzakelijk is.
De opstelling die u voorstaat is daarom in strijd met zowel de letterlijke norm
van artikel 13 Advocatenwet, als met de bedoeling daarachter: namelijk om kwetsbare
rechtzoekenden daadwerkelijk toegang te bieden tot procesvertegenwoordiging, en hen
niet te onderwerpen aan extra drempels, afhankelijkheden of loyaliteitsverwachtingen
die nergens op de wet zijn gebaseerd.
Ik verzoek u daarom om het volgende te bevestigen:
1. Dat u de aanwijzing erkent als bindende opdracht tot procesvertegenwoordiging
in de zaken waarvoor bijstand wettelijk vereist is (de herroepingsprocedure ex art.
382 Rv en een mogelijk hoger beroep in de AP-zaak);
2. Dat u geen voorwaarden stelt die op voorhand mijn verweer, thematiek of stijl
van benadering uitsluiten of beperken, tenzij dit aantoonbaar in strijd is met wet
of tuchtrecht;
3. Dat u erkent dat het weigeren van procesvertegenwoordiging op basis van uw persoonlijke
inhoudelijke oordeel geen afdwingbare norm is binnen het kader van een aanwijzing
onder art. 13 Advocatenwet.
Indien u volhardt in de voorwaarden zoals door u geformuleerd - in het bijzonder
de uitsluiting van "systeemkritiek”, de dreiging met beëindiging bij "vertrouwensbreuk",
en de absolute dominantie van uw inhoudelijke beoordeling - dan kan van een effectieve
uitvoering van de aanwijzing geen sprake zijn. In dat geval zal ik het hof van discipline
opnieuw verzoeken de aanwijzing buiten werking te stellen, of een vervangende advocaat
aan te wijzen die wel bereid is de wettelijke taak serieus te nemen.
Tot slot herhaal ik dat ik oprechte bereidheid heb tot samenwerking, maar alleen
op basis van erkenning van wederzijdse rechten en plichten binnen een wettelijke context,
niet op basis van loyaliteitsverklaringen of ideologische voorwaarden.
Graag zie ik uw gemotiveerde reactie binnen 48 uur tegemoet.”
2.5 Op 14 juli 2025 om 09:45 uur (Nederlandse tijd) heeft de deken aan klager
geschreven:
“Naar aanleiding van uw e-mails van de afgelopen week bericht ik u als volgt. U
heeft mr. [verweerster] e-mails gestuurd waarin u — samengevat — aangeeft het niet
eens te zijn met de voorwaarden van de aanwijzing op grond van artikel 13 Advocatenwet.
U heeft mr. [verweerster] verzocht om te bevestigen dat:
1. zij de aanwijzing erkent als bindende opdracht tot procesvertegenwoordiging in
de zaken waarvoor bijstand vereist is;
2. zij geen voorwaarden zal stellen die op voorhand uw verweer, thematiek of stijl
van benadering uitsluiten of beperken, tenzij dit aantoonbaar in strijd is met wet
of tuchtrecht;
3. zij erkent dat het weigeren van procesvertegenwoordiging op basis van haar persoonlijke
inhoudelijke oordeel geen afdwingbare norm is binnen het kader van een aanwijzing
onder artikel 13 Advocatenwet.
Mijn aanwijzing is zodanig geformuleerd dat mr. [verweerster] eerst advies zal geven
over de door u beoogde procedures en dat zij u bij een positief advies zal bijstaan
in die procedure(s). In mijn aanwijzing is tegens aan u uitgelegd dat mr. [verweerster]
de regie heeft; zij mag geen handelingen verrichten of standpunten innemen waar u
het niet mee eens bent, maar u kunt mr. [verweerster] evenmin dwingen om een procedure
te starten of standpunten in te nemen waar zij niet achter staat. U bent het daar
niet mee eens.
Advocaten moeten zich houden aan de kernwaarden. Deze zijn vastgelegd in artikel
10a lid 1 Advocatenwet, dat luidt:
[weergave van artikel 10a lid 1 van de Advocatenwet]
De deskundigheid van de advocaat en de onafhankelijkheid ten opzichte van de cliënt
brengen mee dat een advocaat niet klakkeloos mag doen wat een cliënt van hem/haar
vraagt, maar dat de advocaat zelf de regie moet voeren over een zaak. Wanneer een
advocaat wordt beëdigd zweert of belooft hij dat hij geen zaak zal aanraden of verdedigen
die hij in gemoede niet gelooft rechtvaardig te zijn. Dit staat in artikel 3 Advocatenwet.
De kernwaarden en de advocateneed gelden ook wanneer een advocaat is aangewezen op
grond van artikel 13 Advocatenwet. De passages in mijn aanwijsbrief over dat de advocaat
de regie heeft en dat de advocaat dominus litis is, zijn daarop gebaseerd.
Zoals ik heb aangegeven in mijn e-mail van 4 juli 2025 zal ik mijn aanwijzing niet
zodanig wijzigen dat mr. [verweerster] verplicht is om proceshandelingen voor u te
verrichten. Om gebruik te kunnen maken van de aanwijzing dient u de voorwaarden van
de aanwijzing te aanvaarden.
