We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRSGR:2026:34 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-015/DH/DH/D

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2026:34
Datum uitspraak: 13-02-2026
Datum publicatie: 17-02-2026
Zaaknummer(s): 26-015/DH/DH/D
Onderwerp: Artikel 60 b e.v., subonderwerp: Artikel 60 b Advocatenwet
Beslissingen: 60b
Inhoudsindicatie: Beslissing op 60b-verzoek. De raad ziet in de opstelling van verweerder richting de deken en de ontvangen signalen voldoende zorgen dat verweerder op dit moment niet in staat is om zijn praktijk behoorlijk uit te oefenen. Mede gelet op verweerders houding ter zitting is het duidelijk geworden dat verweerder geenszins van plan is om medewerking te verlenen aan het onderzoek van de deken. De raad acht schorsing niet proportioneel, maar treft wel voorzieningen om ervoor te zorgen dat verweerder zijn medewerking aan het onderzoek van de deken zal verlenen. Verzoek daarmee deels af- en deels toegewezen.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 13 februari 2026 in de zaak 26 015/DH/DH/D naar aanleiding van het verzoek op grond van artikel 60b van de Advocatenwet van:

de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag
deken

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 8 januari 2026 heeft de deken bij de raad een verzoek op grond van artikel 60b van de Advocatenwet ingediend om verweerder met onmiddellijke ingang voor onbepaalde tijd te schorsen in de uitoefening van de praktijk of een voorlopige voorziening met betrekking tot zijn praktijkuitoefening te treffen.
1.2    Op 19 januari 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
1.3    Het verzoek is behandeld op de zitting van de raad van 19 januari 2026. Daarbij waren de deken, bijgestaan door haar stafjurist, en verweerder aanwezig. Verweerder heeft aan het einde van deze zitting de raad gewraakt.
1.4    Bij beslissing van 30 januari 2026 (ECLI:NL:TADRAMS:2026:19) heeft de wrakingskamer van de raad van discipline in het ressort Amsterdam het wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk, dan wel kennelijk ongegrond verklaard.
1.5    Op 9 februari 2026 om 14.07 uur heeft verweerder aanvullende stukken ingediend.
1.6    Op 9 februari 2026 om 14.30 uur is de zitting voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek. Daarbij waren de deken, bijgestaan door haar stafjurist, en verweerder aanwezig.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Verweerder is advocaat in Den Haag. Hij behandelt (onder andere) zaken op het gebied van het familierecht en het vreemdelingenrecht.
2.3    In augustus 2024 heeft de deken een signaal ontvangen van de rechtbank Den Haag over de kennis en kwaliteit van verweerder in familierechtzaken. Daarbij heeft de rechtbank gewezen op een specifiek dossier waarin verweerder een verzoek "voorlopige voorziening 821 jo 824 lid 2 sub. 223 Rv" heeft ingediend.
2.4    De deken heeft verweerder naar aanleiding van dit signaal uitgenodigd voor een gesprek op het Ordebureau op 17 september 2024. Verweerder had het betreffende dossier op dat moment enkel digitaal beschikbaar op zijn telefoon. De deken heeft verweerder daarom verzocht om het volledige dossier uiterlijk 20 september 2024 om 12:00 uur af te geven.
2.5    De volgende dag heeft verweerder daarop gereageerd dat hij de vordering van de deken om inzage in het dossier in beraad heeft genomen en niet direct heeft geweigerd, waarbij hij erop heeft gewezen dat privégegevens onder de AVG vallen. Vervolgens heeft hij aangegeven na beraad en om praktische redenen het betreffende verzoekschrift, het hogerberoepschrift en correspondentie met de rechtbank over aanhouding na de behandeling tot na een beschikking aan de deken toe te sturen. Dat heeft verweerder bij hetzelfde bericht gedaan.