Ik zie voorts dat u op verschillende momenten aangeeft geen vertrouwen te hebben
in mr. [verweerster]. Een advocaat kan een cliënt uitsluitend bijstaan wanneer er
sprake is van een vertrouwensrelatie. Dat is verankerd in de kernwaarde vertrouwelijkheid.
Ik begrijp dat uw opmerkingen over het vertrouwen niet zozeer gebaseerd zijn op gebrek
aan vertrouwen in de kennis en kunde van mr. [verweerster], maar dat zij gebaseerd
zijn op gebrek aan vertrouwen in “het systeem”. Wanneer u echter blijft aangeven geen
vertrouwen te hebben, komt voor mr. [verweerster] de conclusie in zicht dat er geen
sprake is van een vertrouwensrelatie; in dat geval zal zij u niet kunnen bijstaan.
Ik adviseer u dan ook om open met mr. [verweerster] samen te werken en haar niet bij
elke kritische opmerking te laten weten geen vertrouwen te hebben in het systeem waar
mr. [verweerster] onderdeel van uitmaakt.
Ik geef u hierbij nog één kans om schriftelijk aan mr. [verweerster] te laten weten
dat u de voorwaarden van de aanwijzing aanvaardt. In dat geval zal zij gevolg geven
aan de aanwijzing van 3 juli 2025. Daarbij zij opgemerkt dat in de brief abusievelijk
staat vermeld dat mr. [verweerster] een cassatieadvies zal geven; zij zal echter (uiteraard)
geen cassatieadvies geven — de beoogde procedures betreffen geen cassatie — maar een
procesadvies. Wanneer mr. [verweerster] kansen ziet voor één dan wel beide door u
beoogde procedures zal zij u bijstaan in die procedures).
Wanneer u niet uiterlijk woensdag 16 juli a.s. aan mr. [verweerster] aangeeft de
voorwaarden van mijn aanwijzing te aanvaarden, zal ik de aanwijzing intrekken. Van
mr. [verweerster] kan niet worden verwacht dat zij rechtsbijstand verleent wanneer
u niet bereid bent haar onafhankelijkheid als advocaat te respecteren en/of wanneer
u niet bereid bent de eigen bijdrage te betalen voordat zij heeft aangegeven of zij
kansen ziet voor de beoogde procedures.”
2.6 Op 14 juli 2025 om 17:36 uur hebben klager en verweerster elkaar telefonisch
gesproken
2.7 Op 15 juli 2025 om 08:10 uur heeft klager aan de deken, met een kopie aan
verweerster, geschreven:
“Vooropgesteld verklaar ik hierbij dat ik instem met de werkwijze van mr. [verweerster]
zoals die tussen ons op 14 juli 2025 is besproken. Dit bericht ziet dan ook uitdrukkelijk
op de reactie op uw brief van 14 juli 2025, niet op haar functioneren of op de inhoud
van onze samenwerking. Mevrouw [verweerster] en ik zijn het eens over de opdracht
en geven daar uitvoering aan.
Gezien de termijnen in de AIG-zaak (herroepingsverzoek ex artikel 382 Rv) en de
AP-zaak (hoger beroep, termijn vanaf 5 juni 2025) telt elke minuut, en is het in mijn
belang om in alle duidelijkheid vast te leggen dat ik deze samenwerking volledig draag
en niet de bron ben van enige blokkade.
Formeel bezwaar
Met betrekking tot uw brief van 14 juli 2025 maak ik formeel bezwaar tegen de wijze
waarop u mijn positie en de stand van zaken rondom aanwijzing AA060/2025 presenteert.
Uw handelwijze getuigt van structurele onzorgvuldigheid en zal worden betrokken in
mijn lopende klacht over het functioneren van uw bureau en over uw handelen als deken
van de Orde van Advocaten Den Haag, alsmede in een afzonderlijk beklag over de ondeugdelijke
uitvoering van de aanwijzing.
Duidelijk moet zijn dat ik deze klacht indien tegen u in uw hoedanigheid als deken,
en daarmee als onderdeel van het toezichthoudend orgaan van de Orde en optredend namens
het bureau in ambtelijke zin. Uw handelen wordt getoetst als gezagsdrager binnen een
publiekrechtelijk kader, en niet als persoonlijke visie of informeel standpunt.
De suggestie dat mr. [verweerster] zou hebben geconcludeerd dat ik "geen vertrouwen"
in haar heb, en dat dit voor haar aanleiding zou zijn om de werkzaamheden te staken,
is feitelijk onjuist en een ernstige vertekening van de werkelijkheid. U verdraait
mijn inhoudelijk bezwaar – dat gericht was op de invulling en reikwijdte van de aanwijzing
– tot een persoonlijke vertrouwenskwestie die nooit aan de orde is geweest.