2.6    De deken heeft daarop vastgesteld dat verweerder niet heeft voldaan aan het verzoek om het volledige dossier toe te sturen en heeft hem gewezen op gedragsregel 29. Daarbij heeft de deken verweerder verzocht om haar op de hoogte te houden van de voortgang in de procedures en de beslissing van het gerechtshof c.q. de rechtbank toe te sturen, waarbij zij het volledige dossier wenst in te zien. Ook heeft de deken verzocht om uiterlijk 13 november 2024 ontbrekende certificaten uit de CCV-opgave over 2023 ten aanzien van de behaalde 20 opleidingspunten, acht uur intervisie of acht uur gestructureerd intercollegiaal overleg en een peerreview-verslag aan te leveren.
2.7    Op 13 november 2024 heeft verweerder de certificaten opgestuurd aan de deken. Deelnamebewijzen aan de kwaliteitstoetsen zijn niet opgestuurd. De (waarnemend) deken heeft deze op 27 november 2024 opnieuw opgevraagd.
2.8    Op 5 januari 2025 heeft verweerder een toelichting aan de deken geschreven waarom hij meent dat hij voldoende uren aan intervisie heeft gevolgd.
2.9    De deken heeft daarnaast ook een signaal ontvangen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) dat verweerder tientallen kansloze aanvragen zou indienen, waarbij beroep wordt gedaan op niet relevante arresten waar zijn cliënten op geen enkele wijze rechten aan zouden kunnen ontlenen. De IND heeft daarbij opgemerkt dat het vermoeden bestaat dat de aanvragen worden ingediend om procedureel rechtmatig verblijf te genereren en dat tot dusver geen enkele aanvraag is ingewilligd, maar verweerder wel stelselmatig rechtsmiddelen instelt. Elke zaak is volgens de IND voorzien van eenzelfde begeleidend schrijven wat niet is toegespitst op de specifieke zaak en gestelde psychische problematiek wordt niet onderbouwd. De IND heeft erop gewezen per ongeluk een factuur van verweerder aan een cliënt te hebben ontvangen, waaruit volgt dat € 9.000,- wordt gevraagd voor een procedure, wat de IND niet in verhouding acht met de kansloze aanvragen en zij geen zuivere praktijk acht.
2.10    Bij het signaal is de genoemde ‘factuur’ (zijnde een overeenkomst van dienstverlening) bijgevoegd. Daarin is opgenomen dat de opdrachtgever afstand doet van gefinancierde rechtsbijstand en akkoord gaat met de totale kosten van € 9.000,- voor een verblijfsprocedure gedurende circa twee jaar. Ook staat daarin:
“(…) Ondergetekende verklaart zich bewust te zijn dat de nieuw op te starten verblijfsprocedure in Nederland (nog) geen grote kans van slagen heeft op verlening van een verblijfsvergunning nu een mvv ontbreekt en er zeer strenge afhankelijkheids- (en gezins)eisen gelden en voorts dat (…)”
2.11    Op 22 april 2025 heeft de deken verweerder naar aanleiding van het IND-signaal opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op het Ordebureau. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 9 mei 2025. De deken heeft dit gesprek als onprettig en dreigend ervaren. Tijdens dit gesprek heeft verweerder toegelicht dat de IND het naar zijn mening onjuist heeft. Het zou niet gaan om zaken waarin een beroep wordt gedaan op het Chavez-Vilchez-arrest, maar om een beroep op het K.A.-arrest. Verweerder heeft betwist dat de zaken kansloos zijn, laat staan dat zij niet onderbouwd zouden zijn.
2.12    Op 13 mei 2025 heeft de deken verweerder verzocht uiterlijk 23 mei 2025 de certificaten ten aanzien van de opleidingspunten en deelnamebewijzen aan intervisie en/of GIO over de jaren 2023 en 2024 aan te leveren. Ook heeft zij medegedeeld dat op korte termijn een kantoorbezoek zal plaatsvinden waarbij de dossiers waarop het IND-signaal betrekking heeft zullen worden bekeken. Afsluitend heeft de deken aangegeven niet gediend te zijn van de wijze waarop verweerder zich jegens haar heeft opgesteld tijdens het gesprek van 9 mei 2025.
2.13    Op 23 mei 2025 heeft verweerder een overzicht gestuurd van de door hem behaalde opleidingspunten in 2023 en 2024 en zijn toelichting van 5 januari 2025 herhaald.
2.14    Op 6 juni 2025 is namens de deken aan verweerder medegedeeld dat op korte termijn een kantoorbezoek zal plaatsvinden, samen met een lid van de raad van de orde en een stafjurist.
2.15    Op 16 december 2025 heeft de deken, samen met een stafjurist en een lid van de Raad van de Orde een kantoorbezoek verricht bij verweerder. Tijdens dit bezoek heeft verweerder de deken de toegang tot zijn computer, waarop de dossiers zich bevonden, geweigerd.
Na het kantoorbezoek heeft de deken diezelfde dag aan verweerder geschreven het gesprek als zeer onaangenaam te hebben ervaren en de wijze waarop hij meent te mogen praten tegen de stafjurist, het lid van de raad van de orde en haarzelf onaanvaardbaar te achten. Ook heeft de deken een uitspraak opgevraagd waarover het signaal van de rechtbank ging. Over de inzage in de dossiers heeft de deken geschreven: 
“(…) Tijdens het bezoek aan uw kantoor leek u niet te weten dat het doel van het bezoek aan uw kantoor was om dossiers in te zien. Dit terwijl ik u in mijn e-mail d.d. 13 mei jl. duidelijk te kennen gegeven dat ik tijdens het bezoek aan uw kantoor de dossiers waar het herhaalde signaal van de IND betrekking op had zou inzien. U was echter niet bereid mij inzage te geven in uw digitale dossiers (u beschikt niet over papieren dossiers). Dit terwijl ik u er tijdens het bezoek aan uw kantoor op heb gewezen dat ik het recht heb om inzage in uw dossiers te verlangen (ogv de Awb). U twijfelt aan mijn bevoegdheid daartoe vanwege een EU-verordening. Ik heb u daarom nogmaals voorgehouden dat ik wel degelijk de bevoegdheid heb om uw dossiers in te zien. U hebt mij niet toegestaan om de dossiers op uw computer in te zien. U gaf wel aan bereid te zijn stukken toe te sturen. Ik heb u echter te kennen gegeven dat ik zelf de dossiers wil selecteren die ik wil inzien op uw kantoor, hetgeen ook de reden is geweest om u een bezoek te brengen. Omdat u hebt geweigerd mij toegang te verschaffen tot uw dossiers heb ik het bezoek aan uw kantoor beëindigd en u te kennen gegeven dat ik een dekenbezwaar en schorsingsverzoek tegen u zal indienen bij de Raad van Discipline. (…).”
2.16    De deken heeft de opgevraagde uitspraak en e-mail niet van verweerder ontvangen. Nadien is het de deken gebleken dat dit ging om het arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 november 2024 (ECLI:NL:GHDHA:2024:2273), waarin het gerechtshof aan een verzoek van verweerder voorbij is gegaan omdat hij niet heeft geconcretiseerd op welke Unierechtelijke of verdragsrechtelijke bepalingen hij een beroep doet en waarom voorbijgegaan moest worden aan het nationale procesrecht.
2.17    De deken heeft verder in september tot en met december 2025 diverse klachten ontvangen over verweerder van (voormalige) cliënten.
2.18    In de periode van april 2025 tot en met december 2025 hebben diverse vreemdelingenrechters geoordeeld dat verweerder zijn beroepsgronden (grotendeels) niet of nauwelijks heeft geconcretiseerd, waarna deze zijn verworpen. 
2.19    In het verleden is eerder, in 2014, een dekenbezwaar en een verzoek op grond van artikel 60b van de Advocatenwet tegen verweerder ingediend. Het artikel 60b-verzoek is destijds door de deken ingetrokken. Het dekenbezwaar heeft geleid tot de oplegging van de maatregel van berisping (RvD Den Haag 13 april 2015, ECLI:NL:TADRSGR:2015:112), onder meer omdat verweerder onnodig lang heeft gewacht met het verstrekken van door de deken gevraagde informatie.

3    VERZOEK
3.1    Volgens de deken kan worden vastgesteld dat verweerder in strijd heeft gehandeld en nog steeds handelt met gedragsregel 29, door de deken geen toegang te verstrekken tot zijn digitale dossiers. Daarmee heeft verweerder de onderzoeks- en toezichthoudende taak van de deken uit artikel 45a lid 1 van de Advocatenwet op ernstige wijze gefrustreerd. Door dit handelen en nalaten van verweerder dreigen zijn (voormalige) cliënten ernstig in hun (financiële en processuele) belangen te worden geschaad, althans kan niet worden bezien wat er in het belang van deze cliënten noodzakelijk is.