(…)
Voor de duidelijkheid: de aanvaarding van de werkwijze van mr. [verweerster] is
zuiver functioneel, en dient om de daadwerkelijke rechtsbijstand – waarvoor de aanwijzing
bedoeld is – te kunnen effectueren. Ik laat mij door uw gedragingen niet onder druk
zetten om af te zien van mijn bezwaren, en ik erken nadrukkelijk niet de juistheid
van uw interpretatie van mijn verzoeken of van de strekking van artikel 13 Advocatenwet.
Het feit dat u probeert iemand op basis van juridische bezwaren of eerdere ervaringen
discretionair uit te sluiten, grenst aan een discriminatoire praktijk en is onverenigbaar
met de wettelijke opdracht tot waarborging van rechtsbijstand.
3. Er is geen sprake van wantrouwen jegens mr. [verweerster]. Integendeel, wij hebben
goede werkafspraken gemaakt en ik heb er vertrouwen in dat zij haar rol correct en
zorgvuldig zal vervullen. Wél is er blijvend bezwaar tegen de wijze waarop u als orde:
de reikwijdte van artikel 13 Advocatenwet miskent;
voorwaarden en loyaliteitsvereisten probeert op te leggen aan de rechtzoekende;
en feitelijk probeert de uitvoering van de aanwijzing te ondermijnen onder verwijzing
naar een "gebrek aan vertrouwen" dat nooit is geuit.
4. In mijn eerdere bezwaar heb ik nimmer gesteld dat mr. [verweerster] niet mag
handelen conform haar beroepsverantwoordelijkheid uit artikel 10a Advocatenwet. Integendeel,
ik verwacht dat zij dat juist wél doet. Mijn bezwaar richtte zich op uw pogingen om
af te wijken van de wettelijke opdracht ex artikel 13, waarbij u mij onder druk tracht
te laten instemmen met voorwaarden die rechtsstatelijk niet houdbaar zijn. Uw formuleringen
zijn in dat opzicht niets minder dan een poging tot het witwassen van een onrechtmatige
praktijk.
5. Voor de volledigheid stel ik expliciet dat ik de door mr. [verweerster] (en mogelijk
door u gesteunde) invulling van het dominus lis-beginsel niet erken. Vanuit mijn juridische
achtergrond en ervaring beschouw ik ‘dominus lis’ als een doctrine van functionele
regie, niet als normatieve uitsluitingsgrond. Deze term komt niet voor in de Advocatenwet,
en kan derhalve niet dienen als rechtsgrond om af te wijken van de wettelijke opdracht
tot procesvertegenwoordiging ex artikel 13, noch van de onafhankelijkheidsplicht ex
artikel 10a Advocatenwet. Indien deze doctrine wordt opgevoerd als gedragsnorm of
beslissingsgrond, ondergraaft dat de rechtsbescherming die artikel 13 juist beoogt
te waarborgen. U zou daarmee uw eigen verantwoordelijkheid ondergraven, en artikel
13 effectief buiten werking stellen.
(…)
Voor wat betreft mijn afspraken met mr. [verweerster] verzoek ik dat zij zo spoedig
mogelijk op schrift worden gesteld, inclusief een concreet plan van aanpak en termijnbewaking,
met name ten aanzien van het herroepingsverzoek. Iedere dag vertraging werkt in mijn
nadeel en kan niet langer aan de houding van de Orde worden toegeschreven. (…)“
2.8 Op 15 juli 2025 om 16:38 uur heeft verweerster aan klager geschreven:
“In de onderstaande brief bevestig ik de opdrachten op basis van de aanwijzing op
grond van artikel 13 Advocatenwet. Mijn Algemene Voorwaarden (bijgevoegd) zijn van
toepassing op alle diensten van mij en mijn kantoor, [naam]. Deze Algemene Voorwaarden
doe ik u hierbij toekomen. Gistermiddag kwamen wij in een plezierig telefoongesprek
met elkaar tot een vergelijk over wat ik voor u ga doen en onder welke voorwaarden.
U gaf aan (en herhaalde dat vandaag in uw mail van 8:11 uur) mijn voorwaarden voor
behandeling van uw zaken (zoals aan u gesteld in de mail van 10 juli 2025) te accepteren.
Ik dank u voor uw vertrouwen. Ik kan begrijpen dat na vele teleurstellingen door vele
instanties vertrouwen stellen in iemand best moeilijk kan zijn.
Opdrachten: onderdeel 2 uit de aanwijzing vervalt, komt nieuw onderdeel 2 voor in
de plaats zoals tussen u en mij besproken
Voorts hebben we samen vastgesteld dat de opdracht op één van de twee punten die
de Haagse deken mr Aardoom-Fuchs in haar aanwijzingsbrief aan mij verwoordde, in werkelijkheid
een heel andere is dan in haar brief d.d. 3 juli 2025 aan mij staat.
Namelijk het tweede onderdeel, dat volgens mr Aardoom advisering over aansprakelijkstelling
van het Huis voor Klokkenluiders (eventueel gevolgd door een procedure daarover) zou
behelzen, is niet correct.
U gaf mij aan dat het NIET de bedoeling is dat ik het Huis voor Klokkenluiders aansprakelijk
ga stellen, maar in plaats daarvan gaf u aan in hoger beroep te willen tegen de beschikking
van de kantonrechter van 6 juni 2025 in de zaak tegen de Autoriteit Persoonsgegevens.