3.2    Op basis van de klachten, het signaal van de IND en de verschillende uitspraken ontstaat aldus de deken het beeld van een advocaat die zijn eigen belang extreem laat prevaleren boven dat van zijn cliënt. Verweerder lijkt enkel zaken aan te nemen voor eigen financieel gewin, terwijl het lijkt te gaan om kansloze procedures. De deken benadrukt daarbij dat het inzien van dossiers er ook toe kan leiden dat wordt vastgesteld dat dit beeld niet klopt.
3.3    Daarnaast heeft verweerder twee jaar op rij niet voldaan aan de verplichtingen om deel te nemen aan kwaliteitstoetsen overeenkomstig hoofdstuk 4 van de Regeling op de Advocatuur. De bijeenkomsten die verweerder wenst op te voeren als kwaliteitstoetsen voldoen daar niet aan, terwijl hij in zijn CCV-opgaves uit 2023 en 2024 wel heeft ingevuld aan die verplichting te hebben voldaan.
3.4    Verweerder heeft volgens de deken dan ook in strijd gehandeld met gedragsregel 29, één of meer van de kernwaarden en met artikelen 4.3a en 4.3b van de Verordening op de advocatuur. Daarmee wordt in strijd gehandeld met de normen van artikel 46 van de Advocatenwet, waardoor het vertrouwen in de advocatuur en in zijn eigen beroepsuitoefening worden geschaad.
3.5    De deken is daarbij van mening dat een situatie is ontstaan die om direct ingrijpen vraagt, omdat verweerder er geen blijk van geeft zijn praktijk behoorlijk uit te kunnen oefenen en omdat de in artikel 46 van de Advocatenwet beschermde belangen ernstig worden of dreigen te worden geschaad. De deken acht het onverantwoord dat (potentiële) cliënten worden blootgesteld aan de wijze waarop verweerder op dit moment praktijk voert. De deken verzoekt de raad om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zij of een door de deken aan te wijzen gemachtigde de bevoegdheid heeft zich, zo nodig met behulp van de sterke arm, toegang te verschaffen tot de ruimte(s), waarin de praktijk van verweerder wordt gevoerd, en tot de daarbij behorende voorzieningen, zoals toegang tot dossiers van verweerder die zich op zijn computer bevinden, omdat de deken in het belang van de cliënten van verweerder onderzoek kan doen naar de wijze van praktijkvoering, waaronder naar de belangenbehartiging van zijn cliënten.

4    VERWEER 
4.1    Verweerder acht het verzoek van de deken feitelijk onjuist, onnodig grievend en ten onrechte incriminerend. Hij betwist dat hij geen medewerking verleent aan het dekenonderzoek. Op grond van artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient sprake te zijn van een schriftelijke vordering door de deken, wat niet het geval was. Het gedragsrecht (via gedragsregel 29) kan deze wet in formele zin niet passeren. Ook volgt daaruit volgens verweerder verder geen verplichting om de deken toegang te verschaffen tot een kantoorcomputer waarop verweerder naast dossiers ook privéfoto’s heeft opgeslagen. De deken had een minder verstrekkend verzoek kunnen doen, zoals afgifte van alle gevraagde dossierstukken op een gegevensdrager zoals dat via artikel 5:17 van de Awb mogelijk is of verweerder vragen om een specifiek dossier te laten zien. Ook had de deken niet laten weten door wie zij vergezeld zou worden tijdens het kantoorbezoek, waarbij verweerder verzoekt om het betreffende lid van de raad van de orde op te roepen als getuige.