Als opdracht 1, via de aanwijzing door de deken, aanvaard ik derhalve:
1) advisering over de goede en kwade kansen ter zake een herroepingsprocedure bij
het Gerechtshof alhier tegen de beschikking van 17 september 2024, omdat naar uw mening
de rapportage van het Huis voor Klokkenluiders een novum is op basis waarvan herroeping
mogelijk zou moeten zijn. Het novum dateert naar uw zeggen van 12 juni jl, waardoor
de termijn voor herroeping (3 maanden) eindigt op 12 september 2025.
Als opdracht 2 (anders dan in de aanwijzing staat) aanvaard ik tevens:
2) advisering over de goede en kwade kansen ter zake een hoger beroep tegen de beschikking
van de kantonrechter Den Haag d.d. 6 juni 2025 in een zaak tegen de Autoriteit Persoonsgegevens.
De termijn voor dit hoger beroep loopt af op 6 september 2025.
Tijdpad, termijnen, inspanningsverplichting
Ik zegde u toe zo spoedig mogelijk na ontvangst van de beide procesdossiers deze
te gaan bestuderen en te komen tot een advies over de goede en kwade kansen van a)
die herroepingsprocedure en b) hoger beroep van de beschikking van 6 juni 2025 van
kanton Den Haag, zodat u, in het geval ik na bestudering van de beide dossiers, teveel
kwade kansen en/of te weinig goede kansen van slagen zie in één of beide zaken waardoor
ik dan dus niet tot procederen overga, nog tijd heeft een nieuwe advocaat te vinden.
Ik heb u gisteren telefonisch gemeld dat u zich wel moet realiseren dat er al een
ruime maand van de termijn in beide zaken om is en dat ik toevallig ongelukkigerwijs
volgende week een week vrij ben.
Toevoegingen aanvragen, eigen bijdragen betalen, stukken fourneren en starten met
werkzaamheden
Graag zou ik nog heden toevoegingen voor u voor beide zaken willen aanvragen bij
de Raad voor Rechtsbijstand.
Voor het aanvragen van die toevoegingen heb ik de volgende gegevens van u nodig:
[opsomming van benodigde (persoons)gegevens]
Zodra die aanvragen door de Raad voor Rechtsbijstand zijn toegekend* (dat gebeurt
meestal binnen een week na de aanvraag en u en ik krijgen er beiden bericht over van
de Raad; u per post en ik in het online platform) en u de eigen bijdragen die de Raad
in beide zaken vaststelt aan mij heeft voldaan en ik beschik over alle stukken, zal
ik van start gaan met de werkzaamheden. Ik geef prioriteit aan de kantonzaak, omdat
we daar 6 dagen korter de tijd hebben gezien de uitspraakdatum.
*NB: Indien de Raad voor Rechtsbijstand onverhoopt zou vaststellen dat u niet voor
toevoeging in aanmerking komt, moeten wij met elkaar in gesprek over de kosten en
hoe u die gaat betalen. Vooralsnog ga ik er graag vanuit dat de Raad de toevoegingen
toe zal kennen. Verzoek om toezending of afgeven van de stukken
Wilt u mij zo spoedig mogelijk het volgende aanleveren, per zipfile in de mail,
per post, per wetransfer al dan niet beveiligd met een wachtwoord, of afgeven bij
de balie van mijn kantoor aan [adres]:
1) het complete procesdossier** van de zaak die is geëindigd met de beschikking
van het Gerechtshof Den Haag op 17 september 2024
2) het complete procesdossier** van de zaak die is geëindigd met de beschikking
van de kantonrechter Den Haag op 6 juni 2025
3) in beide zaken een beknopte puntsgewijze weergave van uw argumentatie waarom
een herroeping, cq een hoger beroep, kans van slagen heeft
**Het procesdossier wordt in beide uitspraken verwoord direct bij punt 1 van de
uitspraken. NB: de einduitspraken in beide zaken en het rapport van het Huis voor
Klokkenluiders ontving ik reeds van de deken, die hoe u dus niet mee te sturen.
Graag zie ik de gevraagde persoonlijke gegevens liefst heden, en de procesdossiers
zo spoedig mogelijk doch in elk geval deze week van u tegemoet. Zo verliezen we zo
min mogelijk tijd van de lopende termijnen.”
2.9 Op 15 juli 2025 om 18:34 uur heeft klager aan verweerster geschreven:
“Dank voor uw opdrachtbevestiging van 15 juli 2025. Hierbij bevestig ik de ontvangst
en licht ik één en ander nader toe, mede ter vastlegging van onze werkafspraken en
ter voorkoming van verwarring bij derden.
Zoals eerder besproken ben ik, gelet op de voortschrijdende termijn en het belang
van voortgang in beide procedures, in principe akkoord gegaan met uw voorwaarden.
Deze aanvaarding is functioneel van aard en onder voorbehoud, in die zin dat ik mij
het recht voorbehoud bezwaar te blijven maken tegen de wijze waarop de aanwijzing
door de deken is geïnterpreteerd en verwoord.
Mijn akkoord betreft de afspraken zoals besproken tussen u en mij, niet de oorspronkelijke
formulering van de opdracht door de Orde van Advocaten Den Haag. Uw bevestiging stelt
het zwaartepunt op “advies”, waar het in mijn beleving en op grond van artikel 13
Advocatenwet gaat om daadwerkelijke procesbijstand – met name waar het gaat om verplichte
proceshandelingen.
Desondanks ben ik bereid deze opzet tijdelijk te volgen, onder de voorwaarde dat
er voortvarend en met oog voor de wettelijke context wordt gehandeld. Ik verzoek u
daarbij de mogelijkheid tot daadwerkelijke vertegenwoordiging open te houden en het
tijdspad concreet vast te leggen, zodat ik op basis van uw beoordeling waar nodig
verdere actie kan organiseren.
Zoals verzocht stuur ik u hierbij tevens mijn persoonsgegevens t.b.v. de aanvraag
van de toevoegingen bij de Raad voor Rechtsbijstand:
[persoonsgegevens]
Ik zie uit naar de indiening van de toevoegingsaanvragen en uw bevestiging daarvan,
alsmede naar uw verdere instructies over het aanleveren van de processtukken. Voor
het overige werk ik graag mee aan een voortvarende behandeling van beide zaken binnen
het bestaande juridische kader.”
2.10 Op 15 juli 2025 om 19:21 uur heeft klager aan verweerster geschreven:
“Ter aanvulling op mijn eerdere bericht van hedenmiddag bevestig ik nogmaals dat
mijn aanvaarding van uw werkwijze uitsluitend functioneel van aard is en onder uitdrukkelijk
voorbehoud. Voor de volledigheid stel ik daarbij het volgende vast.
Zoals besproken ben ik, gelet op de voortschrijdende termijnen en het belang van
voortgang in beide procedures, in principe akkoord gegaan met uw voorwaarden. Deze
aanvaarding is gericht op voortvarende voortzetting van de werkzaamheden en dient
uitsluitend het praktisch belang van toegang tot rechtsbijstand.
Ik heb echter nimmer ingestemd met de interpretatie die de deken aan mijn verzoek
geeft, noch met de inkadering van uw werkzaamheden als louter “advies”. Mijn oorspronkelijke
verzoek betrof procesbijstand ex artikel 13 Advocatenwet, gericht op daadwerkelijke
vertegenwoordiging in twee concrete zaken waarin verplichte proceshandelingen aan
de orde zijn.
Mocht u of derden – in het bijzonder de deken – mijn instemming met uw werkwijze
alsnog willen interpreteren als een impliciete goedkeuring van een afwijking van de
wettelijke opdracht ex artikel 13 Advocatenwet, dan wijs ik dat met kracht van de
hand. Ook wijs ik er nadrukkelijk op dat ik nimmer een “adviesaanvraag” heb ingediend.
Indien u uw beroepsverantwoordelijkheid op grond van artikel 10a Advocatenwet zou
aanwenden om op inhoudelijke gronden alsnog procesbijstand te weigeren – bijvoorbeeld
onder het mom van onvoldoende perspectief of dominus litis – terwijl dat buiten het
wettelijk kader van de aanwijzing valt, zou dat leiden tot een onoverkomelijk conflict.
Ik verwacht uiteraard dat u daar op geen enkele wijze aanleiding toe geeft.
Zelfs als sprake zou zijn van een “adviesfase”, zoals de deken suggereert, maakt
deze onlosmakelijk deel uit van de aangewezen procesbijstand. De gedachte dat dat
advies als zelfstandige beoordelingsgrond zou kunnen gelden om rechtsbijstand alsnog
te weigeren, is in strijd met de wet. Uw rol is niet die van rechter of beoordelaar,
maar die van uitvoerder van een aanwijzing die – op mijn verzoek – betrekking heeft
op concrete proceshandelingen.
Daarbij valt het op dat de deken in haar communicatie op onwenselijke wijze financiële
overwegingen en suggestieve karakteriseringen van mijn houding vermengt met haar motivering.
Dit bevestigt mijn eerdere stelling dat er geen sprake is van een objectieve toepassing
van het aanwijzingsstelsel, maar van een praktijk waarin persoonlijke voorkeur, uitsluiting
en drukmiddelen centraal lijken te staan.
Ik stel dan ook voor om deze fase – waarin ik mij genoodzaakt zie functioneel mee
te werken onder voorbehoud – zo spoedig mogelijk te doorlopen. De juridische en administratieve
belasting is zwaar, mede gezien mijn medische situatie en de stress die deze gang
van zaken veroorzaakt. Ik verzoek u daarom vriendelijk doch dringend om de benodigde
stukken voor de toevoegingen snel in te dienen, en mij vervolgens duidelijk te informeren
over de voortgang van beide dossiers.
Voor de duidelijkheid: ik werk vanuit uw uitgangspunten onder protest, maar ik stem
niet in met een afwijking van de bedoeling en reikwijdte van artikel 13 Advocatenwet.