4.2    Verweerder wijst erop dat niet de deken, maar de Staat (de IND en de Raad van State) de werkelijke wederpartij en directe instigator is van het dekenbezwaar en de gepretendeerde klachten die over hem zijn ingediend bij de deken. Verweerder verzoekt in dat verband de voorzitter van de vreemdelingenkamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op te roepen als getuige. De procedures zijn volgens verweerder geen kansloze procedures; verweerder dient daarmee de gerechtvaardigde belangen van zijn cliënten. Hij wijst erop dat de vreemdelingenrechters zijn beroepschriften niet kennelijk ongegrond hebben verklaard of hebben geoordeeld dat sprake is van misbruik van recht. Ook wijst hij erop dat ongegrond verklaarde beroepen kunnen worden teruggedraaid als er een doorbraak volgt bij het Hof van Justitie. 
4.3    Verweerder betwist dat hij zich met dreigende taal heeft uitgelaten richting de deken. Wel was sprake van ongenoegen als gevolg van het uitgenodigd worden en vervolgens mondeling afgekapt worden. Verweerder wilde vernemen welke personen namens de raad zijn kantoor zouden bezoeken. Hij wijst erop dat zijn uurtarief in 2015 al redelijk is bevonden door de toenmalige deken en dat deze concludeerde dat verweerder zijn dossiers correct behandelde. Verweerder verzoekt de toenmalige deken mr. Martens als getuige op te roepen om hierover te worden gehoord. 
4.4    Verweerder heeft verder toegelicht waarom hij zou hebben voldaan aan de doelstellingen van intervisie en meent dat de deken hem ook geen mogelijkheid heeft geboden om certificaten alsnog op de door de deken gewenste wijze te behalen.
4.5    Volgens verweerder dient als prejudiciële vraag gesteld te worden aan het Hof van Justitie van de Europese Unie of artikel 60b van de Advocatenwet en het op basis daarvan door de deken verzochte, een ongerechtvaardigde inbreuk behelst op de rechten van een advocaat zoals beschermd door artikel 1 van het Eerste Protocol, artikelen 7 en 17 van het Handvest en artikel 6 van het EVRM in het licht van de Staat als informele belanghebbende bij de verzochte maatregelen. Tegen de beslissing van de wrakingskamer heeft verweerder inmiddels een klacht geformuleerd bij het Europees Hof voor de Rechten van Mens (EHRM). 

5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    Op grond van artikel 60b lid 1 van de Advocatenwet kan de raad op verzoek van de deken van de orde waartoe de advocaat behoort een advocaat die tijdelijk of blijvend geen blijk geeft zijn praktijk behoorlijk uit te kunnen oefenen, voor onbepaalde tijd in de uitoefening van de praktijk schorsen dan wel een of meer voorzieningen met betrekking tot de praktijkuitoefening van de betrokken advocaat treffen die hij geboden acht. De raad van discipline kan tegelijkertijd met het opleggen van een schorsing een voorziening treffen.
5.2    Gedragsregel 29 luidt: 
Bij een tuchtrechtelijk onderzoek, een verzoek om informatie van de deken dat met een mogelijk tuchtrechtelijk onderzoek verband houdt of een verzoek om medewerking op grond van artikel 5:20 van de Awb, is de betrokken advocaat verplicht alle gevraagde inlichtingen aanstonds aan de deken te verstrekken, zonder zich op zijn geheimhoudingsplicht te kunnen beroepen, behoudens in bijzondere gevallen.
5.3    Artikel 5:17 van de Awb luidt:
1. Een toezichthouder is bevoegd inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden.
2. Hij is bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieën te maken.
3. Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden, is hij bevoegd de gegevens en bescheiden voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs.
5.4    Artikel 5:20 lid 1 van de Awb luidt:
1. Een ieder is verplicht aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.
Beoordeling van het verzoek
5.5    De door verweerder op 9 februari 2026 om 14.07 uur ingediende producties (een afschrift van de klacht bij het EHRM tegen de wrakingsbeslissing, een aantal stukken uit een verblijfsprocedure bij de IND en een e-mailwisseling) worden door de raad niet betrokken bij dit oordeel. De stukken zijn erg laat ingediend, zonder dat is gebleken waarom dit niet eerder had gekund. De zitting van 9 februari 2026 is – als vervolg van de stand waarin de zitting zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek – slechts bedoeld voor het maken van slotopmerkingen, zoals vooraf aan partijen is bericht.