Noch erken ik enige herkwalificatie van mijn verzoek tot louter advies. Dat is – zoals
inmiddels meermaals toegelicht – een vertekening die ik niet accepteer.
Ik zie uit naar uw bevestiging van ontvangst, en naar het verdere verloop van de
behandeling.
Met waardering voor uw medewerking tot dusver,”
2.11 Op 16 juli 2025 om 10:06 uur heeft verweerster aan klager geschreven:
“Ik heb uw mail met persoonlijke gegevens pas vanochtend gezien. Zojuist heb ik
de toevoegingen aangevraagd. Nu lees ik uw bericht volgend op dat waarin u mij de
gegevens zond.
Daarin schrijft u mij (citaat): "Indien u uw beroepsverantwoordelijkheid op grond
van artikel 10a Advocatenwet zou aanwenden om op inhoudelijke gronden alsnog procesbijstand
te weigeren – bijvoorbeeld onder het mom van onvoldoende perspectief of dominus litis
– terwijl dat buiten het wettelijk kader van de aanwijzing valt, zou dat leiden tot
een onoverkomelijk conflict. Ik verwacht uiteraard dat u daar op geen enkele wijze
aanleiding toe geeft."
Wat u schrijft is niet alleen een miskenning van artikel 10 Advocatenwet, maar tevens
een inherente bedreiging aan mijn adres met een klacht als ik de procedures waarvan
u wenst dat ik die (klakkeloos en zonder dat ik daarin enige stem zou hebben) niet
ga voeren omdat ik inhoudelijk mogelijk onvoldoende goede, en/of te veel kwade kansen
zie. Daarmee zijn we helaas weer terug bij af en moet ik de aanwijzing alsnog weigeren
althans de opdrachten waarover we eergisteren einde van de middag nog telefonisch
overeenstemming leken te hebben, neerleggen.
Zoals eerder aangegeven: ik kan mijn werk niet doen als u niet kunt accepteren dat
een inhoudelijke kansbeoordeling daar deel van uitmaakt, als u ook niet kunt accepteren
dat ik anders tegen de zaken aan zou kunnen kijken dan u doet en als u desondanks
van mij eist dat ik een (of twee) procedure(s) aanspan ook al zou(den) die in mijn
ogen geen enkele kans van slagen hebben. Als advocaat ben ik geen doorgeefluik van
de mening van de cliënt.
Uw verwachtingen staan haaks op mijn wettelijke mogelijkheden. U brengt mij daarmee
in een spagaatpositie waaraan ik mijn werk niet kan doen.
Ik MOET de beide zaken eerst op kansrijkheid beoordelen. En uit die beoordeling
KAN de conclusie komen dat ik één of beide zaken niet voldoende kansrijk acht. Ik
weet dat nog niet en zou zoals gebruikelijk de beide dossiers met een volstrekt open
blik lezen/beoordelen, maar het is vooralsnog gewoonweg niet zeker dat ik de kansrijkheid
als 'voldoende' beoordeel om een of beide procedures die u wenst te starten en zal
dat, als ik vind dat er te weinig kans van slagen is, ook niet doen.
Ik zal de deken laten weten dat ik op deze wijze helaas niets voor u kan doen. Van
mij kan niet worden verlangd dat ik tegen de wettelijke regels in iets doe omdat de
cliënt dat eist. En van mij kan menselijkerwijs evenmin worden verlangd dat ik diensten
verleen in lijn met de wet, maar die de cliënt niet wil dat ik verleen en vervolgens
daardoor in een "onoverkomelijk conflict" met de cliënt beland en - gegeven de klachten
die u al tegen vele van mijn voorgangers en de deken en waarnemend deken heeft ingediend
- vrijwel zeker met één of meerdere klachten wordt geconfronteerd alleen maar omdat
ik mijn werk doe en de wet volg.
Ik vind het jammer, [klager], hoe dit loopt. Dit was echt niet nodig geweest. Ik
had best goed contact met u en had uw zaken uiteraard willen bekijken, maar dat gaat
- tegen deze achtergrond en uw eis om de procedures 'no matter what' te starten -
niet lukken en dus niet gebeuren.
Eén ding is hieraan voor u in elk geval goed: u heeft nog ruim voldoende tijd (voordat
de termijnen in uw zaken verlopen) om een advocaat bereid te vinden om het werk te
doen op de wijze waarop u dat wenst. Die advocaat ben ik kennelijk niet.
De toevoegingen zal ik uit het systeem laten halen door de Raad. Lukt dat niet meer,
dan zal ik ze intrekken, zodat u door uw nieuwe advocaat toevoegingen kunt laten aanvragen.
Ik wens u alle succes en goeds.”
2.12 Op 10 december 2025 heeft verweerster in haar reactie naar de raad geschreven:
“(…) De heer [klager] stelt bij 2.3 van zijn aanvullend klachtschrift dat mijn verweer
zou zijn geweest dat de procedures waarvan hij wenste dat ik ze zou instellen zonder
enige voorafgaande inhoudelijke beoordeling van feiten, omstandigheden, juridische
kwalificaties, kansen en risico's, "kansloos" zouden zijn. Dat is een volstrekt onjuiste
weergave van mijn standpunt.
Mijn standpunt is en blijft, dat ik van de heer [klager] niet de ruimte kreeg om
te beoordelen of de door hem gewenste procedures kansrijk waren of niet kansrijk waren.
Behoudens de twee door de heer [klager] bestreden uitspraken (die ik via de deken
toegezonden kreeg) heb ik geen enkel dossierstuk ontvangen om te kunnen doen wat ik
moet doen: kansen en risico's inschatten.
Kortom: dat de procedures kansloos zijn, heb ik nooit gezegd of geschreven (of gevonden)
eenvoudigweg omdat ik er inhoudelijk nog niets van kon vinden. (…)”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster het volgende.
a) Verweerster heeft in strijd met de kernwaarde integriteit gehandeld door bewust
in strijd met de waarheid te verklaren, door op 10 december 2025 te stellen ‘heb ik
geen enkel dossierstuk ontvangen.’;
Toelichting: Klager heeft op 8 juli 2025 om 19:34 uur 14 bijlagen gestuurd aan verweerster
met de volledige procesdossiers. Dat verweerster op 15 juli 2025 opnieuw om stukken
vroeg, doet niet af aan het feit dat zij de stukken al had.
b) Verweerster heeft in strijd met de kernwaarde onafhankelijkheid gehandeld,
door zich niet te laten leiden door het belang van haar cliënt maar door de instructies
en belangen van de deken;
Toelichting: Verweerster heeft de onwettige ‘advies eerst’-voorwaarde van de deken
overgenomen, zonder eigen afweging. Zij heeft gekozen voor loyaliteit aan het systeem
(de Orde / de deken) boven loyaliteit aan de rechtszoekende. De hardnekkige weigering
om rechtsbijstand te verlenen wordt verklaard vanuit de familiaire of relationele
band tussen de deken en een kantoorgenoot van verweerster, die dezelfde achternaam
hebben, waarbij de deken een belang heeft om klager “kalt te stellen”. Uit de omstandigheid
dat een opvolgend advocaat van klager wél een hogerberoepschrift heeft ingediend,
blijkt bovendien dat de zaak niet kansloos was, de stukken toereikend waren om een
procedure te starten en dat verweerster dus niet kan stellen dat de zaak onmogelijk
of onbeoordeelbaar was. Het verschil zit niet in de zaak, maar in de onwil van verweerster.
c) Verweerster heeft in strijd met de kernwaarde partijdigheid gehandeld, door
in haar e mail van 10 juli 2025 een vijandige houding aan te nemen en met haar ‘ground
rules’ te zoeken naar een reden om te breken met klager en door haar werkzaamheden
ontijdig en onzorgvuldig neer te leggen;
Toelichting: Verweerster en de deken framen de situatie alsof klager niet wilde
meewerken, terwijl klager op 15 juli 2025 om 08:10 uur en 19:21 uur expliciet heeft
ingestemd met de werkwijze van verweerster. De daarbij gevoegde disclaimer was echter
juridisch correct en mag voor een advocaat nooit reden zijn om de bijstand te staken.
d) Verweerster heeft haar zorgplicht jegens de cliënt en het vertrouwen in de
advocatuur geschaad, door haar werkzaamheden ondanks een aanwijzing neer te leggen;
Klager verzoekt om vast te stellen dat verweerster de kernwaarden integriteit, onafhankelijkheid,
partijdigheid, deskundigheid en het vertrouwen in de advocatuur heeft geschonden.
Klager meent dat verweerster dan ook geschrapt moet worden van het tableau, of subsidiair
een onvoorwaardelijke schorsing voor de maximale duur opgelegd dient te krijgen. Daarnaast
verzoekt hij om een schadevergoeding vanwege het missen van procestermijnen in de
zaken met de nummers AA060, AA071 en AA072.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a): onjuiste stelling in de reactie van 10 december 2025
5.2 De voorzitter stelt vast dat klager op 8 juli 2025 om 19:34 uur diverse (in
totaal 14) bijlagen heeft verzonden aan verweerster. Hij heeft in zijn e-mail aangegeven
dat het daarbij gaat om het volledige dossier. Klager voert dus terecht aan dat de
reactie van verweerster in haar e-mail van 10 december 2025 dat zij geen enkel dossierstuk
heeft ontvangen in zoverre niet kan kloppen. Dat maakt echter niet dat verweerster
daarmee ook de kermwaarde integriteit heeft geschonden. De reactie van verweerster
laat immers onverlet dat zij uiting gaf aan haar mening dat zij geen voor haar beoordeling
van de proceskansen relevant dossierstuk heeft ontvangen. Niet voor niets schrijft
verweerster in haar e-mail van 10 december 2025 ook dat zij zich niet in staat achtte
om te doen wat zij voor haar cliënt moest doen, te weten het inschatten van de kansen
en risico’s voor haar cliënt. Dat gold dus kennelijk ook met inachtneming van de door
klager toegezonden bijlagen. Van het feit dat verweerster zich bij de toenmalige stand
van zaken niet in staat achtte om haar cliënt te voorzien van een goede inschatting
van proceskansen kan haar geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. De voorzitter
zal klachtonderdeel a) daarom kennelijk ongegrond verklaren.