5.6    De raad ziet in de opstelling van verweerder richting de deken en de ontvangen signalen voldoende zorgen dat verweerder op dit moment niet in staat is om zijn praktijk behoorlijk uit te voeren. Uit de signalen van de Rechtspraak en de IND volgt op het eerste gezicht een zorgwekkend beeld dat verweerder de belangen van zijn cliënten op onvoldoende wijze behartigt. Zo is een rode draad in de signalen, maar ook in de uitspraken van de vreemdelingenrechters die de deken heeft aangedragen, dat verweerder vele beroepsgronden aanvoert onder verwijzing naar een algemeen arrest of rechtsbeginsel, maar deze vervolgens niet concretiseert of onderbouwt, met als gevolg dat zij consequent worden afgewezen.
5.7    De deken heeft willen onderzoeken of deze signalen kloppen, zoals ook van haar mag worden verwacht als toezichthouder. Zij heeft in dat verband dossiers opgevraagd bij verweerder, maar deze heeft zij niet (volledig) ontvangen. Ook is haar de toegang tot de digitale dossiers geweigerd door verweerder. Volgens verweerder dient de deken een schriftelijke vordering te tonen om te voldoen aan de bepalingen van artikel 5:17 van de Awb die appellabel is voor verweerder. Verweerder dient aan een verzoek tot medewerking op eerste vordering te voldoen.  Toezichtshandelingen worden in het algemeen niet als besluit gekwalificeerd.  Verweerder weigert dit onder opwerping van formele drempels, waarbij over de haalbaarheid of houdbaarheid kan worden getwijfeld. Onduidelijk is gebleven waar de weigerachtige houding van verweerder in gelegen is. Daarbij miskent verweerder dat hij (ook) via gedragsregel 29 verplicht is om mee te werken aan onderzoeken van de deken. De deken heeft hem daarop ook gewezen. Verweerders betoog dat gedragsregel 29 de waarborgen uit hoofdstuk 5 van de Awb niet kan omzeilen slaagt evenmin, aangezien het hierbij gaat om verschillende grondslagen. 
5.8    De omstandigheid dat verweerder privéfoto’s heeft staan op zijn zakelijke computer, vormt geen omstandigheid waarom hij geen opvolging hoeft te geven aan gedragsregel 29. Als verweerder deze privéfoto’s afgeschermd wil houden, dan moet hij deze niet op zijn zakelijke computer bewaren. De omstandigheid dat het lid van de Raad van de Orde die meekwam bij het kantoorbezoek niet met naam en toenaam is aangekondigd, waar verweerder grote bezwaren over heeft geuit, vormt evenmin een gerechtvaardigde reden om niet mee te werken aan het onderzoek van de deken. De deken heeft verder voldoende toegelicht dat zij haar toezicht niet op minder verstrekkende wijze kan uitoefenen zoals door verweerder is gesuggereerd, omdat het voor haar ook noodzakelijk is om toezicht te houden op dossiers waarover geen signaal is ontvangen. Zij dient een volledig beeld te krijgen van de praktijkvoering van verweerder en te voorkomen dat sprake is van tunnelvisie. 
5.9    Het voorgaande leidt tot de situatie dat er grote vraagtekens zijn of verweerder zijn praktijk op een behoorlijke wijze kan uitvoeren en hij maakt het de deken onmogelijk om te onderzoeken of dat inderdaad zo is. Mede gelet op verweerders houding ter zitting is het de raad duidelijk geworden dat verweerder geenszins van plan is om medewerking te verlenen aan het onderzoek van de deken. Zo heeft hij ook de positie van de deken als toezichthouder in twijfel getrokken, omdat volgens hem de Staat werkelijk achter dit verzoek zou staan. Verweerder miskent hiermee dat de deken een onafhankelijke toezichthouder is en signalen die zij ontvangt ook dient te onderzoeken, wat ook ertoe zou kunnen leiden dat zij concludeert dat de signalen onjuist zijn. Hoewel verweerder tijdens de zitting erkent dat als de deken vraagt om dossierinzage, de advocaat geacht wordt daaraan mee te werken, blijft hij weigerachtig. Als de raad zoekt naar een verklaring daarvoor, blijft verweerder in algemeenheden spreken, ruis opwerpen en de bevoegdheden van de deken maar ook van de raad betwisten.