Klachtonderdelen b) tot en met d): kwaliteit van de dienstverlening door verweerster
5.3 Uit de vaste rechtspraak van het Hof van Discipline (zie o.a. HvD 16 augustus
2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:218) volgt:
“De mogelijkheid de deken te verzoeken een advocaat aan te wijzen, is een aanvullende
voorziening voor het geval de rechtzoekende niet op eigen initiatief een advocaat
weet te vinden die bereid is hem of haar bijstand te verlenen. (…) Deze aanvulling
op de in beginsel vrije advocaatkeuze maakt dat de deken een ruime beleidsvrijheid
toekomt bij het aanwijzen van een advocaat en daarom in het algemeen niet gehouden
is een advocaat aan te wijzen (vb. HvD 14 mei 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:87). Die ruime
beleidsvrijheid brengt ook mee dat de deken niet gehouden is de advocaat te verplichten
rechtsbijstand in een door klaagster ingestelde vordering en aanhangig gemaakte procedure
over te nemen. De aan te wijzen advocaat heeft hierin een eigen afweging te maken.
Van een aangewezen advocaat kan immers niet worden verlangd dat hij cliënten bijstaat
in zaken die hij in gemoede niet rechtvaardig acht (…).”
5.4 Verweerster heeft zich dus met juistheid op het standpunt gesteld dat een
aanwijzing op grond van artikel 13 van de Advocatenwet niet inhoudt dat zij verplicht
is om hoe dan ook voor klager te procederen. Daarin heeft zij, mede gelet op de kernwaarde
onafhankelijkheid, een eigen afweging te maken. Het is de voorzitter duidelijk dat
klager het niet eens is met die lijn van het Hof van Discipline, maar verweerster
heeft op basis daarvan wel als voorwaarde aan haar dienstverlening mogen verbinden
dat zij eerst een advies geeft over de kansen en risico’s van de procedure(s). Dat
verweerster daarover heldere afspraken met klager wilde maken, die zich in de correspondentie
tegen die werkwijze verzette, acht de voorzitter in lijn met wat een redelijk bekwaam
en redelijk handelende advocaat behoort te doen. Daarmee worden eventuele misverstanden
immers op voorhand al voorkomen en is verweerster ook transparant in wat zij wel of
juist niet zou doen. Van een schending van de kernwaarde partijdigheid is geenszins
gebleken; verweerster heeft hiermee juist blijk gegeven de kernwaarde onafhankelijkheid
goed te begrijpen.
5.5 De door de aangewezen advocaat te maken eigen afweging brengt tevens mee
dat van een schending van de kernwaarden onafhankelijkheid en onpartijdigheid niet
kan worden gesproken. Een zorgvuldige beroepsuitoefening brengt juist met zich dat
verweerster haar cliënt ervoor behoedt kansloze procedures te voeren waarmee haar
cliënt bovendien onnodig op kosten zou worden gejaagd. Ook een eventuele familiaire
of relationele band tussen een van de kantoorgenoten van verweerster en de deken laat,
wat daar verder ook van zij, onverlet dat de professionele standaard van een advocaat
verlangt dat zij een eigen afweging maakt voor het eventueel aanhangig maken van een
procedure. Ook in dat opzicht kan verweerster geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen
worden verweten.
5.6 Hetzelfde geldt voor de beslissing van verweerster om klager niet langer
bij te staan. Klager bleef immers vast houden aan zijn standpunt dat verweerster geen
advies mocht uitbrengen, maar direct moest overgaan tot procederen. Bij een dergelijk
verschil van inzicht, dat kennelijk niet in overleg kon worden opgelost, dient verweerster
met het oog op gedragsregel 14 lid 2 haar werkzaamheden neer te leggen, zoals zij
ook heeft gedaan. Niet gebleken is dat verweerster dit op onzorgvuldige wijze heeft
gedaan. Klager stelt in dat verband dat er termijnen zijn verstreken, maar dit heeft
hij niet concreet gemaakt. Het is de voorzitter slechts gebleken dat een andere advocaat
kennelijk wel een hogerberoepschrift namens klager heeft ingediend. Dat wijst er
niet op dat “er termijnen zijn verstreken”. Dat een andere advocaat wel een processtuk
voor klager heeft opgesteld en ingediend, laat overigens onverlet dat verweerster
zonder schending van tuchtregels heeft kunnen komen tot de afweging om dat niet te
doen.
5.7 Klachtonderdelen b) tot en met d) zijn kennelijk ongegrond.
Conclusie
5.8 De voorzitter zal de klacht in het geheel kennelijk ongegrond verklaren.
Om die reden wordt ook geen aanleiding gezien om een schadevergoeding aan klager toe
te kennen, nog daargelaten dat van enige schade ten gevolge van het (overigens niet
tuchtrechtelijk laakbare) handelen van verweerster niet is gebleken.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet,
kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan
door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 februari
2026.