5.10    De raad acht het daarom nodig om ervoor te zorgen dat verweerder wel zijn medewerking zal verlenen, de volgende voorzieningen te treffen. De deken heeft verzocht in afwachting daarvan verweerder voor onbepaalde tijd te schorsen in de uitoefening van zijn praktijk. Hoewel de raad de weigerachtige houding van verweerder hierin ziet, acht de raad een schorsing niet proportioneel. Om te bewerkstelligen dat verweerder zal meewerken aan het onderzoek van de deken acht de raad het toewijzen van de voorziening dat de deken de gegevens kan verkrijgen met behulp van de sterke arm afdoende. 
Deze voorzieningen luiden als volgt:
-     treft als voorziening dat verweerder de deken tezamen met (een) door de deken aan te wijzen stafjurist(en) toegang dient te verschaffen tot de kantoorruimte waarin de praktijk van verweerder wordt gevoerd, alsmede toegang tot zijn (zakelijke) computer en/of laptop of anderszins zijn (fysieke dan wel digitale) dossiers, teneinde de deken inzage te geven in de (fysieke dan wel digitale) dossiers en de deken kopieën te laten maken van de (fysieke dan wel digitale) dossiers. 
-    treft als voorziening dat de deken de bevoegdheid heeft om hiertoe, tezamen met (een) door de deken aan te wijzen stafjurist(en), waar nodig met hulp van de sterke arm, zich de toegang te verschaffen tot de kantoorruimte waarin de praktijk van verweerder wordt gevoerd. 
-    onder voornoemde voorzieningen dient ook te worden verstaan het met behulp van een ICT'er toegang krijgen tot de digitale kantoorsystemen van verweerder. Voorts dient onder deze voorziening ook te worden verstaan dat de deken de bevoegdheid heeft van zakelijke (digitale) gegevens en bescheiden kopieën te maken en indien nodig voor het maken van (digitale) kopieën de gegevens(dragers) zo nodig voor korte tijd worden meegenomen door de deken.
5.11    De raad ziet geen aanleiding om de door verweerder verzochte getuigen te horen, aangezien zij volgens hem zouden kunnen verklaren over feiten en omstandigheden die volgens de raad niet relevant zijn voor de beoordeling van onderhavig verzoek. Evenmin ziet de raad aanleiding om in dit stadium prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, aangezien hier geen rechtsvraag voorligt die uitleg van het Unierecht vereist. 

BESLISSING
De raad van discipline:
- wijst het verzoek van de deken op grond van artikel 60b Advocatenwet om verweerder voor onbepaalde tijd in de uitoefening van de praktijk te schorsen af;
- wijst het verzoek van de deken op grond van artikel 60b van de Advocatenwet om een voorziening te treffen toe;
- treft als voorziening dat verweerder de deken tezamen met (een) aan te wijzen stafjurist(en) toegang dient te verschaffen tot de kantoorruimte waarin de praktijk van verweerder wordt gevoerd, alsmede toegang tot zijn (zakelijke) computer en/of laptop of anderszins zijn (fysieke dan wel digitale) dossiers, teneinde de deken inzage te geven in de (fysieke dan wel digitale) dossiers en de deken kopieën te laten maken van de (fysieke dan wel digitale) dossiers;
-    treft als voorziening dat de deken de bevoegdheid heeft om hiertoe, tezamen met (een) aan te wijzen stafjurist(en), waar nodig met hulp van de sterke arm, zich de toegang te verschaffen tot de kantoorruimte waarin de praktijk van verweerder wordt gevoerd; 
- onder voornoemde voorzieningen dient ook te worden verstaan het met behulp van een ICT'er toegang krijgen tot de digitale kantoorsystemen van verweerder. Voorts dient onder deze voorziening ook te worden verstaan dat de deken de bevoegdheid heeft van zakelijke (digitale) gegevens en bescheiden kopieën te maken en indien nodig voor het maken van (digitale) kopieën de gegevens(dragers) zo nodig voor korte tijd worden meegenomen door de deken;


Aldus beslist door mr. S. Wierink, voorzitter, mrs. A.B. Baumgarten en M. van Eck, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2026.